← België

C. contra DEGRYSE, curator faillissement COSMETYX

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 507

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen:

Art. 507

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HANDELSZAAK Wettelijke bepalingen:

Art. 507

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Wettelijke bepalingen:

Art. 507, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.

P.24.0830.N P. C., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen Christophe DEGRYSE, met kantoor te 9000 Gent, Kortrijksesteenweg 361, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement COSMETYX nv, burgerlijke partij, verweerder, met als raadsman mr. Céline Masschelein, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 7 mei 2024. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest miskent de bewijskracht van eisers appelsyntheseconclusie door de middelen van de eiser “sterk samengevat” te reduceren tot drie verweermiddelen en geen melding te maken van eisers vierde verweermiddel onder punt VI.3 van zijn appelsyntheseconclusie, waarmee hij onder meer het vereiste bedrieglijk opzet betwistte, namelijk dat er geen devaluatie van het onderpand heeft plaatsgevonden of is aangetoond omdat de verkoop van de voorraadgoederen na beslag kaderde in een normale bedrijfsvoering en de daling van de voorraad niet van aard was om het beslag als zakelijk zekerheidsrecht van de beslagleggende schuldeisers te fnuiken. 2. Het arrest (p. 6) oordeelt onder meer als volgt: “Sterk samengevat, stelt [de eiser] dat (

  1. i)de omstandigheid dat hij naliet om middels een verzoekschrift tot handlichting machtiging te bekomen voor de verkoop van de beslagen goederen, eventueel een nalatigheid of onvoorzichtigheid impliceert, maar geen bedrieglijk opzet; (
  2. ii)dat verkoop van de beslagen goederen in alle transparantie gebeurde en te kaderen viel in de WCO-procedure voorafgaand aan het faillissement van Cosmetyx NV op 8 december 2017, en (iii) dat er slechts sprake kan zijn van het misdrijf bedoeld in artikel 507 Strafwetboek, wanneer de verkoop van de beslagen goederen niet zou te kaderen zijn in de normale bedrijfsvoering in going concern en aldus de vorm van zakelijk zekerheidsrecht waarover de schuldeiser als gevolg van het beslag zou moeten beschikken, aangetast wordt.” 3. Eensdeels geven de appelrechters met de bewoordingen “sterk samengevat” te kennen dat zij niet de bedoeling hadden om uitdrukkelijk alle afzonderlijke verweermiddelen van de eiser te vermelden, maar enkel en op een summiere wijze de verweermiddelen die zij beschouwden als de meest essentiële. 4. Anderdeels blijkt uit de bewoordingen van de vermelde alinea dat het bedoelde verweer van de eiser is vervat in het tweede en derde verweermiddel zoals verwoord door de appelrechters. 5. Hieruit volgt dat het arrest van eisers appelsyntheseconclusie een uitlegging geeft die met de bewoordingen van die conclusie niet onverenigbaar is. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers onder het eerste onderdeel vermelde verweermiddel. 7. In zijn syntheseappelconclusie (p. 9-11) heeft de eiser onder verweermiddel VI.3 het volgende aangevoerd, gevolgd door twee voorbeelden: “De bewering van [de verweerder] dat daarvoor het onderpand van de schuldeisers werd gedevalueerd, wordt niet alleen niet bewezen, volgens [de eiser] is dit manifest onjuist en is veeleer het tegendeel waar (cfr. infra). De verkoop van de stockgoederen na de beslagmaatregelen kadert immers in een normale bedrijfsvoering en de daling van de voorraadstock was niet van aard om het beslag als zakelijk zekerheidsrecht van de beslag leggende schuldeisers te fnuiken.” 