← België

T.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 47bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 2bis - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 47bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 2bis - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 47bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 2bis - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 47bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 2bis - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 47bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 2bis - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 47bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 2bis - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 7 - 12 Geen enkele wettelijke bepaling voorziet in een sanctie bij de niet-naleving of een onvolkomen naleving van de kennisgevingsverplichting van de feiten waarover de verdachte zal worden verhoord aan de verdachte en zijn raadsman; het staat dan ook aan de rechter te oordelen of de niet-naleving of een onvolkomen naleving van deze kennisgevingsverplichting het recht van verdediging daadwerkelijk en onherstelbaar heeft aangetast en in voorkomend geval die aantasting te sanctioneren en bij die beoordeling kan de rechter het gegeven betrekken dat de niet-naleving of de onvolkomen naleving van deze kennisgevingsverplichting werd geremedieerd door kennisgevingen bij het verhoor of een navolgend verhoor of had kunnen worden geremedieerd indien de inverdenkinggestelde of zijn raadsman om een nieuw vertrouwelijk overleg had verzocht. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 47bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 2bis - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 47bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 2bis - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 47bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 2bis - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 47bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 2bis - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 47bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 2bis - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 47bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 2bis - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1463.N R. T., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Seno Devriendt, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 oktober

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 47bis, § 2, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 2bis, 16, § 2, en 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet: het arrest beantwoordt niet het in de appelconclusie van de eiser ontwikkelde verweer dat de raadsman van de eiser niet overeenkomstig artikel 47bis, § 2, Wetboek van Strafvordering voorafgaand aan het vertrouwelijk overleg werd geïnformeerd over het voorwerp van het verhoor; het arrest beperkt eisers verweer tot de problematiek van de mededeling van de feiten aan de eiser voorafgaand aan het verhoor en dus op een moment nadat het vertrouwelijk overleg reeds plaatsvond; het arrest past de wet onjuist toe; de mededeling aan de raadsman voorafgaand aan het vertrouwelijk overleg dat het verhoor een zware diefstal tot voorwerp had, is niet voldoende; een beknopte mededeling van de feiten overeenkomstig artikel 47bis, § 2, Wetboek van Strafvordering omvat per definitie meer dan een loutere juridische kwalificatie en had minstens en in de mate dat deze gegevens reeds bekend waren een mededeling van de inhoudelijke, ruimtelijke en temporele context moeten omvatten; bovendien blijkt uit het proces-verbaal van verhoor door de onderzoeksrechter dat die wel degelijk kennis had van die contextuele elementen, maar deze voorafgaand aan het vertrouwelijk overleg niet aan de advocaat wenste mee te delen, ook niet op beknopte wijze; het arrest laat verder na het verweer te beantwoorden dat een raadsman op basis van te beperkte informatie tijdens het voorafgaand vertrouwelijk overleg zijn cliënt niet naar behoren kan adviseren en een wetsconforme mededeling tot een ander advies had kunnen leiden dan het zich beroepen op zijn zwijgrecht.
  3. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis.
  4. Uit de artikelen 23, 4° en 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet volgt voor de kamer van inbeschuldigingstelling de verplichting om een conclusie betreffende de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding te beantwoorden.
  5. De kamer van inbeschuldigingstelling moet daarbij niet de redenen van haar redenen geven. Zij dient weliswaar elk afzonderlijk verweer te beantwoorden, maar moet niet antwoorden op argumenten die louter werden aangevoerd tot staving van een verweer zonder een afzonderlijk verweer te vormen. Gelet op de korte termijn waarbinnen de kamer van inbeschuldigingstelling zich moet uitspreken over de handhaving van de voorlopige hechtenis volstaat het dat zij de verweren in hun essentie beantwoordt, zonder op elk detail te moeten ingaan.
  6. Artikel 47bis, § 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat vooraleer wordt overgegaan tot het verhoor van een verdachte aan de te ondervragen persoon op beknopte wijze kennis wordt gegeven van de feiten waarover hij zal worden verhoord. Artikel 47bis, § 6, 6), Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de verhoorder op beknopte wijze kennis geeft aan de advocaat van de feiten waarop het verhoor betrekking heeft.
