← België

N.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 3 - 4 De verplichting om de redelijke termijn te beoordelen op basis van een geactualiseerd onderzoek van de gegevens van de zaak en het verbod op stereotiepe overwegingen of een automatisme dat onverenigbaar is met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis, belet de rechter niet om gegevens die eerder in aanmerking werden genomen bij de beoordeling van een redelijketermijnverweer opnieuw in aanmerking te nemen met de vaststelling dat die gegevens nog steeds bestaan; het loutere tijdsverloop doet immers de gegevens waaruit een gevaar voor recidive of onttrekking wordt afgeleid, niet noodzakelijk verdwijnen; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 6 Het staat aan de rechter die uitspraak moet doen over een verzoek om voorlopige invrijheidstelling onaantastbaar te oordelen in welke mate voorgestelde voorwaarden of een borgsom het gevaar voor recidive en onttrekking daadwerkelijk kunnen neutraliseren. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Fiches 7 - 8 Uit de artikelen 23, 4° en 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet volgt voor de rechter de verplichting een conclusie met aanvoeringen dat de gevaren voor recidive en onttrekking kunnen worden geneutraliseerd door het opleggen van voorwaarden of een borgsom, te beantwoorden maar die rechter moet daarbij niet de redenen van zijn redenen geven, hij moet niet antwoorden op argumenten die louter werden aangevoerd tot staving van een verweer zonder een afzonderlijk verweer te vormen en gelet op de korte termijn waarbinnen de rechter uitspraak moet doen over de handhaving van de voorlopige hechtenis volstaat het dat hij het verweer in zijn essentie beantwoordt, zonder op elk detail te moeten ingaan; uit het enkele gegeven dat een motivering summier is, volgt niet dat de rechter geen daadwerkelijk onderzoek heeft gedaan naar het al dan niet neutraliserend effect van voorgestelde voorwaarden en een borgsom op de gevaren voor recidive en onttrekking; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 9 - 10 De rechter hoeft bij de beoordeling van het gevaar voor recidive niet noodzakelijk het gerechtelijk verleden van een beklaagde te betrekken en de rechter die de hoogte van de door de eerste rechter uitgesproken straf betrekt bij het gevaar voor onttrekking, dient geen rekening te houden met het door de beklaagde in eerste aanleg gevoerde verweer. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Tekst van de beslissing Nr. P.24.1469.N O. N., beklaagde, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Louis Carlier, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 25 oktober

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM: het arrest bevat geen beoordeling van de redelijke termijn zoals vereist door die verdragsbepaling en in elk geval geen concrete, nauwkeurige en actuele redenen; er blijkt ook niet dat de appelrechters hebben nagegaan of de nationale autoriteiten de nodige voortvarendheid aan de dag hebben gelegd; het arrest bevat geen beoordeling van de redelijke hechtenistermijn; zelfs als de redenen van het arrest samen worden gelezen met die van het arrest van 16 juli 2024, geeft het arrest blijk van een verboden automatisme en van stereotiepe overwegingen die onverenigbaar zijn met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis; het arrest geeft verder geen antwoord op het door de eiser in zijn verzoekschrift aangevoerde middel betreffende een manifeste overschrijding van de redelijke termijn en in het bijzonder de verwijzing naar onverantwoorde vertragingen en het gebrek aan voortvarendheid.
  3. Artikel 5.3 EVRM bepaalt: “Eenieder die gearresteerd is of gevangen wordt gehouden, overeenkomstig lid 1 c) van dit artikel moet onmiddellijk voor een rechter worden geleid of voor een andere autoriteit die door de wet bevoegd verklaard is om rechterlijke macht uit te oefenen en heeft het recht binnen een redelijke termijn berecht te worden of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld. De invrijheidstelling kan afhankelijk worden gesteld van een waarborg voor de verschijning van de betrokkene in rechte.”
  4. Uit die bepaling, welke beoogt de individuele vrijheid te beschermen, volgt dat indien de duur van de voorlopige hechtenis niet langer redelijk is, de betrokkene in vrijheid moet worden gesteld.
  5. Het staat aan de rechter om op concrete wijze te oordelen of in het licht van de feitelijke omstandigheden van de zaak onder meer wat betreft de aard en de complexiteit van de feiten, de houding van de inverdenkinggestelde en de houding van de met opsporing belaste instanties, het door artikel 5.3 EVRM gewaarborgde recht van een persoon die van zijn vrijheid is beroofd om binnen een redelijke termijn te worden berecht, is miskend. Bij die beoordeling kan de rechter het gevaar voor recidive en onttrekking betrekken.
  6. De verplichting om de redelijke termijn te beoordelen op basis van een geactualiseerd onderzoek van de gegevens van de zaak en het verbod op stereotiepe overwegingen of een automatisme dat onverenigbaar is met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis, belet de rechter niet om gegevens die eerder in aanmerking werden genomen bij de beoordeling van een redelijketermijnverweer opnieuw in aanmerking te nemen met de vaststelling dat die gegevens nog steeds bestaan. Het loutere tijdsverloop doet immers de gegevens waaruit een gevaar voor recidive of onttrekking wordt afgeleid, niet noodzakelijk verdwijnen.
