id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241119.2N.23 Rolnummer: P.24.1512.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-11-26 Raadplegingen: 715 - laatst gezien 2026-06-15 13:33 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Krachtens artikel 3 EVRM mag niemand worden onderworpen aan foltering, noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen maar het enkele feit dat hij die van zijn vrijheid is beroofd ter fine van strafvervolging ongemakken ondervindt van zijn opsluiting, maakt die opsluiting nog niet strijdig met artikel 3 EVRM aangezien daarvoor een minimum aan zwaarwichtigheid is vereist
(1).
(1)Cass. 27 augustus 2024, AR P.24.1257.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240827.VAK.6, AC 2024, nr. 532; Cass. 23 januari 2024, AR P.24.0092.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.16, AC 2024, nr. 63; Zie Cass. 12 januari 2022, AR P.21.0974.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.5, AC 2022, nr. 27, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., Cass. 20 september 2011, AR P.11.0239.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110920.5, AC 2011, nr. 482. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 4 - 8 Een beklaagde in voorlopige hechtenis die voorhoudt dat hij is opgesloten in omstandigheden die strijdig zijn met artikel 3 EVRM, kan door middel van een overeenkomstig artikel 27, § 1, 1°, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling de rechter vragen zich daarover uit te spreken en deze kan, voor zover een schending van artikel 3 EVRM vaststaat, effectief rechtsherstel verlenen; het staat aan de rechter die kennis neemt van een door een beklaagde op grond van artikel 27, § 1, 1°, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling, onaantastbaar te oordelen of de beklaagde daadwerkelijk is opgesloten in omstandigheden die onverenigbaar zijn met artikel 3 EVRM en in het bijzonder of de vereiste drempel van minimale zwaarwichtigheid is bereikt; uit de loutere omstandigheid dat de appelrechter zijn oordeel over de door een beklaagde aangevoerde schending van artikel 3 EVRM steunt of mede steunt op de redenen van de beroepen beschikking die het verweer van de beklaagde over die schending ongegrond heeft verklaard, kan niet worden afgeleid dat dit oordeel niet is gebaseerd op een nauwkeurig en doeltreffend onderzoek naar de detentieomstandigheden
(1).
(1)Cass. 27 augustus 2024, AR P.24.1257.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240827.VAK.6, AC 2024, nr. 532; Cass. 23 januari 2024, AR P.24.0092.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.16, AC 2024, nr. 63; Zie Cass. 12 januari 2022, AR P.21.0974.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.5, AC 2022, nr. 27, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., Cass. 20 september 2011, AR P.11.0239.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110920.5, AC 2011, nr. 482. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1, 1° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1, 1° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1, 1° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1, 1° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1, 1° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 9 - 12 De rechter die het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling van een beklaagde verwerpt en bijgevolg diens voorlopige hechtenis handhaaft, dient bij toepassing van de artikelen 16, § 1 en § 5, eerste en tweede lid, 27, § 3, vierde lid, en 30, § 1, en § 4, Voorlopige Hechteniswet het bestaan vast te stellen van ernstige aanwijzingen van schuld ten aanzien van de verzoeker en krachtens die bepalingen dient de rechter ook de feitelijke omstandigheden van de zaak te vermelden en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de verzoeker waaruit blijkt dat de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid, waarbij hij in voorkomend geval ook moet vaststellen dat is voldaan aan de in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet bedoelde criteria, zodat blijkt dat de handhaving van de voorlopige hechtenis, op het tijdstip van de beslissing, voldoet aan de wettelijke vereisten; aangezien de voorlopige hechtenis de uitzondering is en de redenen die haar rechtvaardigen mettertijd hun relevantie kunnen verliezen, kan de vraag of de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid enkel worden beoordeeld na een nauwkeurig, geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak, zodat de rechter bij de verlenging van de voorlopige hechtenis geen blijk mag geven van een automatisme en van stereotiepe overwegingen die onverenigbaar zijn met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis; de beoordeling van de noodzakelijkheid van de voorlopige hechtenis na een bij toepassing van artikel 27, § 1, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling kan evenwel niet op dezelfde wijze geschieden zoals de beoordeling van de noodzakelijkheid van de voorlopige hechtenis ten tijde van het gerechtelijk onderzoek aangezien er bij een voorlopige hechtenis tijdens de rechtspleging voor het vonnisgerecht geen gerechtelijk onderzoek meer is en uit de loutere omstandigheid dat de rechter in zijn beslissing het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling verwerpt en de alternatieven voor de voorlopige hechtenis afwijst op grond van redenen die reeds werden aangehaald in eerdere beslissingen, kan niet worden afgeleid dat hij zijn beslissing niet heeft gebaseerd op een geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de zaak en geen rekening heeft gehouden met de duurtijd van de voorlopige hechtenis, voor zover hij daardoor geen blijk geeft van enig automatisme dat onverenigbaar is met de noodzakelijke individualisering van zijn beslissing en de noodzaak deze te steunen op nauwkeurige en geactualiseerde gegevens
(1).
(1)Cass. 20 februari 2024, AR P.24.0194.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240220.2N.28, AC 2024, nr.
- Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 3, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, §§ 1 en 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 3, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, §§ 1 en 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 3, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, §§ 1 en 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 3, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, §§ 1 en 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1512.N C. M., beklaagde, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Christophe Marchand en mr. Crépine Uwashema, advocaten bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 7 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Advocaat-generaal Alain Winants heeft op 13 november 2024 een schriftelijke conclusie ingediend ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 19 november 2024 heeft raadsheer Steven Van Overbeke verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 13 EVRM, alsook miskenning van de algemene motiveringsplicht: de afwijzing van eisers verweer over de onverenigbaarheid van zijn detentieomstandigheden met artikel 3 EVRM is niet gebaseerd op nauwkeurige informatie met betrekking tot de celgrootte, het aantal gevangenen per cel, het beddengoed, de sanitaire voorzieningen in de cellen, de hygiëne, de activiteiten buiten de cel, het roken, de verstrekking van medicatie en het aantal stakingen; indien een gedetineerde een verdedigbare grief opwerpt betreffende de strijdigheid van zijn detentieomstandigheden met artikel 3 EVRM, wat een omkering van de bewijslast tot gevolg heeft, dient er een effectieve controle te gebeuren en moet desgevallend een passend en effectief herstel worden verleend; bij afwezigheid van een dergelijk nauwkeurig onderzoek heeft er geen effectieve controle plaatsgevonden; door louter te verwijzen naar de beroepen beschikking, miskennen de appelrechters het vereiste van een doeltreffend onderzoek en beantwoorden ze niet de desbetreffende conclusie van de eiser; uit de in de beroepen beschikking vermelde omstandigheid dat de eiser in een solo-cel verblijft, gebruik kan maken van fitnesstoestellen en de mogelijkheid tot wandelen heeft, kunnen de appelrechters niet afleiden dat artikel 3 EVRM niet is geschonden.
- Krachtens artikel 3 EVRM mag niemand worden onderworpen aan foltering, noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen.
- Het enkele feit dat hij die van zijn vrijheid is beroofd met het oog op strafvervolging ongemakken ondervindt van zijn opsluiting, maakt die opsluiting nog niet strijdig met artikel 3 EVRM. Daarvoor is een minimum aan zwaarwichtigheid vereist.
- Indien een beklaagde die zich in voorlopige hechtenis bevindt, voorhoudt dat hij is opgesloten in omstandigheden die strijdig zijn met artikel 3 EVRM, kan hij door middel van een overeenkomstig artikel 27, § 1, 1°, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling de rechter vragen zich daarover uit te spreken. Die rechter kan voor zover een schending van artikel 3 EVRM vaststaat, effectief rechtsherstel verlenen.
- Het staat aan de rechter die kennis neemt van een door een beklaagde op grond van artikel 27, § 1, 1°, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling onaantastbaar te oordelen of de beklaagde daadwerkelijk is opgesloten in omstandigheden die onverenigbaar zijn met artikel 3 EVRM en in het bijzonder of de vereiste drempel van minimale zwaarwichtigheid is bereikt.
- Uit de loutere omstandigheid dat de appelrechter zijn oordeel over de door een beklaagde aangevoerde schending van artikel 3 EVRM steunt of mede steunt op de redenen van de beroepen beschikking die het verweer van de beklaagde over die schending ongegrond heeft verklaard, kan niet worden afgeleid dat dit oordeel niet is gebaseerd op een nauwkeurig en doeltreffend onderzoek naar de detentieomstandigheden.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest verwijst niet enkel naar de redenen van de beroepen beschikking van 22 oktober 2024 en naar de omstandigheid dat de eiser in een solo-cel verblijft, gebruik kan maken van fitnesstoestellen en de mogelijkheid tot wandelen heeft, maar neemt ook de redenen over van de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling van 17 mei 2024 en 9 augustus
- In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Deels door eigen redenen en deels door de overname van de redenen van de beroepen beschikking van 22 oktober 2024 en van de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling van 17 mei 2024 en 9 augustus 2024, beantwoorden de appelrechters het in het middel aangehaalde verweer van de eiser over zijn detentieomstandigheden en verantwoorden zij de beslissing in dit verband naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 5 EVRM en de artikelen 16, § 5, en 27 Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van de algemene motiveringsplicht: de beslissing tot verwerping van eisers verzoek tot voorlopige invrijheidstelling en dus tot handhaving van eisers voorlopige hechtenis, is niet regelmatig met redenen omkleed; de appelrechters antwoorden immers niet op eisers conclusie waarin hij op grond van specifieke argumenten had aangevoerd dat zijn hechtenis in de actuele omstandigheden niet meer noodzakelijk is en er geen sprake meer is van een concreet vlucht-, collusie-, obstructie- en recidivegevaar; het arrest steunt louter op hypothetische risico’s zonder zich te baseren op concrete en actuele elementen die dit zouden ondersteunen; het arrest biedt ook geen afdoende onderbouwd antwoord op de door de eiser voorgestelde alternatieve en minder ingrijpende maatregelen voor een voorlopige hechtenis in de gevangenis, waarbij het zich ertoe beperkt te stellen dat een behandeling binnen een redelijke termijn nog mogelijk is; de loutere overname van hypothetische redenen uit voorgaande beslissingen volstaat evenwel niet; de voorlopige hechtenis mag ook geen blijk geven van automatisme en van stereotiepe redenen.
