id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241112.2N.19 Rolnummer: P.24.1466.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-11-18 Raadplegingen: 628 - laatst gezien 2026-06-18 19:23 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit artikel 53, eerste lid, Wet Strafuitvoering dat bepaalt dat de strafuitvoeringsrechtbank de veroordeelde en zijn raadsman, het openbaar ministerie en de directeur hoort en haar wetsgeschiedenis volgt geen absoluut verbod voor een veroordeelde om door een raadsman te worden vertegenwoordigd op de rechtszittingen van de strafuitvoeringsrechtbank en zo kan de raadsman de veroordeelde vertegenwoordigen op de rechtszitting bij het formuleren van een verzoek om uitstel of bij een betwisting over het voldaan zijn aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden voor een strafuitvoeringsmodaliteit; wel is vereist dat de veroordeelde persoonlijk aanwezig is op een rechtszitting waarop het verzoek tot het verkrijgen van een strafuitvoeringsmodaliteit wordt behandeld, zodat zekerheid bestaat over het aanvaarden van de voorwaarden en verplichtingen die verbonden zijn aan de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit zodat de raadsman de veroordeelde wat dit aspect betreft niet kan vertegenwoordigen en de strafuitvoeringsrechtbank de afwijzing van het verzoek om een strafuitvoeringsmodaliteit kan verantwoorden door te verwijzen naar de afwezigheid van de veroordeelde op de rechtszitting
(1)Cass. 18 juni 2019, AR P.19.0598.N, AC 2019, nr. 379, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190618.5; Cass. 18 juni 2019, AR P.19.0598.N, AC 2019, nr. 379 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190618.5; Cass. 30 augustus 2017, AR P.17.0900.N, AC 2017, nr. 439, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170830.1; Cass. 19 maart 2008, AR P.08.0363.F., AC 2008, nr. 193, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080319.10; Cass. 7 november 2007, AR P.07.1440.F, AC 2007, nr. 533, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071107.5; GwH 4 maart 2009, arrest nr. 35/2009, ro B.7, www.const-court.be; P. HOET, “Verstek, vertegenwoordiging en verzet bij de uitvoering van de internering (vergeleken met de strafvervolging en de strafuitvoering)”, T. Strafr. 2019, afl. 2, p. 96-97, nr.
- Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 53, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 53, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1466.N A. B., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Alex Buelens, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 25 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.3 EVRM, artikel 440 Gerechtelijk Wetboek en artikel 53 Wet Strafuitvoering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: het vonnis is gewezen zonder het horen van de eiser, die niet werd overgebracht vanuit de gevangenis, alsook zonder het horen van zijn raadsman die de eiser niet mocht vertegenwoordigen; op de rechtszitting werd een briefje ingediend inzake die niet-overbrenging, maar dit briefje werd niet geschreven door de eiser noch door hem ondertekend; de raadsman van de eiser heeft het recht om de eiser te vertegenwoordigen.
- Artikel 6.3.c EVRM is niet van toepassing op de strafuitvoeringsrechtbank, die zich immers niet uitspreekt over de vervolging wegens een strafbaar feit. In zoverre faalt het middel naar recht.
- Artikel 53, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de strafuitvoeringsrechtbank de veroordeelde en zijn raadsman, het openbaar ministerie en de directeur hoort.
- Uit die bepaling en haar wetsgeschiedenis volgt geen absoluut verbod voor een veroordeelde om door een raadsman te worden vertegenwoordigd op de rechtszittingen van de strafuitvoeringsrechtbank. Zo kan de raadsman de veroordeelde vertegenwoordigen op de rechtszitting bij het formuleren van een verzoek om uitstel of bij een betwisting over het voldaan zijn aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden voor een strafuitvoeringsmodaliteit.
- Wel is vereist dat de veroordeelde persoonlijk aanwezig is op een rechtszitting waarop het verzoek tot het verkrijgen van een strafuitvoeringsmodaliteit wordt behandeld, zodat zekerheid bestaat over het aanvaarden van de voorwaarden en verplichtingen die verbonden zijn aan de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit. De raadsman kan de veroordeelde wat dit aspect betreft niet vertegenwoordigen en de strafuitvoeringsrechtbank kan de afwijzing van het verzoek om een strafuitvoeringsmodaliteit verantwoorden door te verwijzen naar de afwezigheid van de veroordeelde op de rechtszitting. Artikel 440 Gerechtelijk Wetboek betreffende het pleitmonopolie van de advocaat en het verschijnen als gevolmachtigde zonder te moeten doen blijken van enige volmacht, laat niet toe anders te oordelen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het dossier van de rechtspleging bevat een document “Justitiepaleis Gevangenis Antwerpen. Naam B., Voornaam A., Cel: …, Datum 15/10/24” met aankruising van de rubriek “Ik wens niet bij de zitting aanwezig te zijn”. Het proces-verbaal van de rechtszitting van 15 oktober 2024 bevat verder de volgende vermelding: “Mr. Lenaerts stelt dat betrokkene niet wenst te verschijnen omwille van de recente herroeping van de BD.” Die vermelding wordt door de eiser niet van valsheid beticht, zodat vaststaat dat de eiser niet wenste te verschijnen op de rechtszitting van de strafuitvoeringsrechtbank waar zijn verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht zou worden behandeld. De beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank om het verzoek tot vertegenwoordiging van de eiser door zijn raadsman niet toe te staan, is dan ook naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 12 november 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241112.2N.19 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071107.5 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080319.10 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170830.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190618.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div