← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241126.2N.23 Rolnummer: P.24.1476.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-11-29 Raadplegingen: 483 - laatst gezien 2026-06-15 03:33 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De behandelende geneesheer als bedoeld door artikel 74, § 1, tweede lid, Wet Strafuitvoering is de geneesheer die instaat voor de medische zorg voor de in een bepaalde instelling opgesloten personen; het gegeven dat die geneesheer in zijn advies aangeeft dat hij het advies van een geneesheer-specialist noodzakelijk acht, heeft niet tot gevolg dat hij geen behandelende geneesheer is als bedoeld door artikel 74, § 1, tweede lid, Wet Strafuitvoering; uit die bepaling volgt niet dat de behandelende geneesheer in zijn advies uitdrukkelijk moet aangeven of de detentie van een gedetineerde al dan niet verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand; het staat immers aan de strafuitvoeringsrechter om op basis van de drie door artikel 74, § 1, Wet Strafuitvoering bedoelde adviezen en het desgevallend door de gedetineerde bijgebrachte advies die beoordeling te maken. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 74, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - UITOEFENING VAN DE GENEESKUNDE Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 74, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1476.N F. D. G., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 23 oktober 2024, gewezen op verwijzing bij arrest van het Hof van 20 augustus

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 72 en 74 Wet Strafuitvoering: de strafuitvoeringsrechter heeft eisers verzoek om de voorlopige invrijheidstelling wegens medische redenen afgewezen, terwijl hij niet de beschikking had over het advies van de geneesheer die de eiser in de penitentiaire inrichting behandelt en die niet over de nodige deskundigheid beschikt om zich over eisers gezondheidstoestand uit te spreken; in het attest van 5 september 2024 geeft dr. D.H. zelf aan dat hij de eiser nauwelijks kent, zodat hij niet de behandelende geneesheer van de eiser kan zijn; in dat attest wordt ook aangegeven dat het oordeel van een cardioloog nodig is, zodat dit niet kan worden beschouwd als een advies over de gezondheidstoestand van de eiser; in het attest van 27 september 2024 van dr. D.H. wordt eveneens gesteld dat het advies van een cardioloog nodig is; ook uit dit attest kan niet worden afgeleid dat dr. D.H. de behandelende geneesheer is van de eiser en het kan evenmin worden beschouwd als een advies over de gezondheidstoestand van de eiser.
  3. Artikel 72 Wet Strafuitvoering bepaalt dat de strafuitvoeringsrechter aan de veroordeelde bij wie is vastgesteld dat hij zich in de terminale fase van een ongeneeslijke ziekte bevindt of bij wie is vastgesteld dat zijn detentie onverenigbaar is met zijn gezondheidstoestand een voorlopige invrijheidstelling om medische redenen kan toekennen.
  4. Artikel 74, § 1, Wet Strafuitvoering bepaalt dat een voorlopige invrijheidstelling om medische redenen op schriftelijk verzoek van de veroordeelde of zijn vertegenwoordiger door de strafuitvoeringsrechter kan worden toegekend na een met redenen omkleed advies van de directeur. Dit advies moet vergezeld zijn van dat van de behandelende geneesheer, van de leidende ambtenaar-geneesheer van de Penitentiaire Gezondheidsdienst en in voorkomend geval van de door de veroordeelde gekozen geneesheer.
  5. De behandelende geneesheer als bedoeld door artikel 74, § 1, tweede lid, Wet Strafuitvoering is de geneesheer die instaat voor de medische zorg voor de in een bepaalde instelling opgesloten personen. Het gegeven dat die geneesheer in zijn advies aangeeft dat hij het advies van een geneesheer-specialist noodzakelijk acht, heeft niet tot gevolg dat hij geen behandelende geneesheer is als bedoeld door artikel 74, § 1, tweede lid, Wet Strafuitvoering.
  6. Uit die bepaling volgt niet dat de behandelende geneesheer in zijn advies uitdrukkelijk moet aangeven of de detentie van een gedetineerde al dan niet verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand. Het staat immers aan de strafuitvoeringsrechter om op basis van de drie door artikel 74, § 1, Wet Strafuitvoering bedoelde adviezen en het desgevallend door de gedetineerde bijgebrachte advies die beoordeling te maken.
  7. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  8. Het attest van dr. D.H. van 27 september 2024 vermeldt onder meer: “Dienst Gezondheidszorg van PC Brugge. Lege Weg
  9. 8200 St.-Andries-[B]rugge, Aan SURB (…) Geachte, hoog cardiovasculair risico maar niet palliatief. Vnl. oordeel van cardioloog nodig! Gaat regelmatig op UV en komt goed over (…)”. Dit attest bevat bijgevolg wel de informatie vanwege de behandelende geneesheer opdat de strafuitvoeringsrechter kan oordelen of voldaan is aan de in artikel 72 Wet Strafuitvoering bepaalde voorwaarden voor een voorlopige invrijheidstelling om medische redenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  10. Het bestreden vonnis is niet gesteund op het attest van dr. D.H. van 5 september
  11. In zoverre de kritiek van het middel betrekking heeft op dit attest, kan het niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
  12. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het evenmin ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 72 en 74 Wet Strafuitvoering: het bestreden vonnis is tegenstrijdig gemotiveerd; met het vonnis van 25 september 2024 werd enerzijds geoordeeld dat de strafuitvoeringsrechter met het advies van dr. D.H. niet beschikt over het advies van een geneesheer die de eiser behandelt in de penitentiaire instelling, bewoordingen die worden overgenomen in het bestreden vonnis; het bestreden vonnis oordeelt anderzijds dat de strafuitvoeringsrechter met het advies van dr. D.H. wel beschikt over een advies van de geneesheer die de eiser behandelt in de penitentiaire instelling; die tegenstrijdigheid is gelijk te stellen met een afwezigheid van motivering.
  14. Er is sprake van een tegenstrijdigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek in de zin van artikel 149 Grondwet indien redenen of beschikkingen van eenzelfde rechterlijke beslissing elkaar opheffen of teniet doen.
  15. De met het vonnis van 25 september 2024 gemaakte beoordeling had betrekking op het attest van 5 september 2024, terwijl de met het bestreden vonnis gemaakte beoordeling betrekking heeft op het attest van 27 september
  16. De aan het bestreden vonnis verweten tegenstrijdigheid bestaat dan ook niet. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 72 en 74 Wet Strafuitvoering en de artikelen 8.1, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat uit het attest van 27 september 2024 van dr. D.H. niet blijkt dat de toestand van de eiser onverenigbaar is met een verblijf in de gevangenis miskent het bestreden vonnis de bewijskracht van dit attest; de geneesheer verstrekt in dat attest geen advies over de verenigbaarheid van de detentie met de gezondheidstoestand van de eiser, maar hij wijst integendeel op het hoog cardiovasculair risico en verzoekt om het oordeel van een cardioloog.
  18. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. Indien de rechter van een geschrift geen uitlegging geeft, maar er louter een gevolg uit afleidt, miskent hij de bewijskracht van die akte niet.
  19. Het bestreden vonnis geeft van het attest van 27 september 2024 geen uitlegging, maar leidt er enkel een gevolg uit af. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 26 november 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241126.2N.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.