8. Dat verweermiddel dient samen te worden gelezen met eisers verweermiddelen dat hij te goeder trouw (VI.1), zonder bedrieglijk opzet (VI.2) en transparant (VI.2bis) heeft gehandeld, alsook dat hij voor de verdere exploitatie van de handelszaak van Cosmetyx nv na de beslagen gelegd door de RSZ en V., in casu tijdens de WCO-procedure, in beslag genomen goederen mocht verkopen in het kader van een normale voorraadrotatie wanneer dit, zoals hier, gebeurde binnen een normale bedrijfsvoering “in going concern” (dit is met verderzetting van de handelsactiviteit) en daardoor de functie van het beslag niet in het gedrang kwam. 9. Met eigen en van het beroepen vonnis overgenomen redenen beantwoordt het arrest dat verweer onder meer als volgt: - de voorraadlijsten die, bij het openvallen van het faillissement, op 8 december 2017 aan de verweerder werden overhandigd, vertegenwoordigden een waarde van 1.067.449,07 euro. Daarentegen hadden de voorraadlijsten die de eiser aan de gerechtsdeurwaarder heeft overhandigd in het kader van het beslag van de RSZ op 28 augustus 2017 een waarde van 1.413.489,62 euro. Dit is een verschil van 346.040,59 euro; - uit een steekproef uitgevoerd door de politie blijkt dat een aantal goederen voor een waarde van 127.598,98 euro op de oorspronkelijke lijst niet meer konden worden teruggevonden op de lijst die aan de verweerder werd bezorgd; - de eiser heeft met kennis van zaken artikel 507, eerste lid, Strafwetboek overtreden door over te gaan tot verkoop van voorraadgoederen, zonder dat hij een zinnig antwoord kon geven op de desbetreffende vragen van de eerste rechter; - indien men zogenaamd te goeder trouw was, diende men de daartoe specifiek voorziene procedure van de handlichting te volgen, hetgeen men naliet. Het eigengereid overgaan tot verkopen, buiten de formele procedure om, staat naar het oordeel van de rechtbank haaks op transparantie; - de eiser maakt niet aannemelijk dat de opbrengst van de zogenaamd transparante verkopen ten goede zou zijn gekomen aan de specifieke schuldeisers die de beslagen legden. Zij werden dus wel degelijk benadeeld. Ook hieruit blijkt het bedrieglijk karakter van de ontdraging; - voor het bestaan van het bedrieglijk opzet in de zin van artikel 507, eerste lid, Strafwetboek is vereist dat de goederen onttrokken worden aan de schuldeisers die beslag hebben laten leggen en dat de ontdraging is gebeurd in het belang van de beslagene. Dit belang bestaat onder meer hierin dat de beslagene het onrechtmatig voordeel verkrijgt dat de uitwerking van het beslag wordt belemmerd of verlamd. De zienswijze dat er slechts sprake kan zijn van het misdrijf bedoeld in artikel 507 Strafwetboek wanneer het ontdragen van de beslagen goederen niet zou te kaderen zijn in de normale bedrijfsvoering, is dus onjuist; - uit de strafinformatie en de door de verweerder bijgebrachte stukken komt naar voor dat de ontdraging net te kaderen viel in de betrachting van de beslagene om eigenmachtig en buiten ieder toezicht alsnog te kunnen beschikken over de beslagen goederen en dit in het kader van het sturen van de handelsrelatie met de zustervennootschap Cobosco bv en de beoogde doorstart na faillissement met de nieuw opgerichte vennootschap Hairco nv. Aldus werd gepoogd een waas van onduidelijkheid teweeg te brengen met betrekking tot de status van de ontdragen goederen, die nooit had bestaan indien de eiser de implicaties van het beslag had gerespecteerd, hetgeen niet te verzoenen is met de transparantie die de eiser naar eigen zeggen aan de dag zou hebben gelegd; - zelfs volgens het verslag van de eigen expert van de eiser werd tijdens de geïncrimineerde periode voor slechts 160.996,00 euro aan voorraadwaarde gefactureerd door Cosmetyx nv, hetgeen nog niet eens de helft is van de als gevolg van de ontdraging ontbrekende voorraadwaarde. Transparant kan dit bezwaarlijk worden genoemd; - het is niet aangetoond dat de tegenwaarde van (een gedeelte van) de ontdragen goederen, ingevolge de verkoop daarvan, ondanks het beslag, tijdens de geïncrimineerde periode, het actief van Cosmetyx nv zou hebben doen toenemen of het passief van deze onderneming zou hebben doen afnemen; - dit geldt des te meer nu nergens uit blijkt dat de beweerdelijk verkochte en gefactureerde ontdragen goederen ook daadwerkelijk aanleiding gaven tot betaling aan Cosmetyx nv. 10. Met die redenen beantwoordt het arrest het verweer van de eiser in verband met zijn bedrieglijk opzet en de vermindering van het door het beslag veilig gestelde onderpand, zonder dat het moet antwoorden op alle tot ondersteuning van dat verweer aangevoerde argumenten die geen zelfstandig verweer uitmaken. