id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 42
, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 43bis- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art.
195, vijfde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen:
Art. 42
, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 43bis- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art.
195, vijfde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0784.N I E. N., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Brian Stuckens, advocaat bij de balie Brussel. II T. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Vincke, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. III J. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. IV R. C., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Vincke, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 19 april
- De eiser I voert geen middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser IV voert grieven aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie van de eiser IV
- Overeenkomstig artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering mag de eiser in cassatie na verloop van twee maanden die volgen op de verklaring van cassatieberoep geen memories of stukken meer indienen, met uitzondering van in die bepaling vermelde akten en noten.
- De memorie die de eiser IV ter griffie van het Hof heeft ingediend op woensdag 10 juli 2024, dit is meer dan twee maanden na zijn cassatieberoep van 6 mei 2024, is laattijdig en bijgevolg niet ontvankelijk. Middel van de eiser II
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest stelt vast dat de eiser II wist dat hij deelnam aan georganiseerde criminaliteit, dat hij de uitvoer van drugs naar het Verenigd Koninkrijk mee organiseerde en dat hij hand- en spandiensten aan het drugslabo verleende; het arrest stelt tevens vast dat de eiser II kon vaststellen dat er een stevige organisatie school achter en tussen de personen waarmee hij samenwerkte; de eiser II heeft voor de appelrechters aangevoerd dat hij enkele contacten had met verdachten in het dossier en enkele personen heeft herkend bij de fotovoorlegging, maar dat hij daarom niet op de hoogte was van het bestaan van een criminele organisatie; het arrest laat ondanks eisers bij appelconclusie gevoerde verweer na aan te duiden op welke wijze de eiser II op de hoogte was van het bestaan van een criminele organisatie; het arrest laat tevens na aan te duiden hoe de eiser II zelf zou hebben vastgesteld dat er een stevige organisatie school achter en tussen de personen waarmee hij samenwerkte; het arrest is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed.
- Met de redenen die het middel vermeldt, voorafgegaan door de feitelijke vaststellingen van de appelrechters voor wat betreft de rol van de eiser II in de feiten van de telastleggingen B.1 (vervaardigen drugs in vereniging), B.5 in zoverre bewezen verklaard en D.2 (voorbereidende handelingen drugs in vereniging), vermeldt het arrest waarom de appelrechters oordelen dat de eiser II wel degelijk wetens en willens betrokken was bij de criminele organisatie, zoals bepaald in artikel 324ter, § 1, Strafwetboek. Daarvoor diende het arrest niet te antwoorden op elk argument dat de eiser II heeft aangevoerd tot staving van zijn verweer waarbij hij die kennis ontkende, maar dat geen zelfstandig verweer uitmaakte. Evenmin diende het arrest de redenen van zijn redenen te vermelden. Aldus beantwoordt het arrest het verweer van de eiser II en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. Het middel kan niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiser III
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het vermoeden van onschuld: het arrest stelt eensdeels vast dat de eiser III niet is vervolgd noch veroordeeld voor een miskenning van het beroepsverbod dat hem werd opgelegd bij arrest van 17 juni 2017, maar het stelt anderdeels vast dat de eiser III feitelijk bestuurder van de vennootschap W. bleef en dat hij die zaak “in werkelijkheid bestuurde”; met die bewoordingen geven de appelrechters te kennen dat zij van oordeel zijn dat de eiser III zich schuldig heeft gemaakt aan een miskenning van het vermelde beroepsverbod, minstens kan uit die bewoordingen de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de eiser III worden afgeleid voor feiten waarvoor hij niet is veroordeeld; verder geven de appelrechters aan dat zij deze vaststelling mee in overweging hebben genomen om de schuld van de eiser III aan de ten laste gelegde feiten te beoordelen; daarmee gaan de appelrechters verder dan wat nodig is voor de beoordeling van de schuld van de eiser III aan de hem ten laste gelegde feiten; zo konden de appelrechters zonder miskenning van het vermoeden van onschuld perfect vaststellen dat de eiser III als werknemer ook beslissingsbevoegdheid had om transporten te organiseren of bestellingen te plaatsen, zonder dat het daarbij noodzakelijk was hem als “feitelijk zaakvoerder” te bestempelen die “in werkelijkheid”, dus in strijd met zijn beroepsverbod, de vennootschap W. bestuurde.
