← België

UNIA contra MOEDERS VOOR MOEDERS

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241118.3N.4 Rolnummer: C.23.0090.N Zaak: UNIA contra MOEDERS VOOR MOEDERS Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2024-12-17 Raadplegingen: 373 - laatst gezien 2026-06-18 18:26 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241118.3N.4 Fiche Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever enkel zuiver private betrekkingen tussen individuen, met inbegrip van betrekkingen tussen de leden van een vereniging, uit het toepassingsgebied van de betrokken wetgeving heeft willen sluiten; hieruit volgt dat de economische, sociale, culturele of politieke activiteiten van een vereniging die gericht zijn op een ruimer publiek, vallen binnen het toepassingsgebied van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie en het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid; dat de vereniging bepaalde voorwaarden oplegt om effectief te kunnen deelnemen aan de activiteit of de activiteit slechts op afgebakende tijdstippen organiseert, doet geen afbreuk aan het publieke karakter van de georganiseerde activiteit

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming - 29-06-2000 - Art. 3.1.
  1. h)Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen en discriminatie - 10-05-2007 - Art. 5, § 1, 1° - 35 ELI link Pub nr 2007002099 Decreet van de Vlaamse Overheid van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid - 10-07-2008 - Art. 20, eerste lid, 8° - 56 ELI link Pub nr 2008203387 Annotaties Publicaties: NJW-Nieuw juridisch weekblad - 2025, nr. 515, p. 62. - NELISSEN, Bart; SUENENS, Wouter J.; Noot'Hoofddoekenverbod binnen publieke diensten, inclusief onderwijs, weldra op de tocht?' Tekst van de beslissing Nr. C.23.0090.N INTERFEDERAAL CENTRUM VOOR GELIJKE KANSEN EN BESTRIJDING VAN DISCRIMINATIE EN RACISME (UNIA), met zetel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 40 bus 40, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0548.895.779, eiser, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Sint-Pieters-Woluwe, Laurierlaan 1, waar de eiser woonplaats kiest, tegen MOEDERS VOOR MOEDERS vzw, met zetel te 2140 Antwerpen, Helmstraat 87-89, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0452.975.944, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177 bus 7, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 14 november 2022. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 8 juli 2024 verwezen naar de derde kamer. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 8 juli 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel 1. De eiser voert aan dat het feit dat de hulpverlening en sociale activiteiten van de verweerster slechts openstaan voor een beperkte groep personen die aan bepaalde voorwaarden voldoen en het feit dat de activiteiten van de verweerster aangeboden worden in een pand dat slechts op afgebakende tijdstippen voor dat beperkt doelpubliek toegankelijk is, zonder relevantie zijn voor het krachtens artikel 5, § 1, 8°, Discriminatiewet en artikel 20, eerste lid, 8°, van het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid, hierna Gelijkekansendecreet, te maken onderscheid tussen hetgeen tot de private betrekkingen tussen de betrokkenen behoort en hetgeen zich daarbuiten afspeelt. Artikel 5, § 1, 1°, Discriminatiewet, artikel 20, eerste lid, 6°, Gelijkekansendecreet, artikel 3.1. h), van Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming en artikel 3.1 van Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten, houden geen rechtstreeks verband met deze grief. In zoverre het onderdeel schending van deze wetsartikelen aanvoert, is het niet ontvankelijk. 2. Krachtens artikel 5, § 1, 8°, Discriminatiewet is deze wet, met uitzondering van de aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de Gemeenschappen of van de Gewesten vallen, zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing met betrekking tot de toegang tot en de deelname aan, alsook elke andere uitoefening van een economische, sociale, culturele of politieke activiteit toegankelijk voor het publiek. Krachtens artikel 20, eerste lid, 8°, Gelijkekansendecreet is binnen de grenzen van de aan de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest toegewezen bevoegdheden elke vorm van discriminatie verboden, zowel in de overheidssector, als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, met betrekking tot de toegang tot en de deelname aan een economische, sociale, culturele of politieke activiteit die buiten de privésfeer worden aangeboden. 3. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever enkel zuiver private betrekkingen tussen individuen, met inbegrip van betrekkingen tussen de leden van een vereniging, uit het toepassingsgebied van de betrokken wetgeving heeft willen sluiten. Hieruit volgt dat de economische, sociale, culturele of politieke activiteiten van een vereniging die gericht zijn op een ruimer publiek, binnen het toepassingsgebied van de Discriminatiewet en het Gelijkekansendecreet vallen. Dat de vereniging bepaalde voorwaarden oplegt om effectief te kunnen deelnemen aan de activiteit of de activiteit slechts op afgebakende tijdstippen organiseert, doet geen afbreuk aan het publieke karakter van de georganiseerde activiteit. 