← België

Y. contra M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 443

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 444

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 445- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING.

OMVANG - Strafzaken - Strafvordering - Beklaagde en verdachte Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 443

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 444

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 445

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Annotaties Publicaties: NJW-Nieuw juridisch weekblad - 2025, nr. 518, p. 221-

  1. - YPERMAN, Ward; Noot'Heropening van een zaak in het kader van een herzieningsprocedure' Tekst van de beslissing Nr. P.22.0196.N F. Y., verzoeker tot herziening, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verzoeker woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Bij arrest van 10 mei 2022 heeft het Hof, vooraleer te oordelen over de vraag van de verzoeker, strekkende tot de herziening van de veroordeling die tegen hem is uitgesproken bij arrest van het hof van beroep te Brussel van 12 juni 2012, op grond van artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering bevolen dat de aanvraag tot herziening wordt onderzocht door de Commissie voor herziening in strafzaken (hierna de Commissie) zoals bedoeld door artikel 445, vijfde tot en met negende lid, Wetboek van Strafvordering. Op verzoek van de Commissie heeft het Hof, bij arrest van 27 september 2022, bevolen dat het dossier wordt overgemaakt aan de procureur-generaal bij het Hof teneinde bij toepassing van artikel 445, negende lid, Wetboek van Strafvordering over te laten gaan tot de uitvoering van het bijkomend onderzoek zoals gevraagd door de Commissie. Het advies van de Commissie van 13 mei 2024 werd neergelegd ter griffie van het Hof op 3 september 2024 (hierna het advies van de Commissie). Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING
  2. De verzoeker, die uiteenzet dat hij zich vereenzelvigt met de beklaagde die werd veroordeeld bij arrest van het hof van beroep te Brussel van 12 juni 2012, werd in dat arrest schuldig verklaard aan valsheid in geschriften, aan gebruik van valse stukken en aan poging tot oplichting ten nadele van de vennootschap naar Turks recht Milenyum Televizyon Yayincilik Ve Yapimcilik Anonim Sirketi (hierna Mylenium Televizyon). De verzoeker werd hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar, een geldboete van 3.000,00 euro, na verhoging met opdeciemen gebracht op 16.500,00 euro of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden, en tot een beroepsverbod voor een periode van tien jaar. Het incidenteel beroep van de burgerlijke partij Mylenium Televizyon werd in dat arrest niet ontvankelijk verklaard, terwijl de appelrechters zich voor het overige onbevoegd verklaarden om kennis te nemen van de burgerlijke vordering van die burgerlijke partij. Dat arrest is in kracht van gewijsde gegaan na het arrest P.12.1260.N van het Hof van 11 december 2012, waarbij het cassatieberoep van de verzoeker werd verworpen.
  3. Uit de bij het verzoekschrift gevoegde stukken blijken de volgende gegevens: - de verzoeker en de inmiddels gefailleerde vennootschap Seka leidden in april 2007 een procedure in voor de rechtbank van koophandel te Brussel tegen Mylenium Televizyon, waarbij zij van deze laatste een vergoeding vorderden van 6.000.000,00 euro op grond van een tussen hen gesloten “programma-overeenkomst” van 1 oktober 2006, die kadert in een commerciële relatie tussen Mylenium Televizyon en de verzoeker met betrekking tot diensten die deze laatste heeft verleend in verband met de zangwedstrijd “Avrupa Starini Ariyor” (“Europa zoekt zijn ster”); - de “programma-overeenkomst” werd namens Mylenium Televizyon ondertekend door S. D.; - na een klacht met burgerlijkepartijstelling in handen van de onderzoeksrechter te Brussel werd een strafonderzoek gevoerd dat uiteindelijk heeft geleid tot het voormelde arrest van 12 juni 2012; - in het arrest van 12 juni 2012 werd geoordeeld dat de “programma-overeenkomst” van 1 oktober 2006 door de verzoeker was vervalst, waarbij het bewezen werd geacht dat de verzoeker een vervalste handtekening van S. D. op die overeenkomst