Obsah (7)
Art. 1165Art. 1208Art. 1281Art. 1285Art. 1249Art. 1250Art. 1251id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 1165
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1208
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1281
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1285
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - OVEREENKOMSTEN. REGRES - Algemeen Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1165
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1208
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1281
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1285
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: AFSTAND VAN RECHT Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1165
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1208
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1281
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1285
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: DADING Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1165
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1208
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1281
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1285
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: HOOFDELIJKHEID Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1165
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1208
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1281
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1285
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: SCHULDVERNIEUWING Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1165
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1208
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1281
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1285
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 7 - 11 Bij een betaling met subrogatie treedt de derde ten belope van zijn betaling in de rechten van de oorspronkelijke schuldeiser tegen diens schuldenaar; hieruit volgt dat de subrogatie niet alleen beperkt is tot het bedrag dat de derde aan de oorspronkelijke schuldeiser heeft betaald, maar ook tot het bedrag waartoe de oorspronkelijke schuldeiser, in wiens rechten de derde is getreden, zijn schuldenaar kan aanspreken
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1249
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1250
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1251
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - OVEREENKOMSTEN. REGRES - Algemeen Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1249
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1250
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1251
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: BURGERRECHTELIJK AANSPRAKELIJKE PARTIJ Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1249
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1250
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1251
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: HOOFDELIJKHEID Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1249
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1250
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1251
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: INDEPLAATSSTELLING Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1249
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1250
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1251- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr.
P.24.1168.N I Y. B., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen
- B. D., burgerlijke partij,
- V. B., burgerlijke partij,
- O. B., burgerlijke partij,
- P. B., burgerlijke partij,
- BNP PARIBAS FORTIS nv, met zetel te 1000 Brussel, Warandeberg 3, ON 0403.199.702, burgerlijke partij,
- F. S., burgerlijke partij, verweerders, II BNP PARIBAS FORTIS nv, reeds vermeld, burgerrechtelijk aansprakelijke partij, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
- B. D., reeds vermeld, burgerlijke partij,
- P. B., reeds vermeld, burgerlijke partij,
- O. B., reeds vermeld, burgerlijke partij,
- V. B., reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 26 juni
- De eiser I doet afstand van zijn cassatieberoep in zoverre gericht tegen de beslissing over de burgerlijke vordering van de verweerder I.6 en dit geen eindbeslissing bevat, als bedoeld door artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiseres II doet afstand van haar cassatieberoep. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van de eiser I Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 1165, 1200, 1203, 1208, 1211, 1213, 1214, 1281, 1285 en 2051 oud Burgerlijk Wetboek, de artikelen 5.64, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel inzake hoofdelijkheid: de appelrechters veroordelen de eiser I ten onrechte tot het vergoeden van de volledige schade van de verweerders I.1-4, verminderd met de bedragen die M.D. op grond van een dading, gesloten met de verweerders I.1-4 heeft betaald; zij oordelen ten onrechte dat deze dading, die een schuldvernieuwing inhoudt, de eiser I niet bevrijdt; tevens houden zij bij het bepalen van de omvang van de door de eiser I te betalen vergoeding enkel rekening met de door M.D. effectief betaalde bedragen en niet met het volledige aandeel van M.D. in deze schade; eveneens ten onrechte oordelen de appelrechters dat de eiser I geen rechten kan putten uit de voormelde dading, alsook dat deze dading niet raakt aan de verhaalsrechten van de eiser I tegenover de medebeklaagden; met dit laatste oordeel miskennen zij de bewijskracht van de dading; ten slotte bevat het arrest een tegenstrijdige motivering in zoverre de appelrechters enerzijds vaststellen dat de eiser I en M.D. hoofdelijke schuldenaars zijn en anderzijds M.D. niet hoofdelijk met de eiser I veroordelen.
- Artikel 1165 oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat overeenkomsten alleen gevolgen teweeg brengen tussen de contracterende partijen en aan derden geen nadeel toebrengen. Krachtens artikel 1208 oud Burgerlijk Wetboek kan een hoofdelijke medeschuldenaar die door de schuldeiser wordt vervolgd, alle excepties inroepen die uit de aard van de verbintenis voortvloeien en al die hem eigen zijn, alsook die aan alle medeschuldenaars gemeen zijn. Hij kan de excepties niet inroepen die aan de persoon van sommige medeschuldenaars eigen zijn. Krachtens artikel 1281 oud Burgerlijk Wetboek zijn door schuldvernieuwing tussen de schuldeiser en een van de hoofdelijke schuldenaars tot stand gekomen, de medeschuldenaars bevrijd. Wanneer echter de schuldeiser de toetreding van de medeschuldenaars heeft geëist, blijft de oude schuldvordering bestaan indien de medeschuldenaars weigeren tot de nieuwe schikking toe te treden. Artikel 1285 oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een kwijtschelding van schuld of ontslag bij overeenkomst ten voordele van een van de hoofdelijke medeschuldenaars gedaan, al de overigen bevrijdt, tenzij de schuldeiser uitdrukkelijk zijn rechten tegenover hen heeft voorbehouden. In dit laatste geval kan hij de schuld niet invorderen dan na aftrek van het aandeel van degene aan wie hij kwijtschelding heeft verleend.
