← België

V. contra DEMIN bewindvoerder van V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241112.2N.24 Rolnummer: P.24.0881.N Zaak: V. contra DEMIN bewindvoerder van V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-11-18 Raadplegingen: 520 - laatst gezien 2026-06-15 03:27 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Artikel 780, eerste lid, 2°, Gerechtelijk Wetboek dat de vermelding van het rijksregisternummer of ondernemingsnummer van de partijen voorschrijft, is niet van toepassing in strafzaken

(1).
(1)Cass. 16 maart 2021, AR P.21.0189.N, AC 2021, nr. 193, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.
  1. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 780, eerste lid, 2° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 In correctionele zaken bevat het arrest in hoger beroep, volgens de artikelen 195, tweede lid, 2°, en 211 Wetboek van Strafvordering de vermelding van de naam, de voornaam en de woonplaats van de partijen, hun geboortedatum, en, in voorkomend geval, hun rijksregisternummer, de nationaliteit, de unieke dactyloscopische referentie, identificatienummer in het bisregister of ondernemingsnummer; deze bepalingen zijn echter niet voorgeschreven op straffe van nietigheid. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0881.N
  2. S. V.,
  3. G. V.,
  4. G. C., beklaagden, eisers, allen met als raadsman mr. Yves Mondelaers, advocaat bij de balie Leuven, tegen
  5. Geert DEMIN, wonende te 3000 Leuven, Vaartstraat 42, in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van P.V., burgerlijke partij, verweerder, met als raadsman mr. Toon Muysewinkel, advocaat bij de balie Leuven,
  6. DE LANDSBOND VAN LIBERALE MUTUALITEITEN, met zetel te 1050 Brussel, Livornostraat 25, ON 0411.729.366, burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 6 mei
  7. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  8. Het arrest veroordeelt de eisers hoofdelijk om aan P.V. een provisionele schadevergoeding van 2.000,00 euro te betalen. Het veroordeelt de eisers ook hoofdelijk om aan de verweerder 2 een provisionele schadevergoeding van 40.000,00 euro te betalen. Vervolgens stelt het arrest, alvorens verder recht te doen, een deskundige-geneesheer aan en stelt het de zaak naar een rechtszitting op 10 februari 2025 teneinde te worden ingelicht over het verloop van de werkzaamheden van de deskundige. Dit zijn geen eindbeslissingen in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en evenmin, behoudens wat betreft de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid, beslissingen als bedoeld door het tweede lid van die bepaling. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen, zijn eisers’ cassatieberoepen wegens voorbarigheid niet ontvankelijk. Eerste middel
  9. Het middel voert schending aan van artikel 780, eerste lid, 2°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest vermeldt niet het rijksregisternummer of het ondernemingsnummer van de burgerlijke partij P.V. en zijn bewindvoerder.
  10. Artikel 780, eerste lid, 2°, Gerechtelijk Wetboek dat de vermelding van het rijksregisternummer of ondernemingsnummer van de partijen voorschrijft, is niet van toepassing in strafzaken. In correctionele zaken bevat het arrest in hoger beroep, volgens de artikelen 195, tweede lid, 3° en 211 Wetboek van Strafvordering de vermelding van de naam, de voornaam en de woonplaats van de partijen, hun geboortedatum, en, in voorkomend geval, hun rijksregisternummer, de nationaliteit, de unieke dactyloscopische referentie, identificatienummer in het bisregister of ondernemingsnummer. Deze bepalingen zijn echter niet voorgeschreven op straffe van nietigheid. Het middel, dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt, enerzijds, dat P.V. in het café erg agressief was en dat hij, eenmaal hij uit het café was gezet, bleef terugkomen, agressief was en in het rond sloeg en, anderzijds, dat er, wat betreft het feitelijk verloop van de vechtpartij en de aanleiding ervan, een onderscheid moet worden gemaakt tussen hetgeen in het café heeft plaatsgevonden en hetgeen nadien is gebeurd, nadat P.V. uit het café was gezet; die redenen zijn tegenstrijdig.
  12. Een motivering is enkel tegenstrijdig wanneer zij bestaat uit redenen die elkaar teniet doen en bijgevolg opheffen. Dat is niet het geval voor een motivering die bestaat uit redenen die weliswaar niet overeenstemmen, maar die elkaar niet opheffen.