had aangebracht. De verzoeker werd aldus schuldig verklaard aan valsheid in geschriften met betrekking tot de “programma-overeenkomst”, aan gebruik van valse stukken, met name door het gebruik van de “programma-overeenkomst” als stuk in de procedure voor de rechtbank van koophandel te Brussel en aan poging tot oplichting ten belope van 6.000.000,00 euro ten nadele van Mylenium Televizyon; - de schuldigverklaring aan die valsheid, evenals de erop gebaseerde schuldigverklaring aan gebruik van valse stukken en poging tot oplichting, werd in het arrest van 12 juni 2012 op een doorslaggevende wijze gegrond op de schriftelijke verklaring van S. D. van 1 april 2008 waarbij deze ontkent dat het zijn handtekening is op de “programma-overeenkomst” van 1 oktober 2006, alsook op de door de appelrechters gedane vaststelling van het verschil tussen de handtekening van S. D. op de “programma-overeenkomst” en deze op zijn schriftelijke verklaring van 1 april 2008, waarbij de appelrechters het niet nodig achtten om een schriftonderzoek te bevelen.
  4. Bij arrest van 10 mei 2022 heeft het Hof het verzoek tot tussenkomst van de burgerlijke partij Amazonit Televizyon Yapimcilik A.S., voorheen Milenyum Televizyon, niet ontvankelijk verklaard en bevolen dat de aanvraag tot herziening wordt onderzocht door de Commissie.
  5. Bij arrest van 27 september 2022 heeft het Hof op verzoek van de Commissie bevolen dat het dossier wordt overgemaakt aan de procureur-generaal bij het Hof teneinde bij toepassing van artikel 445, negende lid, Wetboek van Strafvordering over te laten gaan tot de uitvoering van het bijkomend onderzoek zoals gevraagd door de Commissie.
  6. De Commissie heeft de aanvraag onderzocht, waarbij ze S. D. heeft gehoord alsook schriftdeskundige F. W. heeft belast met een onderzoek met betrekking tot de handtekening van S. D. op de “programma-overeenkomst” van 1 oktober
  7. Uit het advies van de Commissie blijkt dat deze adviseert om de herziening te bevelen van het arrest van het hof van beroep te Brussel van 12 juni 2012, dit arrest te vernietigen en de zaak te verwijzen naar een ander hof van beroep voor verdere beoordeling. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  8. Op grond van artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering kan in criminele of in correctionele zaken de herziening worden aangevraagd van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling wanneer er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de rechtszitting aan de rechter niet bekend was en waarvan de veroordeelde het bestaan niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding en dat, op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen, met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot het verval van de strafvordering, hetzij tot het ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot de toepassing van een minder strenge strafwet.
  9. De verzoeker voert drie gegevens aan die volgens hem beantwoorden aan de voormelde criteria, namelijk: - de schriftelijke verklaringen van S. D. van 7 december 2020, 15 februari 2021 en 19 april 2021, waarin S. D. verklaart dat hij wel degelijk de “programma-overeenkomst” van 1 oktober 2006 heeft ondertekend en dat zijn schriftelijke verklaring van 1 april 2008, waarin hij had gesteld dat de handtekening op de “programma-overeenkomst” niet van hem was, een valse verklaring inhield die hij heeft afgelegd onder druk van de leiding van Mylenium Televizyon; - het verslag van een op vraag van S. D. uitgevoerd schriftonderzoek van 6 januari 2021 van de Turkse schriftdeskundige M. K., waarin wordt gesteld dat de handtekening op de “programma-overeenkomst” wel degelijk deze van S. D. is; - de schriftelijke verklaringen van H. M. K. van 17 februari 2021, waarin deze als “bevoegd persoon” bij Mylenium Televizyon en directeur van de muziekwedstrijd verklaart dat in 2006 een “programma-overeenkomst” werd aangegaan tussen de verzoeker en Mylenium Televizyon, en dat meerdere vergaderingen over de wedstrijd zijn doorgegaan in Europa met de verzoeker en S. D., waarbij die laatste hem na enige tijd heeft meegedeeld dat de wedstrijd werd geannuleerd.
