Obsah (8)
Art. 2Art. 3Art. 5Art. 6Art. 7Art. 8Art. 9Art. 10id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 2
, 2°, a - 51 ELI link Pub nr 2002013513 Wet 20 december 2002 betreffende de bescherming van de
Art. 3
- 51 ELI link Pub nr 2002013513 Wet 20 december 2002 betreffende de bescherming van de
Art. 5
, 2° - 51 ELI link Pub nr 2002013513 Wet 20 december 2002 betreffende de bescherming van de
Art. 6
- 51 ELI link Pub nr 2002013513 Wet 20 december 2002 betreffende de bescherming van de
Art. 7
- 51 ELI link Pub nr 2002013513 Wet 20 december 2002 betreffende de bescherming van de
Art. 8
- 51 ELI link Pub nr 2002013513 Wet 20 december 2002 betreffende de bescherming van de
Art. 9
- 51 ELI link Pub nr 2002013513 Wet 20 december 2002 betreffende de bescherming van de
Art. 10
, 1° - 51 ELI link Pub nr 2002013513 Codex 28 april 2017 over het welzijn op het werk - 28-04-2017 - Art. II.1-19, § 1 - 27 ELI link Pub nr 2017A10461 Tekst van de beslissing Nr. S.23.0005.N OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN BRUGGE, met zetel te 8000 Brugge, Ruddershove 4, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.832.792, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen T. N., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, van 7 september
- Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 8 juli 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Artikel 2, 2°, a, van de wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van preventieadviseurs, hierna Wet Bescherming Preventieadviseurs, omschrijft een preventieadviseur als elke natuurlijke persoon, verbonden aan een interne dienst voor preventie en bescherming op het werk, met wie de werkgever een arbeidsovereenkomst heeft gesloten of die verbonden is met de werkgever krachtens een statuut waarbij zijn rechtspositie eenzijdig is geregeld door de overheid en die daadwerkelijk tewerkgesteld wordt door die werkgever en die de opdrachten vervult die zijn vastgesteld krachtens artikel 33, § 1, vierde lid, en § 3, van de Wet Welzijn Werknemers. Krachtens artikel 3 Wet Bescherming Preventieadviseurs kan de werkgever de overeenkomst met de preventieadviseur enkel beëindigen om redenen die vreemd zijn aan zijn onafhankelijkheid of om redenen waaruit blijkt dat hij niet bekwaam is om zijn opdrachten uit te oefenen en voor zover hij de procedures als bedoeld in deze wet naleeft. Krachtens artikel 5, 2°, Wet Bescherming Preventieadviseurs is de werkgever die het voornemen heeft de overeenkomst van een preventieadviseur te beëindigen, verplicht tegelijkertijd aan de leden van het comité of de comités voor preventie en bescherming op het werk, hierna CPBW, aan wie ook het voorafgaand akkoord over de aanduiding moet worden gevraagd bij een aangetekende brief het voorafgaand akkoord over de beëindiging van de overeenkomst te vragen en hen een afschrift mee te delen van de brief die werd verzonden aan de betrokken preventieadviseur. De artikelen 6 tot en met 9 Wet Bescherming Preventieadviseurs bepalen hoe de procedure verloopt naargelang het CPBW al dan niet zijn akkoord geeft. Artikel 10, 1°, Wet Bescherming Preventieadviseurs bepaalt dat de werkgever aan de preventieadviseur wiens overeenkomst wordt beëindigd een vergoeding is verschuldigd indien hij de krachtens deze wet voorgeschreven procedures niet volgt. Krachtens artikel II.1-19, § 1 van de Codex van 28 april 2017 over het welzijn op het werk duidt de werkgever de preventieadviseurs of hun tijdelijke plaatsvervangers aan, vervangt hij hen of verwijdert hij hen uit hun functie, na voorafgaand akkoord van het CPBW.
- Uit deze bepalingen volgt dat een werknemer die de aan een preventieadviseur toevertrouwde welzijnsopdrachten feitelijk vervult, ook zonder daartoe formeel door de werkgever te zijn aangesteld, de ontslagbescherming bepaald in de Wet Bescherming Preventieadviseurs geniet. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 574,33 euro en op de som van 24 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 18 november 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241118.3N.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241118.3N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div