  13. Het arrest oordeelt, eensdeels (p. 10, nr. 5.1), dat het niet ter discussie staat dat P.V. op 27 oktober 2018 in het café B. B. voor overlast heeft gezorgd, dat hij de klanten lastig viel en agressief gedrag vertoonde in het café en, anderdeels (p. 11, nr. 5.1), dat “[w]at betreft het feitelijk verloop van de vechtpartij en de aanleiding ervan” er een onderscheid moet worden gemaakt tussen hetgeen in het café heeft plaatsgevonden en hetgeen nadien is gebeurd, nadat P.V. uit het café was gezet. Die redenen doen elkaar niet teniet en heffen elkaar niet op zodat zij niet tegenstrijdig zijn. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het in zijn appelconclusie gevoerde verweer van de eiser 3 dat het videofragment waarop hij zou te zien zijn niet aan het strafdossier werd gevoegd, ook werd gewist waardoor hij dit niet kon bekijken en dat in het arrest deze beelden in verband worden gebracht met de verklaring van L.T. die meer dan één maand na de feiten werd opgetekend en in het arrest wordt gesteld dat het door de uitlezing van de gsm-beelden vast staat dat de eiser 3 P.V. in het gezicht stampte toen hij op de grond lag; het arrest beantwoordt evenmin het verweer dat het vermoeden van onschuld van de eiser 3 werd miskend omdat een persoonsverwisseling niet valt uit te sluiten, alle overige beklaagden, noch het merendeel van de getuigen hem vermelden als een persoon die slagen heeft uitgedeeld, de getuigen C.S. en L.T. elkaar op dat punt dan nog eens tegenspreken en rekening dient te worden gehouden met de context van het gebeuren, namelijk een omgeving waar er feest werd gevierd en heel wat mensen alcoholische dranken hadden genuttigd en werden geconfronteerd met aanhoudend verbaal en fysiek agressief gedrag van P.V.
  15. Artikel 149 Grondwet verplicht de rechter het verweer dat de partijen bij conclusie voor hem aanvoeren, te beantwoorden. Deze verplichting houdt echter niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een verweer is aangevoerd, maar zelf geen afzonderlijk verweer vormt.
  16. Het arrest (p. 12) oordeelt dat het op basis van de resultaten van de uitlezing van de gsm-beelden vast staat dat de eiser 1 een trap gaf ter hoogte van de benen van P.V. toen hij op de grond lag. Het oordeelt niet, zoals het onderdeel voorhoudt, dat het door de uitlezing van deze gsm-beelden vast staat dat de eiser 3 P.V. in het gezicht stampte toen hij op de grond lag. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  17. Het arrest (p. 11-13) oordeelt specifiek over de schuld van de eiser 3 aan de ten laste gelegde feiten dat: - er geen twijfel bestaat dat de eiser 3 bij de groep behoorde die op P.V. heeft geslagen nadat hij uit het café was gezet, dat hij actief heeft deelgenomen aan die vechtpartij en zelf slagen heeft gegeven aan P.V. of hem heeft geduwd; - L.T. heeft gezien hoe de eiser 3 (“S.”) en de eiser 2 (“V.”) P.V. stampen en boksen gaven terwijl hij op de grond lag; - C.S. heeft gezien dat de eiser 3 (“S.”) P.V. in zijn gezicht stampte toen hij op de grond lag; - de omstandigheid dat C.S. verklaart dat de eiser 2 op dat ogenblik een sigaret aan het roken was, de verklaringen van L.T. niet ontkracht daar zij enkel getuigt over een momentopname die niet noodzakelijk dezelfde was; - er geen enkele reden is om aan de betrouwbaarheid van de getuigenis van L.T. te twijfelen; - L.T. de eiser 3 kende, die zij “S.” noemt en er geen aanwijzing is dat zij zich zou hebben vergist over de identiteit van de persoon die aan het slaan was, ook al waren er twee personen die tijdens die avond een witte pet droegen; - uit de verklaringen van de getuigen T.I., G.L. en N.V. blijkt dat bij de vechtpartij buiten het café vier à vijf personen betrokken waren; - de eiser 1 overigens bij de onderzoeksrechter heeft bevestigd dat P.V., vooraleer ten val te komen, van verschillende personen slaag had gekregen en dat hij aan het bloeden was aan zijn neus en tanden; - het op aanwijzen van de eiser 1 is dat de eiser 3 en de eiser 2 onmiddellijk na de feiten werden geïdentificeerd als medebetrokkenen bij de feiten. Met deze redenen beantwoorden en verwerpen de appelrechters het verweer van de eiser 3 over een mogelijke persoonsverwisseling, zonder te moeten antwoorden op elk argument dat tot staving van dat verweer is aangevoerd, maar zelf geen afzonderlijk verweer vormt. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het in hun respectieve appelconclusies in ondergeschikte orde gevoerde verweer dat het aandeel in de feiten van P.V. als zeer belangrijk moet worden ingeschat, waarbij de eiser 1 en de eiser 2 vorderden dat P.V. voor 99 procent aansprakelijk zou worden gesteld en de eiser 3 vorderde dat hij hoogstens voor 1 procent aansprakelijk zou worden gesteld.