  7. Artikel 2bis Voorlopige Hechteniswet regelt de toegang tot een advocaat binnen de in de artikelen 1, 1°, 2, 12 en 18, § 1, Voorlopige Hechteniswet bepaalde termijnen.
  8. Noch artikel 47bis Wetboek van Strafvordering noch artikel 2bis Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat aan de raadsman die werd opgeroepen om bijstand te verlenen aan een verdachte die van zijn vrijheid is beroofd voor de aanvang van het vertrouwelijk overleg, indien dit plaatsvindt voor de aanvang van het verhoor, op beknopte wijze kennis moet worden gegeven van de feiten waarover de verdachte zal worden verhoord.
  9. Uit het arrest nr. 7/2013 van 14 februari 2013 van het Grondwettelijk Hof (B.36.2) volgt evenwel dat artikel 47bis Wetboek van Strafvordering in het licht van de aard en de doelstelling van de door een raadsman te verlenen bijstand zo moet worden uitgelegd dat politieambtenaren, de procureur des Konings of de onderzoeksrechter ook de bijstand verlenende advocaat moeten inlichten over de feiten waarop het verhoor betrekking heeft.
  10. Daaruit volgt dat aan de advocaat die bijstand verleent bij het verhoor van een van zijn vrijheid beroofde verdachte voor het vertrouwelijk overleg, indien dit plaatsvindt voor de aanvang van het verhoor, op beknopte wijze kennis moet worden gegeven van de feiten waarover de verdachte zal worden verhoord.
  11. Het staat aan de rechter te oordelen of in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak is voldaan aan de verplichting op beknopte wijze kennis te geven van de feiten waarover de van zijn vrijheid beroofde verdachte zal worden verhoord. Daarbij moet rekening worden gehouden met de informatie waarover de verhoorder op het ogenblik van het vertrouwelijk overleg en het verhoor beschikt, wat toch gevolg kan hebben dat het niet mogelijk is om de feiten in tijd en ruimte te situeren.
  12. Geen enkele wettelijke bepaling voorziet in een sanctie bij de niet-naleving of een onvolkomen naleving van deze kennisgevingsverplichting aan de verdachte en zijn raadsman.
  13. Het staat dan ook aan de rechter te oordelen of de niet-naleving of een onvolkomen naleving van deze kennisgevingsverplichting het recht van verdediging daadwerkelijk en onherstelbaar heeft aangetast en in voorkomend geval die aantasting te sanctioneren. Bij die beoordeling kan de rechter het gegeven betrekken dat de niet-naleving of de onvolkomen naleving van deze kennisgevingsverplichting werd geremedieerd door kennisgevingen bij het verhoor of een navolgend verhoor of had kunnen worden geremedieerd indien de inverdenkinggestelde of zijn raadsman om een nieuw vertrouwelijk overleg had verzocht.