- Het arrest (nr. 6, p. 32-36) verklaart de eiser III schuldig aan de telastleggingen D.1, D.2 (voorbereidende handelingen drugs in vereniging) en H.4 (betrokkenheid bij een criminele organisatie). Bij die beoordeling, in het bijzonder bij de beoordeling van de schuld van de eiser III aan de telastlegging H.4, hechten de appelrechters belang aan het feit dat de eiser IV een leidinggevende functie had in de vennootschap W. Dit blijkt uit de door het arrest (p. 36) gebruikte bewoordingen: “Hij was bereid om zijn bedrijf in te schakelen voor de import van cocaïne uit Zuid-Amerika” en “het hof (van beroep) verwijst naar zijn verklaring dat [W.] 2.000 à 3.000 euro zou ontvangen per geïmporteerde kilogram cocaïne …”).
- Het arrest (p. 33) oordeelt daarbij: “6.2 In een arrest van 17 juni 2017 werd [de eiser III] voor een termijn van tien jaar een beroepsverbod opgelegd. Tijdens de incriminatieperiodes in deze zaak was hij officieel werknemer van [W.], maar in werkelijkheid bestuurde hij die zaak. Het hof (van beroep) verwijst naar de verklaringen van [D.] en [V.] en de bevindingen van de onderzoekers in stuk [(…)]. Dit volgt ook uit de eigen verklaring van [de eiser III] dat hij bij [A.] nv een offerte zou hebben aangevraagd voor een paalfreesmachine van 250.000 euro, wat niet compatibel is met zijn voorgehouden hoedanigheid van werknemer. Dat [de eiser III] is vervolgd noch veroordeeld voor een schending van zijn beroepsverbod, belet het hof (van beroep) niet om vast te stellen dat hij feitelijk zaakvoerder bleef. Deze vaststelling is relevant om het aandeel van [de eiser III] in de te last gelegde feiten te bepalen.”
- Eensdeels verklaart het arrest met die redenen de eiser III niet schuldig aan het misdrijf van het overtreden van het hem opgelegde beroepsverbod, maar vermeldt het enkel feitelijke elementen in dat verband. Anderdeels onthullen de appelrechters, door zich uitdrukkelijk uit te spreken over het feitelijk bestuur van de eiser III over de vennootschap W., niet meer informatie over het mogelijk overtreden van dat beroepsverbod door de eiser III dan wat vereist is voor de beoordeling van de schuld van die eiser aan de hem ten laste gelegde feiten. Aldus miskent het arrest het vermoeden van onschuld niet. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser III
- Het middel voert schending aan van de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek: het arrest motiveert niet waarom het aan de eiser de facultatieve bijzondere verbeurdverklaring (hierna verbeurdverklaring) van vermogensvoordelen oplegt.
- Indien de verbeurdverklaring een facultatief karakter heeft, wat het geval is voor wat betreft de verbeurdverklaring van illegale vermogensvoordelen overeenkomstig de artikelen 42, 3° en 43bis, tweede lid, Strafwetboek, dan verplicht artikel 195, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering, dat ingevolge artikel 211 van dat wetboek van toepassing is op de hoven van beroep, de rechter om nauwkeurig de redenen te vermelden waarom hij het opleggen van die bijkomende straf noodzakelijk acht, zij het dat die motivering beknopt mag zijn.
- Het arrest beveelt lastens de eiser III de verbeurdverklaring van illegale vermogensvoordelen voor een bedrag van 30.000,00 euro. Het vermeldt niet, ook niet beknopt, de redenen om deze verbeurdverklaring te bevelen. Het middel is gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de verbeurdverklaring van illegale vermogensvoordelen lastens de eiser III beveelt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers I, II en IV tot de kosten van hun cassatieberoep. Veroordeelt de eiser III tot twee derden van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten van het cassatieberoep III aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bepaalt de kosten in geheel op 544,23 euro, waarvan eiser I 136,05 euro is verschuldigd, eiser II 136,06 euro is verschuldigd, eiser III 136,06 euro is verschuldigd en eiser IV 136,06 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 19 november 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241119.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181002.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260505.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div