- Uit deze bepalingen en hun onderlinge samenhang volgt dat een schuldvernieuwing overeengekomen in een dading tussen de schuldeiser en een van de hoofdelijk gehouden schuldenaars, evenmin als een kwijtschelding van schuld, de rechtspositie van de overige medeschuldenaars kan verzwaren. Een schuldvernieuwing vormt een grond van tenietgaan van de schuld die in de regel door de medeschuldenaars kan worden ingeroepen. Indien de schuldeiser in deze dading zijn rechten tegenover de overige medeschuldenaars uitdrukkelijk heeft voorbehouden, blijven deze medeschuldenaars evenwel hoofdelijk gehouden tot betaling van de schuld, maar wel onder aftrek van het aandeel in de schuld van de schuldenaar met wie de schuldeiser de schuldvernieuwing in de dading is overeengekomen.
- De appelrechters oordelen dat: - de eiser I en M.D. ingevolge hun gemeenschappelijke fouten hoofdelijk gehouden zijn voor de schade voortkomend uit de feiten van de telastleggingen A, B.3, B.4 en B.5; - de eiser I, M.D. en N.S. ingevolge hun gemeenschappelijke fouten hoofdelijk gehouden zijn voor de schade voortkomend uit de feiten van de telastleggingen B.1 en C.2; - de eiser I en M.D. in gelijke mate hebben bijgedragen tot de totstandkoming van de schade ingevolge de door hen gepleegde oplichtingen en misbruik van vertrouwen; - N.S. door haar foutief gedrag ook heeft bijgedragen aan de totstandkoming van de schade veroorzaakt door de feiten van de telastleggingen B.1 en C.2; - de verweerders I.1-4 op 20 mei 2021 een dading hebben gesloten met M.D., met de gemeenschappelijke bedoeling om hun rechtsbanden te vernieuwen, zodat er sprake is van een schuldvernieuwing; - de verweerders I.1-4 in de dading uitdrukkelijk hun rechten tegenover de overige medeschuldenaars van M.D. hebben voorbehouden.
- De appelrechters die vervolgens oordelen dat de dading enkel een persoonlijk verweer biedt aan M.D. en dat de medeschuldenaars van M.D., waaronder de eiser I, hoofdelijk gehouden blijven tot betaling van de gehele schuld, verminderd met de betalingen gedaan door M.D. in uitvoering van de dading, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is in zoverre gegrond. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 1249, 1250, 1251, 1382 en 1384, derde lid, oud Burgerlijk Wetboek en artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek: de appelrechters veroordelen de eiser I tot het betalen van een som van 1.250.000,00 euro aan de verweerster I.5, als gesubrogeerde in de rechten van de verweerder I.6, hoewel de schade van deze partij voorlopig slechts is vastgesteld op een definitief bedrag van 589.119,00 euro en een provisioneel bedrag van 100.000,00 euro; deze motieven zijn tegenstrijdig; bovendien wordt aan de verweerster I.5 ten onrechte een definitief bedrag toegekend waarvan nog niet vaststaat of de verweerder I.6, in wiens rechten zij is getreden, hierop wel aanspraak kan maken ten aanzien van de eiser I.
- Bij een betaling met subrogatie treedt de derde ten belope van zijn betaling in de rechten van de oorspronkelijke schuldeiser tegen diens schuldenaar. Hieruit volgt dat de subrogatie niet alleen beperkt is tot het bedrag dat de derde aan de oorspronkelijke schuldeiser heeft betaald, maar ook tot het bedrag waartoe de oorspronkelijke schuldeiser, in wiens rechten de derde is getreden, zijn schuldenaar kan aanspreken.
- De appelrechters oordelen dat: - de verweerder I.6 op 22 oktober 2019 een dading heeft gesloten met de verweerster I.5 ingevolge waarvan hij een bedrag van 1.250.000,00 euro heeft ontvangen; - de verweerster I.5 rechtsgeldig is gesubrogeerd in de rechten van de verweerder I.6 ten belope van 1.250.000,00 euro; - de eiser I, M.D. en N.S. hoofdelijk gehouden zijn tot betaling aan de verweerder I.6 van
(1)een materiële schadevergoeding van 584.119,00 euro, ingevolge verloren liquiditeiten, meer de vergoedende interest aan de wettelijke rentevoet,
(2)een provisionele materiële schadevergoeding van 100.000,00 euro ingevolge verloren effecten, en
(3)een morele schadevergoeding van 5.000,00 euro, meer de vergoedende interest aan de wettelijke rentevoet; - de betaling van een bedrag van 1.250.000,00 euro in mindering wordt gebracht van de aan de verweerder I.6 toegekende schadevergoeding.
- De appelrechters die de vordering van de verweerster I.5 tegen de eiser I tot betaling van een bedrag van 1.250.000,00 euro gegrond verklaren, hoewel nog niet met zekerheid vaststaat dat de verweerder I.6, in wiens rechten de verweerster I.5 is getreden, de eiser I kan aanspreken tot betaling van dat bedrag, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is in zoverre gegrond. Overige grieven
- De overige grieven die niet kunnen leiden tot een ruimere cassatie, behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep I, zoals vermeld, alsook van het cassatieberoep II. Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de burgerlijke vorderingen van de verweerders I.1, I.2, I.3, I.4 en I.
- Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep I voor het overige. Veroordeelt de eiseres II tot de kosten van haar cassatieberoep. Veroordeelt de eiser I tot een zesde van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die beslissing over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, anders samengesteld. Bepaalt de kosten in het geheel op 1757,81 euro, waarvan de eiser I 300,36 euro is verschuldigd en de eiseres II 261,86 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 26 november 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241126.2N.20 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241126.2N.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div