← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De in artikel 29, § 1, eerste lid,

§ 2

, Interneringswet vermelde termijnen zijn geen vervaltermijnen maar termijnen van orde; de overschrijding ervan heeft niet tot gevolg dat het openbaar ministerie de zaak niet langer aanhangig kan maken bij de kamer of dat de kamer niet langer van de zaak kennis kan nemen of dat een beslissing van de kamer die is gewezen met overschrijding van deze termijnen nietig is

(1).
(1)Zie Cass. 27 september 2022, AR P.22.1176.N, AC 2022, nr. 581, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220927.2N.18; Cass. 25 mei 2021, AR P.21.0588.N, AC 2021, nr. 383, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210525.2N.12; R. CASSIERS, Strafuitvoeringsrechtbank, APR 2024, nr. 1115, p. 401

nr. 1135, p. 408. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 29, §§ 1

2 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 29, §§ 1

2 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1426.N A. V.H., geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Peter Gonnissen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 15 oktober

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Artikel 78 Interneringswet somt op limitatieve wijze de beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij (hierna de kamer) op waartegen cassatieberoep openstaat. Beslissingen betreffende uitgaansvergunningen zijn niet vermeld. In zoverre ook gericht tegen de beslissing betreffende de uitgaansvergunningen, is eisers cassatieberoep niet ontvankelijk. Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 29, § 1

§ 2

, Interneringswet

miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het openbaar ministerie heeft de interneringszaak laattijdig bij de kamer aanhangig gemaakt, zodat de vordering niet ontvankelijk is; het openbaar ministerie had binnen de twee maanden na het in kracht van gewijsde gaan van de interneringsbeslissing de zaak bij de kamer moeten aanhangig maken, wat wil zeggen vóór 26 februari 2024; de zaak had bovendien moeten worden behandeld op de eerste nuttige zitting van de kamer

uiterlijk drie maanden nadat de interneringsbeslissing kracht van gewijsde verkreeg, wat wil zeggen vóór 26 maart 2024; de beschikking van 20 december 2023 waarbij eisers cassatieberoep tegen de interneringsbeslissing van 16 november 2023 werd verworpen, werd aan de eiser betekend op 26 december 2023; de kamer kon dan ook niet geldig beslissen, had de vordering onontvankelijk moeten verklaren

de eiser diende in vrijheid te worden gesteld.

  1. Artikel 29, § 1, eerste lid, Interneringswet bepaalt dat het openbaar ministerie binnen de twee maanden die volgen op het in kracht van gewijsde gaan van de interneringsbeslissing de zaak aanhangig maakt bij de kamer met het oog op het aanwijzen van een inrichting waar de internering ten uitvoer dient te worden gelegd of met het oog op de toekenning van een andere uitvoeringsmodaliteit.
  2. Artikel 29, § 2, Interneringswet bepaalt dat de zaak wordt behandeld op de eerste nuttige zitting van de kamer

dat die zitting moet plaatsvinden uiterlijk drie maanden nadat de interneringsbeslissing in kracht van gewijsde is gegaan. 5. De in artikel 29, § 1, eerste lid,

§ 2

, Interneringswet vermelde termijnen zijn geen vervaltermijnen maar termijnen van orde. De overschrijding ervan heeft niet tot gevolg dat het openbaar ministerie de zaak niet langer aanhangig kan maken bij de kamer of dat de kamer niet langer van de zaak kennis kan nemen of dat een beslissing van de kamer die is gewezen met overschrijding van deze termijnen nietig is. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel 6. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het vonnis is niet regelmatig met redenen omkleed; het gaat voorbij aan eisers verweer dat hij veel eerder recht had op een rechtszitting (eerste onderdeel); het vonnis motiveert niet waarom artikel 29, § 1, Interneringswet (tweede onderdeel)

artikel 29, § 2, Interneringswet (derde onderdeel) niet werden toegepast, zodat het vonnis niet regelmatig met redenen is omkleed. 7. Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie moet de kamer in de beslissing over de uitvoering van de internering niet verantwoorden waarom de in artikel 29, § 1, eerste lid,

§ 2, Interneringswet bepaalde termijnen werden overschreden.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

  1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser of zijn raadsman voor de kamer het door het middel bedoelde verweer heeft gevoerd. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  2. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen

de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke

Jos Decoker,

in openbare rechtszitting van 12 november 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241112.2N.29 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210525.2N.12 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220927.2N.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.