← België

P. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 5

- 30 Link Justel databank 19560519-30 Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (C.M.R.) -

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19560519-30 Wet 27 juni 1960 op de toelaatbaarheid van de echtscheiding wanneer ten minste één van de echtgenoten een vreemdeling is - 27-06-1960 - Art. 6 - 30 ELI link Pub nr 1960062709 Wet 27 juni 1960 op de toelaatbaarheid van de echtscheiding wanneer ten minste één van de echtgenoten een vreemdeling is - 27-06-1960 - Art. 8 - 30 ELI link Pub nr 1960062709 Wet 15 juli 2013 betreffende het goederenvervoer over de weg en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de ... - 15-07-2013 - Art. 29, § 1 - 22 ELI link Pub nr 2013014763 Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (C.M.R.) -

Art. 5

- 30 Link Justel databank 19560519-30 Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (C.M.R.) -

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19560519-30 Wet 27 juni 1960 op de toelaatbaarheid van de echtscheiding wanneer ten minste één van de echtgenoten een vreemdeling is - 27-06-1960 - Art. 6 - 30 ELI link Pub nr 1960062709 Wet 15 juli 2013 betreffende het goederenvervoer over de weg en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de ... - 15-07-2013 - Art. 29, § 1 - 22 ELI link Pub nr 2013014763 Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (C.M.R.) -

Art. 5

- 30 Link Justel databank 19560519-30 Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (C.M.R.) -

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19560519-30 Wet 27 juni 1960 op de toelaatbaarheid van de echtscheiding wanneer ten minste één van de echtgenoten een vreemdeling is - 27-06-1960 - Art. 6 - 30 ELI link Pub nr 1960062709 Wet 27 juni 1960 op de toelaatbaarheid van de echtscheiding wanneer ten minste één van de echtgenoten een vreemdeling is - 27-06-1960 - Art. 8 - 30 ELI link Pub nr 1960062709 Wet 15 juli 2013 betreffende het goederenvervoer over de weg en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de ... - 15-07-2013 - Art. 29, § 1 - 22 ELI link Pub nr 2013014763 Fiches 4 - 6 Wanneer de prejudiciële vraag berust op een onjuiste lezing van artikel 29, § 1, Wet Goederenvervoer en er geen redelijke twijfel bestaat over de juiste uitlegging van de artikelen 6 en 8 van de Verordening nr. 11, wordt de prejudiciële vraag niet gesteld. Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (C.M.R.) -

Art. 5

- 30 Link Justel databank 19560519-30 Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (C.M.R.) -

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19560519-30 Wet 27 juni 1960 op de toelaatbaarheid van de echtscheiding wanneer ten minste één van de echtgenoten een vreemdeling is - 27-06-1960 - Art. 6 - 30 ELI link Pub nr 1960062709 Wet 27 juni 1960 op de toelaatbaarheid van de echtscheiding wanneer ten minste één van de echtgenoten een vreemdeling is - 27-06-1960 - Art. 8 - 30 ELI link Pub nr 1960062709 Wet 15 juli 2013 betreffende het goederenvervoer over de weg en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de ... - 15-07-2013 - Art. 29, § 1 - 22 ELI link Pub nr 2013014763 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (C.M.R.) -

Art. 5

- 30 Link Justel databank 19560519-30 Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (C.M.R.) -

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19560519-30 Wet 27 juni 1960 op de toelaatbaarheid van de echtscheiding wanneer ten minste één van de echtgenoten een vreemdeling is - 27-06-1960 - Art. 6 - 30 ELI link Pub nr 1960062709 Wet 27 juni 1960 op de toelaatbaarheid van de echtscheiding wanneer ten minste één van de echtgenoten een vreemdeling is - 27-06-1960 - Art. 8 - 30 ELI link Pub nr 1960062709 Wet 15 juli 2013 betreffende het goederenvervoer over de weg en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de ... - 15-07-2013 - Art. 29, § 1 - 22 ELI link Pub nr 2013014763 Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wettelijke bepalingen: Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (C.M.R.) -

Art. 5

- 30 Link Justel databank 19560519-30 Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (C.M.R.) -