- De rechter die het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling van een beklaagde verwerpt en bijgevolg diens voorlopige hechtenis handhaaft, dient bij toepassing van de artikelen 16, § 1 en § 5, eerste en tweede lid, 27, § 3, vierde lid, en 30, § 1, en § 4, Voorlopige Hechteniswet het bestaan vast te stellen van ernstige aanwijzingen van schuld ten aanzien van de verzoeker. Krachtens die bepalingen dient de rechter ook de feitelijke omstandigheden van de zaak te vermelden en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de verzoeker waaruit blijkt dat de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid, waarbij hij in voorkomend geval ook moet vaststellen dat is voldaan aan de in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet bedoelde criteria, zodat blijkt dat de handhaving van de voorlopige hechtenis, op het tijdstip van de beslissing, voldoet aan de wettelijke vereisten.
- Aangezien de voorlopige hechtenis de uitzondering is en de redenen die haar rechtvaardigen mettertijd hun relevantie kunnen verliezen, kan de vraag of de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid enkel worden beoordeeld na een nauwkeurig, geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak, zodat de rechter bij de verlenging van de voorlopige hechtenis geen blijk mag geven van een automatisme en van stereotiepe overwegingen die onverenigbaar zijn met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis.
- De beoordeling van de noodzakelijkheid van de voorlopige hechtenis na een bij toepassing van artikel 27, § 1, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling kan evenwel niet op dezelfde wijze geschieden zoals de beoordeling van de noodzakelijkheid van de voorlopige hechtenis ten tijde van het gerechtelijk onderzoek. Bij een voorlopige hechtenis tijdens de rechtspleging voor het vonnisgerecht is er immers geen gerechtelijk onderzoek meer.
- Uit de loutere omstandigheid dat de rechter in zijn beslissing het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling verwerpt en de alternatieven voor de voorlopige hechtenis afwijst op grond van redenen die reeds werden aangehaald in eerdere beslissingen, kan niet worden afgeleid dat hij zijn beslissing niet heeft gebaseerd op een geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de zaak en geen rekening heeft gehouden met de duurtijd van de voorlopige hechtenis, voor zover hij daardoor geen blijk geeft van enig automatisme dat onverenigbaar is met de noodzakelijke individualisering van zijn beslissing en de noodzaak deze te steunen op nauwkeurige en geactualiseerde gegevens.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Op grond van omstandige redenen, met name eigen redenen en de overgenomen redenen van de beroepen beschikking van 22 oktober 2024 en van de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling van 17 mei 2024 en 9 augustus 2024, oordelen de appelrechters dat er in hoofde van de eiser ernstige aanwijzingen van schuld bestaan met betrekking tot de hem ten laste gelegde feiten van deelneming aan de beslissingen van een criminele organisatie zoals bedoeld in de artikelen 324bis en 324ter, § 3, Strafwetboek, dat een verdere hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid, dat er een manifest gevaar bestaat voor onttrekking en recidive alsook voor collusie, waarbij een invrijheidstelling onder voorwaarden of mits het betalen van een borgsom of een hechtenis onder elektronisch toezicht onvoldoende zijn om die gevaren te neutraliseren. Met die redenen, die geen blijk geven van enig automatisme en geen stereotiepe noch hypothetische redenen inhouden, verantwoorden de appelrechters naar recht de beslissing dat eisers verzoek tot voorlopige invrijheidstelling en de door hem voorgestelde alternatieven voor de voorlopige hechtenis moeten worden verworpen, verwerpen en beantwoorden zij het andersluidende verweer van de eiser en omkleden zij hun beslissing regelmatig met redenen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 5 EVRM en de artikelen 16, § 5, en 27 Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van de algemene motiveringsplicht: door niet in te gaan op het in eisers conclusies aangevoerde juridische verweer inzake de omkering van de bewijslast met betrekking tot de noodzaak van een detentie in de gevangenis, is het arrest niet regelmatig met redenen omkleed; in het beroepen vonnis, waarvan het arrest de redenen overneemt, wordt immers geoordeeld dat de voorlopige invrijheidstelling niet kan worden bevolen omdat de eiser geen nieuwe elementen heeft aangevoerd om die vrijlating te rechtvaardigen; het komt aan de eiser als aangehoudene evenwel niet toe om nieuwe elementen aan te voeren, aangezien aldus de bewijslast op de eiser wordt gelegd.
- Uit de redenen van het arrest en de overgenomen redenen van de beroepen beschikking van 22 oktober 2024 en van de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling van 17 mei 2024 en 9 augustus 2024, kan niet worden afgeleid dat de appelrechters eisers verzoek tot voorlopige invrijheidstelling louter hebben verworpen omdat de eiser geen nieuwe elementen heeft aangevoerd om die vrijlating te rechtvaardigen. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 19 november 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241119.2N.23 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250408.2N.25 precedenten: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110920.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.5 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.16 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240220.2N.28 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240827.VAK.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div