id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241126.2N.27 Rolnummer: P.24.1489.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2024-11-29 Raadplegingen: 552 - laatst gezien 2026-06-18 19:30 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Artikel 67, § 1, derde lid, Interneringswet bepaalt dat één maand voor het einde van de proeftijd de kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist over de definitieve invrijheidstelling; deze bepaling voorziet niet in een sanctie indien die termijn waarbinnen die kamer uitspraak moet doen over de definitieve invrijheidstelling niet is gerespecteerd; het louter verstrijken van deze termijn heeft niet tot gevolg dat die kamer haar bevoegdheid verliest om uitspraak te doen over een definitieve invrijheidstelling
(1)Cass. 17 januari 2023, AR P.22.1758.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230117.2N.8, AC 2023, nr. 48, met concl. OM, NC 2023, 405; K. HANOUILLE, “Invrijheidstelling van de geïnterneerde persoon: meer dan termijnen en adviezen”, RABG 2023, 1627-1631; R. CASSIERS, Strafuitvoeringsrechtbank, APR 2024, nr.
- Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 67, § 1, derde lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: GEESTESZIEKE Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 67, § 1, derde lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1489.N P. D. W., geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Michiel Van Kelecom, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 29 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 67, § 1, derde lid, Interneringswet: het vonnis van de kamer voor de bescherming van de maatschappij (hierna de kamer) waarbij de proeftijd werd verlengd, is niet gewezen meer dan één maand voor het einde van de proeftijd zoals die werd verlengd bij vonnis van 24 oktober
- Artikel 67, § 1, derde lid, Interneringswet bepaalt dat één maand voor het einde van de proeftijd de kamer beslist over de definitieve invrijheidstelling.
- Deze bepaling voorziet niet in een sanctie indien die termijn waarbinnen de kamer uitspraak moet doen over de definitieve invrijheidstelling niet is gerespecteerd. Het louter verstrijken van deze termijn heeft niet tot gevolg dat de kamer haar bevoegdheid verliest om uitspraak te doen over een definitieve invrijheidstelling. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 66 Interneringswet: het vonnis verleent geen definitieve invrijheidstelling maar laat na vast te stellen dat eisers geestesstoornis onvoldoende is gestabiliseerd; de noodzaak van een verder toezicht kan die beslissing niet verantwoorden.
- Volgens artikel 66 Interneringswet kan de definitieve invrijheidstelling worden toegekend aan een geïnterneerde bij het verstrijken van de proeftermijn én op voorwaarde dat de geestesstoornis voldoende is gestabiliseerd, zodat redelijkerwijze niet te vrezen valt dat de geïnterneerde, al dan niet ten gevolge van zijn geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven zal plegen.
- Uit die bepaling volgt dat een definitieve invrijheidstelling slechts kan worden toegekend indien de geestesstoornis zodanig is gestabiliseerd dat redelijkerwijze mag worden aangenomen dat de betrokkene geen door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven zal plegen.
- Het vonnis oordeelt niet enkel zoals het onderdeel aanvoert, maar ook dat rekening wordt gehouden met de ernstige psychiatrische problematiek van de eiser, de zwaarwichtigheid van de feiten en het herval in zedendelicten die hij pleegde ondanks een gespecialiseerd behandeltraject en na een definitieve invrijheidstelling in
- Het leidt daaruit af dat verder toezicht noodzakelijk is om recidive te voorkomen. Aldus oordeelt het vonnis dat eisers geestesstoornis niet zodanig is gestabiliseerd dat redelijkerwijze mag worden aangenomen dat de betrokkene geen door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven zal plegen en verantwoordt het de beslissing van niet-toekenning van een definitieve invrijheidstelling naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het is tegenstrijdig, enerzijds, te oordelen dat de invrijheidstelling op proef een gunstig verloop kent, de eiser zich aan de voorwaarden houdt, hij stabiliteit heeft gevonden en hij een gespecialiseerde behandeling op positieve wijze heeft afgerond, wat betekent dat aan de toepassingsvoorwaarden voor een definitieve invrijheidstelling is voldaan, en, anderzijds, de definitieve invrijheidstelling af te wijzen.
- Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt uit de enkele vaststelling dat de invrijheidstelling op proef een gunstig verloop kent, de eiser zich aan de voorwaarden houdt, hij stabiliteit heeft gevonden en hij een gespecialiseerde behandeling op positieve wijze heeft afgerond, niet dat hij voldoet aan de toepassingsvoorwaarden voor een definitieve invrijheidstelling. De aangevoerde tegenstrijdigheid bestaat dan ook niet. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het vonnis verzoekt het justitiehuis een risicotaxatie uit te voeren, terwijl het verslag van de justitieassistente reeds een door een gespecialiseerde dienst uitgevoerde risicotaxatie bevat met twee testings; dit wijst erop dat het vonnis de bewijskracht van die risicotaxatie miskent; er wordt immers nagelaten dit dossierstuk te betrekken bij de beoordeling.
- De rechter miskent de bewijskracht van een geschrift indien hij van dit geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan.
- Het vonnis verwijst voor het bekritiseerde oordeel niet naar het verslag van de justitieassistente en de daarin opgenomen risicotaxatie. Het kan dan ook de bewijskracht van dit geschrift niet miskennen. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 26 november 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241126.2N.27 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230117.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div