Art. 6

- 30 Link Justel databank 19560519-30 Wet 27 juni 1960 op de toelaatbaarheid van de echtscheiding wanneer ten minste één van de echtgenoten een vreemdeling is - 27-06-1960 - Art. 6 - 30 ELI link Pub nr 1960062709 Wet 27 juni 1960 op de toelaatbaarheid van de echtscheiding wanneer ten minste één van de echtgenoten een vreemdeling is - 27-06-1960 - Art. 8 - 30 ELI link Pub nr 1960062709 Wet 15 juli 2013 betreffende het goederenvervoer over de weg en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de ... - 15-07-2013 - Art. 29, § 1 - 22 ELI link Pub nr 2013014763 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1213.N PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG ANTWERPEN, afdeling Antwerpen, eiser, tegen 1. R. D. R., beklaagde, verweerder, 2. LDH-TRANS bv, met zetel te 9042 Gent (Desteldonk), Korte Mate 4, ON 0472.259.445, beklaagde en burgerlijk aansprakelijke partij, verweerster, beiden met als raadsman mr. Frederik Vanden Bogaerde, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8830 Hooglede, Bruggesteenweg 315, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 14 juni 2024. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep en de memorie 1. De verweerders voeren aan dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is omdat niet duidelijk is of aan de vereisten van de artikelen 427 en 429 Wetboek van Strafvordering is voldaan, nu de eiser zijn memorie pas ter kennis zou hebben gebracht aan de raadsman van de verweerders op 29 augustus 2024. 2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser tijdig zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerders en hen eveneens tijdig zijn memorie ter kennis heeft gebracht, alsook de desbetreffende stukken tijdig ter griffie heeft neergelegd. Het cassatieberoep en de memorie van de eiser zijn derhalve ontvankelijk. Het middel van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen. Middel 3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 29, § 1, van de wet van 15 juli 2013 betreffende het goederenvervoer over de weg en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg (hierna Wet Goederenvervoer): de appelrechters oordelen ten onrechte dat de uitzonderingen van artikel 8 Verordening nr. 11 kunnen vrijstellen van de verplichting om voor elke zending een vrachtbrief op te maken; er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen, eensdeels, het vervoerdocument zoals bedoeld in de Verordening nr. 11 ter uitvoering van artikel 79, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap betreffende de opheffing van discriminaties inzake vrachtprijzen en vervoervoorwaarden (hierna Verordening nr. 11) en, anderdeels, de vrachtbrief zoals bedoeld in het verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (hierna C.M.R.-verdrag); de Verordening nr. 11 en het C.M.R.-verdrag hebben een verschillend toepassingsgebied en een verschillende doelstelling. 4. Artikel 29, § 1, Wet Goederenvervoer bepaalt het volgende: “Voor elke zending dient een vrachtbrief te worden opgemaakt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 5 en 6 van het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, afgekort C.M.R.-Verdrag, ondertekend te Genève op 19 mei 1956, en goedgekeurd bij wet van 4 september 1962, overeenkomstig de door België met het land van inschrijving van het voertuig gesloten akkoorden, alsook overeenkomstig de voorschriften van de verordening nr. 11 van 27 juni 1960 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap ter uitvoering van artikel 79, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap betreffende de opheffing van discriminaties inzake vrachtprijzen en vervoervoorwaarden.” Overtreding van de door dit artikel 29 vastgestelde verplichting een vrachtbrief op te maken, wordt strafbaar gesteld door artikel 41, § 1, 4°, Wet Goederenvervoer. 5. Artikel 5 C.M.R.-verdrag bepaalt het volgende: “1. De vrachtbrief wordt opgemaakt in drie oorspronkelijke exemplaren, ondertekend door de afzender en de vervoerder. Deze ondertekening kan worden gedrukt of vervangen door de stempels van de afzender en de vervoerder, indien de wetgeving van het land, waar de vrachtbrief wordt opgemaakt, zulks toelaat. Het eerste exemplaar wordt overhandigd aan de afzender, het tweede begeleidt de goederen en het derde wordt door de vervoerder behouden. 2. Wanneer de te vervoeren goederen moeten worden geladen in verschillende voertuigen of wanneer het verschillende soorten goederen of afzonderlijke partijen betreft, heeft de afzender of de vervoerder het recht om te eisen, dat er evenzoveel vrachtbrieven worden opgemaakt als er voertuigen moeten worden gebruikt of als er soorten of partijen goederen zijn.” Artikel 6 C.M.R.-verdrag bepaalt het volgende: “1. De vrachtbrief moet de volgende aanduidingen bevatten:

