← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 5

.1.c en e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.1.c en e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: GEESTESZIEKE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.1.c en e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 4 - 5 Het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis heeft zich niet uit te spreken over het voldaan zijn aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 71 Strafwetboek of artikel 9, § 1, eerste lid, 3°, Interneringswet. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 71 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 9, § 1, eerste lid, 3° - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 71 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 9, § 1, eerste lid, 3° - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Fiches 6 - 7 Uit het gegeven dat de tijdens het gerechtelijk onderzoek aangestelde deskundigen van oordeel zijn dat een inverdenkinggestelde geestesgestoord is en dat er bij hem geen gevaar bestaat voor het plegen van misdaden of wanbedrijven die de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten als bedoeld door artikel 9, § 1, eerste lid, 3°, Interneringswet, volgt niet dat het onderzoeksgerecht bij de beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis moet vaststellen dat de openbare veiligheid niet langer die handhaving kan verantwoorden en dat de betrokkene bijgevolg onmiddellijk in vrijheid moet worden gesteld. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 9, § 1, eerste lid, 3° - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: GEESTESZIEKE Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 9, § 1, eerste lid, 3° - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Annotaties Publicaties: NJW-Nieuw juridisch weekblad - 2025, nr. 514, p. 27-29. - YPERMAN, Ward; Noot'Internering en voorlopige hechtenis' Tekst van de beslissing Nr. P.24.1486.N M. V., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Elisabeth Vanpeteghem, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 31 oktober 2024. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 5.1.e EVRM, artikel 16 Voorlopige Hechteniswet, artikel 71 Strafwetboek en artikel 9 Interneringswet: de hechtenis van de eiser is onrechtmatig omdat er wat hem betreft een schulduitsluitingsgrond bestaat en er niet aan de interneringsvoorwaarden is voldaan; die onrechtmatigheid volgt uit het feit dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 16 Voorlopige Hechteniswet; volgens de deskundigen is de eiser schuldonbekwaam zodat hij geen gevaar kan zijn voor de openbare veiligheid; de gevaren voor recidive, onttrekking en collusie worden ten onrechte aangenomen (eerste grief); de voorlopige hechtenis is onrechtmatig want de eiser zal nooit worden gestraft voor de feiten gelet op het voorhanden zijn van een schulduitsluitingsgrond; aangezien blijkt dat er geen gevaar is voor recidive in de zin van artikel 9 Interneringswet zal hij ook niet worden geïnterneerd; de eiser moet onmiddellijk in vrijheid worden gesteld (tweede grief). 2. Artikel 5.1 EVRM bepaalt: “Niemand mag van zijn vrijheid worden beroofd, behalve in de navolgende gevallen en langs wettelijke weg: (…)

  1. c)indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gevangen gehouden teneinde voor de bevoegde rechterlijke instantie te worden geleid, wanneer redelijke termen aanwezig zijn om te vermoeden, dat hij een strafbaar feit heeft begaan of indien er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat het noodzakelijk is hem te beletten een strafbaar feit te begaan of te ontvluchten nadat hij dit heeft begaan; (…)
  2. e)in het geval van rechtmatige gevangenhouding van personen die een besmettelijke ziekte zouden kunnen verspreiden, van geesteszieken, van verslaafden aan alcohol of verdovende middelen of van landlopers (…).” Artikel 5.3 EVRM bepaalt dat eenieder die gearresteerd is of gevangen wordt gehouden, overeenkomstig het voormelde lid 1.c onmiddellijk voor een rechter moet worden geleid of voor een andere autoriteit die door de wet bevoegd verklaard is om rechterlijke macht uit te oefenen en het recht heeft binnen een redelijke termijn te worden berecht of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld. De invrijheidstelling kan afhankelijk worden gesteld van een waarborg voor de verschijning van de betrokkene in rechte. Artikel 5.4 EVRM bepaalt dat eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd het recht heeft voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is. 3. Op de persoon die van zijn vrijheid is beroofd als verdachte van een strafbaar feit is niet artikel 5.1.
  3. e)EVRM van toepassing, maar wel artikel 5.1.
  4. c)EVRM, alsook artikel 5.4 EVRM zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betreffende de vrijheidsberoving van verdachten van een strafbaar feit. De omstandigheid dat volgens de adviezen van de tijdens het gerechtelijk onderzoek aangestelde deskundigen de betrokkene geestesziek zou zijn, laat niet toe anders te oordelen. 4. Het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis heeft zich niet uit te spreken over het voldaan zijn aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 71 Strafwetboek of artikel 9, § 1, eerste lid, 3°, Interneringswet. 5. Uit het gegeven dat de tijdens het gerechtelijk onderzoek aangestelde deskundigen van oordeel zijn dat een inverdenkinggestelde geestesgestoord is en dat er bij hem geen gevaar bestaat voor het plegen van misdaden of wanbedrijven die de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten als bedoeld door artikel 9, § 1, eerste lid, 3°, Interneringswet, volgt niet dat het onderzoeksgerecht bij de beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis moet vaststellen dat de openbare veiligheid niet langer die handhaving kan verantwoorden en dat de betrokkene bijgevolg onmiddellijk in vrijheid moet worden gesteld. 6. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 7. Voor het overige is het middel afgeleid uit die onjuiste rechtsopvattingen of komt het op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 12 november 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241112.2N.34 Gerelateerde publicatie(
  5. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.21 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.