  7. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  8. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  9. Het arrest oordeelt door overname van de redenen van het arrest van 16 juli 2024, waarvan wordt vastgesteld dat ze nog steeds gelden, alsook met eigen redenen, als volgt: - de strafprocedure kent een normaal verloop; - het strafdossier werd door de correctionele rechtbank beoordeeld bij vonnis van 22 februari 2024; - tegen dit vonnis werd door de eiser op 22 februari 2024 en door een medebeklaagde op 15 maart 2024 hoger beroep aangetekend; - de zaak werd ingeleid op 14 juni 2024; - er werd een relaiszitting bepaald op 20 september 2024 teneinde de raadslieden van de eiser toe te laten inzage te nemen van de middels Sky-ECC gevoerde gesprekken; - de eiser dient tijd te hebben om dit te bestuderen; - dit betreft een onderzoek, met een grootschalig en complex karakter, naar een criminele organisatie die zich zou inlaten met de invoer en de handel in verdovende middelen, met linken naar het buitenland; - op de rechtszitting van 23 oktober 2024 werden in overleg met de partijen conclusietermijnen vastgelegd en de datum voor behandeling van de zaak werd bepaald op 28 februari 2025; - het gevaar voor recidive is nog steeds actueel gelet op, indien bewezen, het lucratief, georganiseerd en grensoverschrijdend karakter van de ten laste gelegde feiten; - ook het onttrekkingsgevaar is nog steeds reëel: de eiser heeft geen actuele belangen in het Rijk en diende te worden uitgeleverd; er kan ook worden verwezen op de hoogte van de door de eerste rechter opgelegde gevangenisstraf, namelijk veertien jaar.
  10. Op grond van die redenen, die niet stereotiep zijn en die niet doen blijken van een automatisme dat onverenigbaar is met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis, kan het arrest wettig oordelen dat de duur van eisers hechtenis nog steeds redelijk is. Met die redenen beantwoordt en verwerpt het arrest de aanvoeringen betreffende een manifeste overschrijding van de redelijke termijn, de onverantwoorde vertragingen en het gebrek aan voortvarendheid, zonder dat het dient in te gaan op elk detail van dat verweer. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM: het arrest wijst eisers verzoek om vrijlating onder voorwaarden en tegen betaling van een borgsom met summiere en stereotiepe overwegingen af, waardoor die beslissing niet naar recht is verantwoord; er is geen nader en daadwerkelijk onderzoek verricht naar de mogelijkheid om door middel van voorwaarden of een borgsom de gevaren voor recidive en onttrekking te neutraliseren; het arrest neemt het recidivegevaar aan louter op grond van de ten laste gelegde feiten en zonder enige individualisering naar de persoon van de eiser en zijn gerechtelijk verleden; het neemt het onttrekkingsgevaar aan zonder rekening te houden met de in het verzoekschrift aangevoerde individuele omstandigheden; het verwijst naar de door de eerste rechter opgelegde straf zonder rekening te houden met het door de eiser in eerste aanleg gevoerde verweer.
  12. Het staat aan de rechter die uitspraak moet doen over een verzoek om voorlopige invrijheidstelling onaantastbaar te oordelen in welke mate voorgestelde voorwaarden of een borgsom het gevaar voor recidive en onttrekking daadwerkelijk kunnen neutraliseren.
  13. Uit de artikelen 23, 4° en 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet volgt voor die rechter de verplichting een conclusie met aanvoeringen dat de gevaren voor recidive en onttrekking kunnen worden geneutraliseerd door het opleggen van voorwaarden of een borgsom, te beantwoorden.
  14. Die rechter moet daarbij niet de redenen van zijn redenen geven. Hij dient weliswaar het verweer te beantwoorden, maar moet niet antwoorden op argumenten die louter werden aangevoerd tot staving van een verweer zonder een afzonderlijk verweer te vormen. Gelet op de korte termijn waarbinnen de rechter uitspraak moet doen over de handhaving van de voorlopige hechtenis volstaat het dat hij het verweer in zijn essentie beantwoordt, zonder op elk detail te moeten ingaan.
  15. Uit het enkele gegeven dat een motivering summier is, volgt niet dat de rechter geen daadwerkelijk onderzoek heeft gedaan naar het al dan niet neutraliserend effect van voorgestelde voorwaarden en een borgsom op de gevaren voor recidive en onttrekking.
  16. De rechter hoeft bij de beoordeling van het gevaar voor recidive niet noodzakelijk het gerechtelijk verleden van een beklaagde te betrekken.
  17. De rechter die de hoogte van de door de eerste rechter uitgesproken straf betrekt bij het gevaar voor onttrekking, dient geen rekening te houden met het door de beklaagde in eerste aanleg gevoerde verweer.
  18. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  19. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  20. Het arrest oordeelt dat het gevaar voor recidive nog steeds actueel is gelet op, indien bewezen, het lucratief, georganiseerd en grensoverschrijdend karakter van de ten laste gelegde feiten, alsook dat het onttrekkingsgevaar nog steeds reëel is aangezien de eiser geen actuele belangen heeft in het Rijk, diende te worden uitgeleverd en hij tot een zware straf door de eerste rechter werd veroordeeld.
  21. Op grond van die redenen, die wel degelijk geïndividualiseerd en actueel zijn, kan het arrest wettig oordelen dat de gevaren voor recidive en onttrekking niet kunnen worden geneutraliseerd door een vrijlating onder voorwaarden of tegen een borgsom. Met die redenen beantwoordt en verwerpt het arrest de door het onderdeel bedoelde verzoeken, zonder dat het dient in te gaan op elk detail dat daarin is opgenomen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  22. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 113,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 12 november 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241112.2N.33 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.