  10. Uit het advies van de Commissie blijkt dat deze met betrekking tot de voormelde drie gegevens tot de volgende conclusies komt: - de schriftelijke verklaringen van H. M. K. van 17 februari 2021 kunnen geen grond tot herziening vormen, aangezien deze niet kunnen worden beschouwd als een nieuw element met betrekking tot de authenticiteit van de handtekening van S. D., noch met betrekking tot diens schriftelijke verklaring van 1 april 2008; - hoewel er sprake is van correcties en preciseringen in de verklaringen van 7 december 2020, 15 februari 2021 en 19 april 2021, blijkt dat S. D. in die verklaringen, die voor hem zelfincriminerend zijn, heeft bevestigd dat zijn schriftelijke verklaring van 1 april 2008 niet met de waarheid strookt en dat hij die verklaring heeft afgelegd onder druk van Mylenium Televizyon; - de verklaringen van S. D. van 7 december 2020, 15 februari 2021 en 19 april 2021 waren de rechter niet bekend en houden gegevens in die de verzoeker niet kon aantonen ten tijde van het geding; - hoewel geen geloof kan worden gehecht aan bepaalde onderdelen van de mondelinge verklaring die S. D. naar aanleiding van zijn verhoor door de Commissie op 10 februari 2023 heeft afgelegd, bevestigt die laatste verklaring wel de verklaringen van 7 december 2020, 15 februari 2021 en 19 april 2021 in zoverre daarin werd gesteld dat de schriftelijke verklaring van 1 april 2008 met betrekking tot de authenticiteit van zijn handtekening op de “programma-overeenkomst” vals was; - de oprechtheid van de consistente intrekking door S. D. van zijn schriftelijke verklaring van 1 april 2008 en de bevestiging dat de handtekening op de “programma-overeenkomst” wel degelijk zijn handtekening is, wordt bevestigd door het schriftonderzoek van de Turkse schriftdeskundige M. K., waarin wordt gesteld dat de handtekening op de op 1 oktober 2006 gedateerde “programma-overeenkomst” deze is van S. D., ook al levert het Turkse deskundigenverslag “op zichzelf” niet het vermoeden op dat, indien dit gegeven aan de rechter bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een vrijspraak van de verzoeker; - deze oprechtheid wordt bijkomend aannemelijk gemaakt door het verslag van de door de Commissie aangestelde schriftdeskundige F. W., die in zijn eindconclusie stelt dat de handtekening op de fotokopie van de “programma-overeenkomst” hoogstwaarschijnlijk authentiek is en dus van de hand van S. D., ook al merkte de deskundige hierbij op dat zijn onderzoek werd bemoeilijkt omdat enkel een fotokopie van de “programma-overeenkomst” voorhanden is; - de intrekking door S. D. van zijn verklaring van 1 april 2008, in samenlezing met het Turkse deskundigenverslag van M. K. en het verslag van schriftdeskundige F. W., moet worden beschouwd als een gegeven dat een grond vormt voor een herziening in de zin van artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering.
  11. Gelet op het voormelde advies van de Commissie, is het Hof van oordeel dat er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de rechtszitting aan de rechter niet bekend was en waarvan de veroordeelde het bestaan niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding en dat, op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen, met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot het verval van de strafvordering, hetzij tot het ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot de toepassing van een minder strenge strafwet. De aanvraag tot herziening is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Verklaart de aanvraag tot herziening ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het arrest van het hof van beroep te Brussel van 12 juni 2012, behalve in zoverre het de hogere beroepen ontvankelijk verklaart en het oordeelt op burgerlijk gebied. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Laat de kosten van het eerste geding en de kosten van het geding tot herziening ten laste van de Staat. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Bepaalt de kosten van het geding tot herziening tot op heden op 0,00 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 19 november 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241119.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220510.2N.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250107.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.