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel 11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 507 Strafwetboek: het arrest verwerpt ten onrechte het verweer van de eiser dat er slechts sprake kan zijn van het in dat artikel bepaalde misdrijf wanneer het ontdragen van de beslagen goederen niet te kaderen zou zijn in de normale bedrijfsvoering; met die reden miskent het arrest in het bijzonder de notie van het bedrieglijk opzet, op grond waarvan apart moet zijn aangetoond dat de dader het oogmerk had de in beslag genomen goederen te onttrekken aan de schuldeisers die beslag erop hebben gelegd; beslag op voorraden belet niet dat de koopwaren die tot die voorraden behoren, worden verkocht om vervangen te worden door nieuwe koopwaren die alsdan ingevolge zakelijke subrogatie vallen onder het beslag; als het zodoende de bedoeling van de beslagene is om een voorraad te verkopen om opnieuw aangevuld te worden, wat neerkomt op een rotatie van voorraden, kan dit de beslagleggende partij niet schaden en is het niet de bedoeling het beslag te doen mislukken. 12. Artikel 507, eerste lid, Strafwetboek bestraft de beslagene en allen die voorwerpen waarop tegen hem beslag is gedaan, in zijn belang bedrieglijk vernielen of wegmaken. Het door die bepaling vereiste bedrieglijk opzet bestaat in het oogmerk om in beslag genomen goederen te onttrekken aan de beslaglegger teneinde het beslag te verlammen, waardoor de beslagene een onrechtmatig voordeel verkrijgt. 13. De strafrechter kan oordelen dat de verkoop van voorraadgoederen waarop een bewarend of uitvoerend burgerlijk beslag werd gelegd, maar waarvan de verhandeling of de verwerking kadert in de normale bedrijfsvoering van de onderneming, en die zijn vervangen door gelijkaardige goederen waarop het beslag zijn verdere uitwerking krijgt, niet bedrieglijk is in de zin van artikel 507 Strafwetboek. De ondernemer die een verweer in die zin aanvoert, dient dat echter enigszins aannemelijk te maken. De strafrechter oordeelt daarover onaantastbaar op grond van de voorliggende feiten. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 14. Het arrest beoordeelt de door de eiser aangevoerde afwezigheid van een bedrieglijk opzet niet enkel met de reden die het onderdeel aanvoert, maar eveneens met het geheel van redenen vermeld onder het tweede onderdeel van dit middel. Het arrest (p. 10) oordeelt bovendien dat de stukken waarop de eiser zich beroept om aannemelijk te maken dat een gedeelte van de tegenwaarde van de ontdragen goederen ten goede kwam aan Cosmetyx nv, louter eenzijdige stukken betreffen die daarenboven tijdens de faillissementswerkzaamheden kennelijk werden onthouden aan de verweerder en die derhalve niet van aard zijn om de appelrechters ervan te overtuigen dat het geleden nadeel minder bedraagt dan de voormelde waarde van de ontdragen goederen. Op grond van die redenen kan het arrest wettig beslissen dat de eiser wel degelijk heeft gehandeld met het in artikel 507, eerste lid, Strafwetboek vereiste bijzonder opzet. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel 15. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest kan de schade ingevolge het misdrijf van ontdraging van in beslag genomen goederen niet bepalen op de aanschafwaarde van de niet-teruggegeven goederen, dit is de waarde afgeleid uit de vergelijking van de voorraadlijst op het ogenblik van het uitvoerend beslag en de voorraadlijst opgesteld naar aanleiding van het faillissement; het moet die schade bepalen op grond van de verkoopprijs die de verweerder door de niet-teruggave heeft gederfd; die derving bedraagt gemiddeld 30 procent van de aanschafwaarde, namelijk de gemiddelde prijs waaraan de verweerder de nog aanwezige voorraad heeft verkocht; bovendien kan het arrest de concrete en werkelijke waarde van de ontdragen goederen niet bepalen op het moment van de ontdraging zelf, maar enkel op het moment van de verkoop waarin het beslag zou uitmonden; op het moment van de ontdraging lagen de goederen nog onder beslag en was er nog geen uitvoering, zodat de tegenwaarde van die goederen op dat moment nog niet kon worden gerealiseerd; alleszins mag de waarde van de ontdragen goederen niet worden bepaald op de aanschaffingswaarde ervan. 