id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241112.2N.26 Rolnummer: P.24.0712.N Zaak: G. contra Stad Lommel Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-11-18 Raadplegingen: 496 - laatst gezien 2026-06-18 15:56 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Artikel 195 Wetboek van Strafvordering noch enige andere bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat de rechter bij het bepalen van een passende straf voor een stedenbouwmisdrijf rekening houdt met het gegeven dat de beklaagde niet tot herstel is overgegaan en de omstandigheid dat een regularisatieprocedure hangende is, doet daaraan geen afbreuk. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STEDENBOUW - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0712.N 1. P. G., beklaagde, eiser, 2. OOSTAPPEN VAKANTIEPARK BLAUWE MEER nv, thans CAMPING BLAUWE MEER nv, met zetel te 3920 Lommel, Luikersteenweg 313 bus A, ON 0446.019.262, beklaagde, eiseres, beiden met als raadsman mr. Philip Daeninck, advocaat bij de balie Limburg, tegen GEMEENTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR VAN DE STAD LOMMEL, met kantoor te 3920 Lommel, Hertog Janplen 1, eiser tot herstel, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 17 april 2024. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers hun cassatieberoep hebben laten betekenen aan de verweerder, zoals nochtans is vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre de cassatieberoepen ook zijn gericht tegen de beslissing op de herstelvordering, zijn ze niet ontvankelijk. Eerste middel 2. Het middel voert schending aan van artikel 3 Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest dat het verzoek van de eisers om opschorting van de uitspraak van veroordeling (hierna opschorting) afwijst op de loutere grond dat die gunstmaatregel niet van aard is om de eisers afdoende te wijzen op hun maatschappelijke beperkingen en verplichtingen, voldoet niet aan de bijzondere motiveringsplicht om een dergelijk verzoek te verwerpen; die motivering is niet nauwkeurig en daaruit blijkt ook niet dat de appelrechters eisers’ verzoek en de redenen die hij daartoe heeft aangevoerd in aanmerking hebben genomen. 3. Een beklaagde heeft geen recht op opschorting. Het louter voldoen aan de wettelijke voorwaarden voor opschorting, verplicht de rechter niet die maatregel op te leggen. 4. Uit artikel 3, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter die het verzoek van een beklaagde om opschorting afwijst nauwkeurig de redenen voor die beslissing moet vermelden, zij het dat die motivering beknopt mag zijn. 5. Uit die bepalingen en uit artikel 149 Grondwet volgt verder dat uit de afwijzende beslissing moet blijken dat de rechter het verzoek om opschorting en de redenen die de beklaagde tot staving van zijn verzoek heeft aangevoerd, in aanmerking heeft genomen, zonder dat de rechter evenwel op elk van die redenen afzonderlijk moet ingaan. 6. De rechter kan de afwijzing van het verzoek om opschorting motiveren of mede motiveren door opgave van de redenen die hij vermeldt ter verantwoording van het uitspreken van straffen. 7. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 8. Uit de appelconclusie van de eisers blijkt dat zij om opschorting hebben verzocht en dat dit verzoek was gesteund op hun quasi blanco strafregister en het gegeven dat zij door de architect zouden zijn misleid. 9. Het arrest (p. 9) verwijst bij de straftoemetingsbeslissing naar de persoonlijkheid van de eisers, hun gunstig strafregister, de omstandigheden en de ernst van de feiten die getuigen van een asociale ingesteldheid en een gebrek aan respect voor de reglementering inzake ruimtelijke ordening, de professionele context van de feiten, het gegeven dat de toestand nog steeds ongewijzigd is en niet werd geregulariseerd en het verstrijken van de termijn sinds de feiten zonder dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Het oordeelt dat gelet op die elementen de door de eerste rechter uitgesproken straffen wettig en passend zijn en dat die straffen nodig zijn om de eisers het ontoelaatbare van hun handelen te doen inzien en om hen ervan te weerhouden in de toekomst nog dergelijke laakbare handelingen te stellen. Het arrest (p. 10, eerste alinea) voegt daaraan toe dat op het verzoek om opschorting niet wordt ingegaan omdat die maatregel niet van aard is de eisers afdoende te wijzen op hun maatschappelijke beperkingen en verplichtingen. Ten slotte beoordeelt en verwerpt het arrest (p. 10, tweede tot vierde alinea) de stelling van de eisers dat zij door de architect zouden zijn misleid. 10. Daaruit volgt dat de appelrechters het verzoek van de eisers om opschorting en de redenen die zij tot staving van dit verzoek hebben aangevoerd, in aanmerking hebben genomen, alsook dat zij de afwijzing van dit verzoek nauwkeurig motiveren. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 11. Het middel voert schending aan van artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest houdt bij de straftoemetingsbeslissing rekening met het gegeven dat tot de datum van het arrest de toestand nog steeds ongewijzigd was en niet werd geregulariseerd; uit het arrest blijkt dat de appelrechters wisten dat een (mogelijke) regularisatieprocedure hangende was; er bestond dan ook voor de eisers geen verplichting om de toestand te wijzigen; bijgevolg is de straftoemetingsbeslissing niet nauwkeurig gemotiveerd. 12. Artikel 195 Wetboek van Strafvordering noch enige andere bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat de rechter bij het bepalen van een passende straf voor een stedenbouwmisdrijf rekening houdt met het gegeven dat de beklaagde niet tot herstel is overgegaan. De omstandigheid dat een regularisatieprocedure hangende is, doet daaraan geen afbreuk. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek 13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten op 123,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 12 november 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241112.2N.26 Gerelateerde publicatie(
- s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260317.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.