  19. Het arrest (p. 17) oordeelt dat: - uit de medische verslagen blijkt dat P.V. een apart gedrag vertoonde en dat zijn afwijkend gedrag zich uitte in ruziezoekend gedrag; - P.V. ook gekend was als een persoon met een problematisch alcoholgebruik; - uit het geheel van de verklaringen blijkt dat P.V. zich die avond agressief heeft opgesteld, dat hij amok maakte in het café, een kopstoot heeft gegeven aan D.P. en in het rond sloeg; - het gedrag van P.V. ervoor heeft gezorgd dat hij uit het café diende te worden gezet, waarna de situatie volledig uit de hand is gelopen; - P.V. heel dronken was en volgens meerdere getuigen aanstalten maakte om terug te keren naar het café en agressief bleef; - er geen enkele twijfel bestaat dat indien P.V. zich niet op deze foutieve wijze had gedragen, het nooit tot een uit de hand gelopen vechtpartij was gekomen en de schade, zoals die zich heeft voorgedaan, niet was veroorzaakt; - het gedrag van P.V. een fout uitmaakt waarvoor hij aansprakelijk moet worden gesteld, niettegenstaande de daden die hij heeft begaan niet degene zijn die volgens de wetgever uitlokking vormen; - het aandeel van P.V. op de helft wordt bepaald. Met die redenen beantwoordt het arrest het verweer van de eisers. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde middel
  20. Het middel voert schending aan van de artikelen 411 en 414 Strafwetboek: de appelrechters nemen ten onrechte geen uitlokking door P.V. aan.
  21. Het middel dat geheel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest is niet ontvankelijk. Vierde middel
  22. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van de bewijskracht van een akte: anders dan de appelrechters stellen, blijkt nergens uit de verklaring die de eiser 1 op 29 oktober 2018 voor de onderzoeksrechter aflegde, noch uit zijn verklaring op 27 oktober 2018 voor de politie, dat hij verklaarde dat de eiser 3 bij de feiten betrokken was.
  23. Het arrest (p. 12, nr. 5.3) stelt niet vast, zoals het middel aanvoert, dat de eiser 1 in zijn verklaringen voor de onderzoeksrechter of de politie heeft verklaard dat de eiser 3 bij de feiten betrokken was. Het stelt wel vast dat de eiser 1 bij de onderzoeksrechter heeft bevestigd dat P.V., vooraleer ten val te komen, van verschillende personen slagen had gekregen en dat hij aan het bloeden was aan zijn neus en tanden en “Het is op zijn aanwijzingen dat [de eiser 3] en [de eiser 2] onmiddellijk na de feiten werden geïdentificeerd als medebetrokkenen bij de feiten (zie aanvankelijk proces-verbaal)”. Het middel berust derhalve op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Vijfde middel
  24. Het middel voert miskenning aan van het recht van verdediging en van het algemeen rechtsbeginsel in dubio pro reo: de appelrechters gaan ten onrechte niet in op het door de eiser 3 in appelconclusie gevoerde verweer dat hij op grond van twijfel moet worden vrijgesproken omdat de gsm-beelden werden gewist, deze beelden door de verdediging niet meer konden worden geverifieerd en dat hij bij de analyse van deze beelden niet kon worden geïdentificeerd als de persoon die stampen toebracht; alle overige beklaagden en ook het merendeel van de getuigen stellen dat de eiser 3 geen slagen toebracht; bovendien valt een persoonsverwisseling niet uit te sluiten aangezien op de beelden twee personen met een witte pet te zien waren en dit zeker in een context van een situatie waar velen hadden gedronken.
  25. Het middel is geheel afgeleid uit het met het tweede onderdeel van het tweede middel vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek en is bijgevolg niet ontvankelijk. Zesde middel
  26. Het middel voert schending aan van artikel 416 Strafwetboek: de appelrechters nemen ten onrechte geen wettige verdediging aan; P.V. bleef ook buiten het café bijzonder agressief; de eiser 1 en de eiser 2 moesten steeds eerst zelf klappen incasseren en afweren; na bijzonder agressief gedrag kwam P.V., die steeds bleef aanzetten en uithalen in dronken toestand, ongelukkig ten val; er was volgens de gegevens van het strafdossier geen sprake van het “zwaar achterover geduwd worden” op een naar beneden hellende straat; het is bij de beoordeling van de wettige verdediging ook niet relevant of het verweer aanleiding gaf tot zware verwondingen; het arrest oordeelt ook zelf dat er “geen enkele twijfel (bestaat) dat indien [P.V.] zich niet op deze foutieve wijze had gedragen, het nooit tot een uit de hand gelopen vechtpartij was gekomen en de schade, zoals die zich heeft voorgedaan, niet was veroorzaakt. Het gedrag van [P.V.] maakt een fout uit waarvoor hij aansprakelijk moet worden gesteld”.
  27. Het middel dat geheel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  28. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot hun kosten. Bepaalt de kosten op 133,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 12 november 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241112.2N.24 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.