  1. a)de plaats en de datum van het opmaken daarvan;
  2. b)de naam en het adres van de afzender;
  3. c)de naam en het adres van de vervoerder;
  4. d)de plaats en de datum van inontvangstneming der goederen en de plaats bestemd voor de aflevering der goederen;
  5. e)de naam en het adres van de geadresseerde;
  6. f)de gebruikelijke aanduiding van de aard der goederen en de wijze van verpakking en, voor gevaarlijke goederen, hun algemeen erkende benaming;
  7. g)het aantal colli, hun bijzondere merken en hun nummers;
  8. h)het bruto-gewicht of de op andere wijze aangegeven hoeveelheid van de goederen;
  9. i)de op het vervoer betrekking hebbende kosten (vrachtprijs, bijkomende kosten, douane-rechten en andere vanaf de sluiting van de overeenkomst tot aan de aflevering opkomende kosten);
  10. j)de voor het vervullen van douane-en andere formaliteiten nodige instructies;
  11. k)de aanduiding, dat het vervoer, ongeacht enig tegenstrijdig beding, is onderworpen aan de bepalingen van dit Verdrag. 2. Als het geval zich voordoet, moet de vrachtbrief nog de volgende aanduidingen bevatten:
  12. a)het verbod van overlading;
  13. b)de kosten, welke de afzender voor zijn rekening neemt;
  14. c)het bedrag van het bij de aflevering van de goederen te innen remboursement;
  15. d)de gedeclareerde waarde der goederen en het bedrag van het bijzonder belang bij de aflevering;
  16. e)de instructies van de afzender aan de vervoerder voor wat betreft de verzekering der goederen;
  17. f)de overeengekomen termijn, binnen welke het vervoer moet zijn volbracht;
  18. g)de lijst van bescheiden, welke aan de vervoerder zijn overhandigd. 3. De partijen kunnen in de vrachtbrief iedere aanduiding, welke zij nuttig achten, opnemen.” 6. Het C.M.R.-verdrag heeft als doelstelling het standaardiseren van de voorwaarden voor contracten voor internationaal vervoer van goederen over de weg opdat er geen conflicterende regels zijn bij transport tussen verschillende staten. Volgens artikel 9, eerste lid, C.M.R.-verdrag levert de vrachtbrief “volledig bewijs, behoudens tegenbewijs, van de voorwaarden der overeenkomst en van de ontvangst van de goederen door de vervoerder.” 7. Artikel 6 Verordening nr. 11 bepaalt het volgende: “1. Voor ieder vervoer binnen de Gemeenschap wordt een vervoerdocument opgemaakt dat onderstaande gegevens bevat: - naam en adres van de afzender, - aard en gewicht van de goederen, - plaats waar en datum waarop de goederen voor vervoer zijn aangenomen, - plaats van aflevering der goederen. 2. Het vervoerdocument wordt in tweevoud opgemaakt en genummerd. Een exemplaar vergezelt de goederen; het andere exemplaar wordt door de vervoerondernemer gedurende twee jaar na de datum van het vervoer bewaard; het wordt volgens nummer gerangschikt. 3. Indien de bestaande documenten, zoals vrachtbrieven of andere vervoerdocumenten, alle in lid 1 vermelde gegevens bevatten en samen met het registratiesysteem en de boekhouding van de vervoerondernemer een volledige verificatie van de vrachtprijzen en vervoervoorwaarden mogelijk maken, waardoor de in artikel 75, lid 1, van het Verdrag bedoelde discriminaties kunnen worden opgeheven of voorkomen, zijn de vervoerondernemers niet verplicht nieuwe documenten in gebruik te nemen. 4. De vervoerondernemer is er verantwoordelijk voor dat de vervoerdocumenten regelmatig worden opgemaakt.” Artikel 8 Verordening nr. 11 bepaalt het volgende: “De bepalingen van artikel 6 zijn niet van toepassing:
  19. a)op het vervoer van goederen welke door een afzender aan een zelfde geadresseerde worden verzonden, wanneer het totaalgewicht van de goederen vijf ton niet te boven gaat;