4. De appelrechters stellen, met verwijzing naar het beroepen vonnis, vast dat: - de verweerster hulpverlening biedt aan hulpbehoevende moeders met kinderen tot en met twaalf jaar die hiervoor niet of niet voldoende bij de officiële maatschappelijke dienstverlening terecht kunnen; - de verweerster zich in principe richt tot moeders, maar ook alleenstaande vaders om hulp kunnen vragen; - om in aanmerking te kunnen komen voor hulp, de moeders doorverwezen moeten worden door een erkende dienst zoals het OCMW of Kind en Gezin; - de verweerster vervolgens nagaat of de aanvrager recht heeft op hulp; - de verweerster met de hulpbehoevende moeders steeds een intakegesprek heeft waarin aan de moeders gevraagd wordt om akkoord te gaan met het reglement van de verweerster; - de verweerster hulppakketten aanbiedt, waarop de moeders mogen wachten in de dagzaal of gemeenschappelijke ruimte die achteraan in de gebouwen van de verweerster is gelegen; - de verweerster in deze dagzaal ook een aantal andere diensten aanbiedt, zoals een resto-bébé, een cafetaria, een kapsalon, een doktersconsultatie en een naaiatelier voor gordijnen; - het reglement van de verweerster bepaalt dat vrouwen enkel toegang hebben tot de dagzaal wanneer zij hun hoofddoek afnemen; - moeders die dit weigeren, de hulppakketten nog steeds kunnen ontvangen maar hierop dan moeten wachten in een kleine wachtruimte aan de inkom van het gebouw, samen met vaders en jongens vanaf veertien jaar. De appelrechters oordelen dat: - het bewijs dat aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 5, § 1, Discriminatiewet en artikel 20, eerste lid, Gelijkekansendecreet is voldaan, bij de eiser berust; - de eiser bijgevolg dient te bewijzen dat de sociale activiteiten van de verweerster toegankelijk zijn voor het publiek of buiten de privésfeer worden aangeboden; - het tegendeel blijkt uit het door de eiser niet-betwiste feit dat enkel hulpbehoevende moeders en hun begeleiders en bij uitzondering vaders, die zich aanbieden met een verwijsbrief voor hulpverlening van de verweerster in aanmerking komen; - het hof van beroep dan ook alleen maar kan besluiten dat de hulpverlening niet toegankelijk is voor het publiek zoals de Discriminatiewet voorschrijft; - de eiser ook niet aantoont dat het pand, eigendom van de verweerster, waarin zij haar hulpverlening aanbiedt voor eenieder toegankelijk is; - uit niets blijkt dat de bewering van de verweerster dat het pand enkel toegankelijk is op afgebakende tijdstippen voor een beperkte groep hulpbehoevende moeders en bij uitzondering vaders die werden doorverwezen door officiële instanties of door haar werden ingeschreven na een intake-gesprek niet strookt met de waarheid; - de hulpverlening die de verweerster er verleent aan de doorverwezen en bij haar ingeschreven hulpbehoevenden dan ook niet plaatsvindt buiten haar privésfeer zoals het Gelijkekansendecreet vereist. 5. De appelrechters die aldus op basis van het feit dat er een verwijsbrief nodig is om te kunnen deelnemen aan de activiteiten van de verweerster en het feit dat de activiteiten van de verweerster slechts op afgebakende tijdstippen worden georganiseerd voor een beperkte groep van personen, besluiten dat “de door de [verweerster] uitgeoefende sociale activiteiten niet onder het toepassingsgebied van de [Discriminatiewet] en het Gelijkekansendecreet vallen zodat de [eiser] niet bevoegd was om in rechte tegen haar op te treden op grond van voormelde decretale bepalingen” en de vorderingen van de eiser vervolgens niet ontvankelijk verklaren, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. 6. Uit r.o. 4 volgt dat de wetgever ook private betrekkingen tussen de leden van een vereniging, die niet gericht zijn op een ruim publiek, beoogde uit te sluiten van het toepassingsgebied van de Discriminatiewet en van het Gelijkekansendecreet. In zoverre de door de verweerster voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof ervan uitgaat dat artikel 5, § 1, 8°, Discriminatiewet en artikel 20, eerste lid, 8°, Gelijkekansendecreet aldus moeten worden begrepen dat zij van toepassing zijn op de sociale activiteiten die een vereniging slechts in haar privésfeer aanbiedt, gaat zij uit van een onjuiste rechtsopvatting. 7. Uit r.o. 4 volgt eveneens dat het feit dat een vereniging bepaalde voorwaarden oplegt om effectief te kunnen deelnemen aan een door haar georganiseerde activiteit die zich richt tot een ruimer publiek, geen afbreuk doet aan het publieke karakter van de georganiseerde activiteit. In zoverre de door de verweerster voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof ervan uitgaat dat de sociale activiteiten die een vereniging aanbiedt aan welbepaalde personen, die voldoen aan welbepaalde, door de vereniging bepaalde voorwaarden, noodzakelijkerwijze plaatsvinden in haar privésfeer en aldus buiten het toepassingsgebied van artikel 5, § 1, 8°, Discriminatiewet en artikel 20, eerste lid, 8°, Gelijkekansendecreet, gaat zij uit van een onjuiste rechtsopvatting. De door de verweerster voorgestelde prejudiciële vraag dient bijgevolg niet te worden gesteld. Overige grieven 8. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 18 november 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241118.3N.4 Gerelateerde publicatie(
  2. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241118.3N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.