  14. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  15. Het arrest oordeelt als volgt: - op 25 september 2024 vernam de FGP Antwerpen dat één van de loodsen gelegen op het perceel te L. zou worden gebruikt door een Antwerpse criminele organisatie bij de invoer van verdovende middelen via de haven van Antwerpen; - de eiser werd op 1 oktober 2024 om 14.25 u door de politiediensten geïntercepteerd op het moment dat hij uit één van die loodsen naar buiten kwam; - in die loods bevond zich een vrachtwagen (oplegger met trekker) waarin paletten met kartonnen dozen (I-pads) werden aangetroffen; - uit verder onderzoek bleek dat deze lading I-pads bij A. zou zijn ontvreemd met behulp van vervalste documenten; - de eiser werd door de politiediensten verhoord op 1 oktober 2024 om 17.40 u, waarbij hem voorafgaand aan het verhoor werd meegedeeld dat het verhoor gebeurde in het kader van zware diefstal; - na vertrouwelijk overleg met zijn advocaat beriep de eiser zich op zijn zwijgrecht; - de door de politie verstrekte informatie was in de gegeven omstandigheden beknopt maar voldoende om te weten waarover de eiser zou worden verhoord. Op het moment van dat eerste verhoor konden de politiediensten de feiten van diefstal nog niet verder kaderen in tijd en ruimte omdat zijzelf nog niet over die informatie beschikten; - het gegeven dat de feiten betrekking zouden hebben op de diefstal van een lading I-pads bij A. met behulp van vervalste documenten werd slechts duidelijk voor de politiediensten op 2 oktober 2024 om 12.57 u; - de eiser werd op 3 oktober 2024 om 10.42 u door de onderzoeksrechter verhoord nadat deze door de procureur des Konings op 2 oktober 2024 was gevorderd een gerechtelijk onderzoek te voeren; - de onderzoeksrechter deelde aan de eiser mee dat hij werd verhoord in het kader van de telastleggingen in de vordering van de procureur des Konings gekwalificeerd als “A) diefstal met braak, inklimming of valse sleutels, te M. op 01/10/2024 B) vereniging van misdadigers, te M. en bij samenhang te M., op 01/10/2024”; - op basis van de informatie die door de onderzoeksrechter werd meegedeeld was het duidelijk over welke feiten de eiser zou worden verhoord. Die feiten werden immers niet alleen strafrechtelijk maar ook in tijd en ruimte gekwalificeerd; - de eiser maakte ook bij het verhoor door de onderzoeksrechter onmiddellijk gebruik van zijn zwijgrecht; - de onderzoeksrechter deelde tijdens dat verhoor mede dat hij overging tot de inverdenkingstelling voor beide kwalificaties; - die kwalificaties konden op basis van de aanhangig gemaakte feiten worden aangenomen aangezien in een navolgend proces-verbaal werd gepreciseerd dat voor de ladingsdiefstal was gebruik gemaakt van vervalste documenten; - op geen enkel ogenblik werd aan de onderzoeksrechter gevraagd om een bijkomend vertrouwelijk overleg te hebben; - de eiser werd verhoord nadat hij overleg heeft kunnen plegen met zijn advocaat; - het verhoor bij de onderzoeksrechter heeft plaatsgevonden nadat de eiser op beknopte wijze was ingelicht over de feiten waarover hij zou worden verhoord; - de steun en de bijstand van een advocaat kon worden verleend en werd ook verleend; - de eiser heeft ervoor geopteerd om zich op zijn zwijgrecht te beroepen.
  16. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de mededeling dat het verhoor een zware diefstal tot voorwerp zou hebben in het licht van de op dat ogenblik beschikbare gegevens een afdoende beknopte kennisgeving is van de feiten waarover zou worden verhoord. Met die redenen geeft het arrest bovendien te kennen dat zelfs al was de mededeling bij het verhoor beperkt tot zware diefstal het recht van verdediging van de eiser niet werd aangetast, gelet op de kennisgeving door de onderzoeksrechter bij het verhoor van de eiser van de in tijd en ruimte gesitueerde telastleggingen waarvoor een gerechtelijk onderzoek werd gevorderd en die het voorwerp van dit verhoor zouden uitmaken, alsook de vaststelling dat bij het verhoor door de onderzoeksrechter op geen enkel ogenblik om een bijkomend vertrouwelijk overleg werd verzocht. Met die redenen beantwoordt het arrest ook het door het middel bedoelde verweer zonder dat het dient te antwoorden op elk detail van dit verweer. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  17. Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 47bis, § 2, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 2bis, 16, § 2, en 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet: het arrest motiveert niet of niet afdoende betreffende de opmerking van de raadsman in fine van het proces-verbaal van verhoor bij de onderzoeksrechter, waardoor het arrest minstens impliciet de bewijskracht van dit proces-verbaal en de erin vervatte opmerking van de raadsman miskent.
  18. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere woorden indien hij de akte doet liegen.
  19. Het arrest dat voor het bekritiseerde oordeel niet verwijst naar het bedoelde proces-verbaal kan de bewijskracht ervan niet miskennen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  20. Voor het overige is het middel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht van het bedoelde proces-verbaal. In zoverre is het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 12 november 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241112.2N.32 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.