← België

AXA BANK BELGIUM nv contra K.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241118.3N.7 Rolnummer: S.21.0062.N Zaak: AXA BANK BELGIUM nv contra K. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2024-12-17 Raadplegingen: 714 - laatst gezien 2026-06-16 13:37 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241118.3N.7 Fiche Uit artikel 23 CAO-wet volgt niet dat, tenzij andersluidend beding in de cao, een individueel normatieve bepaling van een cao, die krachtens zijn modaliteiten slechts voor een bepaald aantal jaren geldt, onbeperkt in de tijd in de individuele arbeidsovereenkomst doorwerkt nadat de cao ophoudt uitwerking te hebben

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST Wettelijke bepalingen: Wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités - 05-12-1968 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1968120503 Annotaties Publicaties: NJW-Nieuw juridisch weekblad - 2025, nr. 517, p. 167-
  1. - PECINOVSKSY, Pieter; Noot'Geen eeuwige doorwerking van tijdelijke CAO-bepalingen in de individuele arbeidsovereenkomst in strijd met de tekst van de CAO' Tekst van de beslissing Nr. S.21.0062.N AXA BANK BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Troonplein 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.476.835, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen F. K., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 19 mei
  2. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 29 augustus 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel in zijn geheel
  3. Krachtens artikel 23 CAO-wet blijft de individuele arbeidsovereenkomst die door een collectieve arbeidsovereenkomst stilzwijgend werd gewijzigd, onveranderd wanneer de collectieve arbeidsovereenkomst ophoudt uitwerking te hebben, tenzij het anders wordt bedongen in de overeenkomst zelf. Met toepassing van deze bepaling worden de individueel normatieve bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst, hierna cao, in hun geheel, inclusief de erin opgenomen modaliteiten, geïncorporeerd in de individuele arbeidsovereenkomst. Dit houdt in dat een individueel normatieve bepaling die krachtens zijn modaliteiten in de tijd is beperkt, niet onbeperkt in de tijd geldig wordt nadat de cao ophoudt uitwerking te hebben, behoudens andersluidend beding in de cao, alsook dat een individueel normatieve bepaling die onbeperkt in de tijd geldig is deze uitwerking behoudt nadat de cao ophoudt uitwerking te hebben, behoudens andersluidend beding in de cao. In zoverre de onderdelen ervan uitgaan dat uit artikel 23 CAO-wet volgt dat een individueel normatieve bepaling van een cao, die krachtens zijn modaliteiten slechts voor een bepaald aantal jaren geldt, onbeperkt in de tijd in de individuele arbeidsovereenkomst doorwerkt nadat de cao ophoudt uitwerking te hebben, tenzij andersluidend beding in de cao, falen zij naar recht.
  4. Krachtens artikel 1134 Oud Burgerlijk Wetboek strekken alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan degenen die ze hebben aangegaan tot wet. Zij kunnen niet herroepen worden dan met hun wederzijdse toestemming of op de gronden door de wet erkend. Zij moeten te goeder trouw ten uitvoer worden gebracht. Krachtens artikel 1135 Oud Burgerlijk Wetboek verbinden overeenkomsten niet alleen tot hetgeen daarin uitdrukkelijk bepaald is, maar ook tot alle gevolgen die door de billijkheid, de wet of het gebruik aan de verbintenis, volgens de aard ervan, worden toegekend. Krachtens artikel 19 CAO-wet is de overeenkomst bindend voor de organisaties die ze hebben aangegaan en de werkgevers die lid van die organisaties zijn of de overeenkomst hebben aangegaan, vanaf de datum van inwerkingtreding, voor de organisaties en werkgevers die tot de overeenkomst toetreden en de werkgevers die lid van die organisaties zijn, vanaf de toetreding, voor de werkgevers die lid worden van een gebonden organisatie, vanaf de datum van hun lidmaatschap en voor alle werknemers van een gebonden werkgever. De verbindende kracht van een overeenkomst wordt door de rechter niet miskend wanneer hij aan de overeenkomst de gevolgen toekent die deze volgens zijn uitlegging ervan wettig tussen de partijen heeft.
  5. De appelrechters oordelen dat: - de ondertekenende partijen in artikel 13 van de cao van 29 september 2014 enkel een tijdelijke afwijking van de geldende verloningssystemen hebben bedongen voor drie opeenvolgende jaren, met name de jaren 2015, 2016 en 2017; - de verweerder in dit verband terecht wijst op de gebruikte bewoordingen in fine van het eerste lid van genoemd artikel 13: “Deze beperking zal een reële impact hebben voor de jaren met uitbetaling in 2015, 2016 en 2017”; - uit deze expliciete beperking van de impact van de genomen maatregelen tot drie jaren duidelijk blijkt dat de ondertekenende partijen bij het sluiten van de cao van 29 september 2014 geen afspraken hebben gemaakt voor de periode na 31 december 2017; - deze bepaling meer nog erop wijst dat de ondertekenende partijen niet hebben gewild dat artikel 13 van de cao van 29 september 2014 verder gevolgen zou sorteren op de betaling van de lonen na 31 december
  6. Door op die gronden te oordelen dat de cao van 29 september 2014 enkel een tijdelijke wijziging heeft gebracht aan de voor de verweerder geldende bepalingen van de cao van 20 december 2001 en de eiseres vanaf januari 2018 de bepalingen van de cao van 20 december 2001 opnieuw integraal diende toe te passen, kennen de appelrechters aan de cao van 29 september 2014 en de individuele arbeidsovereenkomst van de verweerder de gevolgen toe die zij volgens hun uitlegging ervan hebben. In zoverre de onderdelen schending aanvoeren van artikel 19 CAO-wet en de artikelen 1134 en 1135 Oud Burgerlijk Wetboek, kunnen zij niet worden aangenomen.
  7. Voor het overige zijn de onderdelen gericht tegen redenen die de beslissing niet dragen, kunnen zij niet tot cassatie leiden en zijn zij bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 470,48 euro en op de som van 20 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en raadsheren Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen en Bruno Lietaert en in openbare rechtszitting 18 november 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241118.3N.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241118.3N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.