16. Uit de eigen en van het beroepen vonnis overgenomen redenen van het arrest blijkt wat volgt: - de RSZ heeft op 28 augustus 2017 uitvoerend beslag gelegd lastens Cosmetyx nv, ter gelegenheid waarvan de eiser als bestuurder van Cosmetyx nv aan de gerechtsdeurwaarder voorraadlijsten heeft overgelegd, waaruit bleek dat er op dat moment goederen voorradig waren voor een totale aanschafwaarde van 1.413.489,62 euro; - de verhuurder G. bv, aan wie de eerste rechter akte van de afstand van zijn vordering heeft verleend, heeft op 15 september 2017 bewarend beslag lastens Cosmetyx nv gelegd; - naar aanleiding van het faillissement van Cosmetyx nv op 5 december 2017, volgend op een op 18 september 2017 toegestane WCO-procedure, heeft de eiser aan de curator voorraadlijsten overgelegd, waaruit bleek dat er op dat moment goederen voorradig waren voor een totale aanschafwaarde van 1.067.449,07 euro, hetzij 346.040,55 euro minder dan op 28 augustus 2017. 17. De artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek verplichten degene door wiens schuld aan een ander schade is ontstaan, deze integraal te vergoeden, wat impliceert dat de benadeelde zo goed als mogelijk moet worden geplaatst in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien de fout niet was begaan. 18. Bij de raming van de vergoeding van de door een misdrijf veroorzaakte schade mogen geen latere gebeurtenissen die niet in verband staan met de fout of de schade en waardoor de toestand van de schadelijder verbeterd of verergerd zou zijn, in aanmerking genomen worden. Hoewel de rechter bij de raming van de schade het tijdstip van de uitspraak in aanmerking moet nemen, moet de omvang van de schade worden bepaald op het tijdstip van de fout en kan de omstandigheid dat er in de schade veranderingen zijn opgetreden die niet hun oorsprong vinden in de onrechtmatige daad degene die de fout heeft begaan, niet ontslaan van zijn verplichting tot algehele vergoeding van de schade. 19. Het misdrijf bestaande in het bedrieglijk vernietigen of wegmaken van in beslag genomen goederen, zoals bepaald in artikel 507, eerste lid, Strafwetboek, is een aflopend misdrijf dat wordt gepleegd op het moment van de vernietiging of de wegmaking van de in beslag genomen goederen. Het is dan ook op dat moment, en niet op het moment van de verkoop van de in beslag genomen goederen, dat de omvang van de schade wordt bepaald. 20. Hieruit volgt dat de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek de rechter niet ertoe verplichten om de schade van een schuldeiser ingevolge de ontdraging van goederen waarop hij uitvoerend beslag heeft gelegd, te bepalen aan de hand van een extrapolatie van de gemiddelde opbrengst van een inmiddels gerealiseerde verkoop van nog aanwezige in beslag genomen goederen. De rechter mag die schade daarentegen bepalen op de aankoopwaarde van de voorraadgoederen waarvan hij op grond van een vergelijking van opeenvolgende inventarissen de verdwijning vaststelt, wanneer hij van oordeel is dat hij daardoor de benadeelde zo goed als mogelijk plaatst in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien de fout niet was begaan. 21. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 22. Het arrest bepaalt de schade van de verweerder op het vermelde bedrag van 346.040,55 euro in hoofdsom op grond van onder meer de volgende redenen: “Het middel waarbij [de eiser] aanvoert dat een juiste toepassing van de equivalentieleer tot gevolg moet hebben dat schadevergoeding hoogstens 30% kan bedragen van de (aanschaffings)waarde van de ontdragen goederen, vermits dit de gemiddelde marge is die werd gerealiseerd bij de realisatie na faillissement van de resterende stock, kan niet aangenomen worden. De schadevergoeding die wordt toegekend op grond van delictuele of quasi-delictuele aansprakelijkheid beoogt de benadeelde terug te brengen in de toestand waarin deze zich bevond vóór de fout waardoor de schade werd toegebracht. Omstandigheden die vreemd zijn aan de fout als zodanig, kunnen geen vermindering van de schadevergoeding teweegbrengen.” Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 23. Het onderdeel voert schending aan van artikel 8.4 Burgerlijk Wetboek en artikel 870 Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van de regels van de bewijslast inzake het bestaan en de hoegrootheid van schade die voortvloeit uit het misdrijf: het arrest oordeelt dat de eiser niet aantoont dat de tegenwaarde van een deel van de ontdragen goederen ingevolge de verkoop ervan het actief van Cosmetyx nv zou hebben doen toenemen of het passief van deze onderneming zou hebben doen afnemen; zodoende legt het arrest aan de eiser een bewijslast op over het bestaan en de hoegrootheid van de schade, door hem een last op te leggen om iets aan te tonen. 24. Op grond van artikel 870 Gerechtelijk Wetboek moet iedere partij het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert, onverminderd artikel 8.4, vijfde lid, Burgerlijk Wetboek, Artikel 8.4, eerste en tweede lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt: “Hij die meent een ander in rechte te kunnen aanspreken, moet de rechtshandelingen of feiten bewijzen die daaraan ten grondslag liggen. Hij die beweert bevrijd te zijn, moet de rechtshandelingen of feiten bewijzen die zijn bewering ondersteunen.” 25. Het arrest (p. 10) oordeelt: “Het is niet aangetoond dat de tegenwaarde van - een gedeelte van - de ontdragen goederen, ingevolge de verkoop daarvan - ondanks het beslag - tijdens de geïncrimineerde periode, het actief van Cosmetyx NV zou hebben doen toenemen of het passief van deze onderneming zou hebben doen afnemen. De stukken waarop [de eiser] zich in dit verband beroept - inzonderheid zoals aangenomen door het verslag van de door [de eiser] aangestelde deskundige (…) - betreffen louter eenzijdige stukken, die daarenboven tijdens de faillissementswerkzaamheden kennelijk aan de burgerlijke partij, curator over het faillissement van Cosmetyx NV, werden onthouden. Deze stukken zijn derhalve niet van aard om het hof (van beroep) ervan te overtuigen dat het geleden nadeel minder bedraagt dan de voormelde waarde van de ontdragen goederen.” 26. Met die redenen oordeelt het arrest dat de eiser zijn verweer niet aannemelijk maakt. Aldus legt het hem geen onwettige bewijslast op. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel 27. Het onderdeel voert miskenning aan van het begrip feitelijk vermoeden: de appelrechters oordelen dat zij de door de eiser aangehaalde stukken niet overtuigend vinden om te aanvaarden dat het geleden nadeel minder bedraagt dan de waarde van de ontdragen goederen, eensdeels omdat de stukken waarop de eiser zich in dit verband beroept louter eenzijdige stukken betreffen en anderdeels omdat die stukken daarenboven tijdens de faillissementswerkzaamheden kennelijk aan de verweerder werden onthouden; dit zijn louter formele argumenten die bij gebrek aan inhoudelijk nazicht van het verweer niet volstaan; uit de inventaris van de in eerste aanleg en in hoger beroep neergelegde stukken en de stukkenbundels zelf blijkt dat de betrokken stukken wel degelijk aan de verweerder zijn bezorgd in de loop van de procedure en er dus tegenspraak mogelijk is geweest; op grond van de vermelde redenen vermochten de appelrechters dan ook niet af te leiden dat de betrokken stukken niet overtuigend waren over de vraag of de schade van de verweerder was bewezen in het bestaan en de hoegrootheid ervan. 28. In zoverre het onderdeel verplicht tot een kennisname van gegevens uit dossierstukken, die niet zijn opgenomen in het arrest zelf of enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk. 29. Het arrest steunt het oordeel over het bestaan en de hoegrootheid van de schade van de verweerder niet enkel op de hier bekritiseerde redenen, maar onder meer ook op de in het vierde onderdeel van dit middel vermelde redenen. In zoverre berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 30. De rechter beoordeelt onaantastbaar de bewijswaarde van de hem voorgelegde stukken. Hij kan in het licht van het geheel van de aan tegenspraak onderworpen bewijselementen een verminderde bewijswaarde of zelfs geen bewijswaarde toekennen aan stukken die louter eenzijdig op vraag van een partij zijn opgesteld of die te gelegener tijd niet aan de andere procespartij zijn overgemaakt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 31. Hieruit volgt dat het arrest op grond van de feiten die het vaststelt wel degelijk wettig kan afleiden dat de schade van de verweerder en de hoegrootheid ervan bewezen zijn. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Vierde onderdeel 32. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiser dat mede uit de bevindingen van zijn eigen technisch raadsman blijkt dat de vordering van de verweerder onmogelijk correct kan zijn en dat de eerste rechter hem ten onrechte heeft veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van 346.040,55 euro. 33. In zijn vermelde verweer heeft de eiser aangevoerd dat een vergelijking tussen de in de inventarissen vermelde waarde van de goederen onbruikbaar is als maatstaf voor het bepalen van de omvang van de schade omdat er in de beide inventarissen verschillen in producteenheidsprijzen bestaan, alsook dat de verweerder ten belope van 160.996,00 euro financieel niet werd benadeeld. 34. Het arrest oordeelt als volgt: - de eiser heeft op een onwettige, eigengereide en niet-transparante wijze in beslag genomen goederen verkocht; - de bedoeling van de eiser was om de handelsrelatie met de zustervennootschap Cobosco bv te sturen; - uit de bij conclusie van de verweerder gemaakte vergelijking tussen de respectieve voorraadlijsten bleek de eenheidsprijs overal dezelfde; - de verweerder wordt erin bijgetreden dat het op basis van de overhandigde voorraadlijsten wel degelijk is aangetoond dat er voorraad is verdwenen ten belope van het verschil tussen de overhandigde voorraadlijst op het ogenblik van het uitvoerend beslag door de RSZ (waarde goederen 1.413.489,62 euro) en de voorraadlijst naar aanleiding van het faillissement (waarde goederen 1.067.449,07 euro); - zelfs volgens het door de eiser bijgebrachte verslag van zijn eigen expert werd tijdens de incriminatieperiode voor slechts 160.996,00 euro aan voorraadwaarde gefactureerd door Cosmetyx nv, hetgeen nog niet eens de helft is van de als gevolg van de ontdraging ontbrekende voorraadwaarde; - de eiser maakt niet aannemelijk dat het verschil van 346.040,55 euro tussen de voorraadlijsten zou te verklaren zijn door “een andere invalshoek” in de laatste voorraadlijst wat betreft de productwaarden; - de door de verweerder gemaakte steekproeven aan de hand van de vermelde voorraadlijsten tonen aan dat deze bewering onjuist is en, zoals de verweerder terecht aanvoert, heeft ook eisers eigen expert deze stelling niet onderschreven; - de ontdragen goederen werden door de verweerder niet meer aangetroffen na het faillissement van de onderneming. De eiser spreekt dit als zodanig niet tegen, zij het dat hij zowel de omvang betwist van hetgeen werd ontdragen, als aanvoert dat minstens een gedeelte van de tegenwaarde van de ontdragen goederen ten goede kwam aan Cosmetyx nv, vermits minstens een gedeelte van deze goederen ondanks het uitvoerend beslag werd verkocht; - het is niet aangetoond dat de tegenwaarde van een gedeelte van de ontdragen goederen ingevolge de verkoop daarvan ondanks het beslag tijdens de geïncrimineerde periode, het actief van Cosmetyx nv zou hebben doen toenemen of het passief van deze onderneming zou hebben doen afnemen; - de stukken die de eiser voorlegt, zijn niet van aard om het hof van beroep ervan te overtuigen dat het geleden nadeel minder bedraagt dan de waarde van de ontdragen goederen; - dit geldt des te meer nu nergens uit blijkt dat de beweerdelijk verkochte en gefactureerde ontdragen goederen ook daadwerkelijk aanleiding gaven tot betaling aan Cosmetyx nv. Met die redenen beantwoordt het arrest het verweer van de eiser, zonder te moeten antwoorden op elk tot ondersteuning daarvan aangevoerd argument dat geen zelfstandig verweer uitmaakt. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 35. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten van zijn cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 87,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 19 november 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241119.2N.21 Gerelateerde publicatie(
  3. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990202.6 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230927.2F.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.