  20. b)op het vervoer van goederen binnen een Lid-Staat, wanneer het totale traject honderd kilometer niet te boven gaat;
  21. c)op het vervoer van goederen tussen de Lid-Staten, wanneer het totale traject dertig kilometer niet te boven gaat.” 8. De Verordening nr. 11 heeft volgens haar overwegingen als doel om het mogelijk te maken de toegepaste prijzen en vervoervoorwaarden te controleren en de eventuele discriminaties op te sporen. 9. Uit de wordingsgeschiedenissen van het C.M.R.-verdrag en de Verordening nr. 11, hun afzonderlijke doelstellingen en de verschillende vormelijke en inhoudelijke vereisten voor de vrachtbrief zoals bedoeld in het C.M.R.-verdrag en het vervoerdocument zoals bedoeld in de Verordening nr. 11, volgt dat dit twee te onderscheiden documenten zijn. 10. Artikel 29, § 1, Wet Goederenvervoer verplicht in beginsel voor elke zending beide documenten op te maken. Dat artikel verwijst immers uitdrukkelijk zowel naar de bepalingen van het C.M.R.-verdrag als naar de voorschriften van de Verordening nr. 11, die beiden moeten worden nageleefd. Dat artikel 29, § 1, Wet Goederenvervoer enkel het woord “vrachtbrief” vermeldt en niet het woord “vervoerdocument”, doet aan het voorgaande geen afbreuk. De vervoerondernemers kunnen weliswaar onder de voorwaarden van artikel 6.3 Verordening nr. 11 volstaan met bestaande vrachtbrieven, zonder dat zij nieuwe documenten moeten in gebruik nemen om aan de verplichtingen van de verordening te voldoen. 11. Hieruit volgt dat aan de verplichting van artikel 29, § 1, Wet Goederenvervoer om voor elke zending een vrachtbrief zoals bedoeld in het C.M.R.-verdrag op te maken, moet worden voldaan, ook wanneer geen vervoerdocument moet worden opgemaakt in de gevallen vermeld in artikel 8 Verordening nr. 11. 12. De verweerders voeren aan dat aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende prejudiciële vraag moet worden gesteld: “Verhindert de regelgeving zoals voorzien onder art. 8 en 6 van de Europese Verordening nr. 11, een nationale wetgeving waarbij een vrachtbrief dient te worden voorzien zijn bij wegvervoer in die gevallen dat een vrijstelling is voorzien in art. 8 van de Europese Verordening nr. 11 ?” 13. Aangezien de prejudiciële vraag berust op een onjuiste lezing van artikel 29, § 1, Wet Goederenvervoer en er geen redelijke twijfel bestaat over de juiste uitlegging van de artikelen 6 en 8 van de Verordening nr. 11, wordt de prejudiciële vraag niet gesteld. 14. Het bestreden vonnis (p. 5-6) kan de verweerder 1 bijgevolg niet vrijspreken voor de telastlegging A en de verweerster 2 niet vrijspreken voor de telastlegging C, op grond van de overweging dat in deze zaak omwille van een uitzonderingsbepaling opgenomen in artikel 8 Verordening nr. 11 geen C.M.R.-vrachtbrief diende te worden opgemaakt. Het middel is gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige 15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis, behoudens in zoverre dat dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart en de saisine van het appelgerecht bepaalt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Laat een tiende van de kosten ten laste van de Staat. Houdt de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Correctionele Rechtbank Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 213,15 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 19 november 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241119.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.