← België

B. contra E.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 162bis

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 194

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 162bis

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 194

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 162bis

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 194

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.23.1376.N E. B., burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Steven Van De Kerkhof, advocaat bij de balie Leuven, tegen

  1. BELFIUS VERZEKERINGEN nv, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Karel Rogierplein 11, ON 0405.764.064, vrijwillig tussengekomen partij, verweerster,
  2. C. E., beklaagde, verweerder, beiden met als raadsman mr. Toon Muysewinkel, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Leuven van 14 september
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser doet afstand van zijn cassatieberoep in zoverre het bestreden vonnis geen eindbeslissingen bevat als bedoeld door artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Afstand
  4. Het bestreden vonnis bevestigt het beroepen vonnis wat betreft de afwijzing van eisers vordering tot schadevergoeding wegens inkomstenverlies ten gevolge van het overlijden van zijn partner, veroordeelt de verweerders in solidum tot het betalen van een definitieve en een provisionele schadevergoeding aan de eiser, bevestigt wat betreft de tijdelijke of blijvende ongeschiktheid van de eiser en de morele schade het bevolen deskundigenonderzoek alsook de beslissing tot het aanhouden van de kosten van de procedure in eerste aanleg, en verwijst de zaak terug naar de eerste rechter voor verdere afhandeling van de burgerlijke belangen.
  5. Ondanks het oordeel van de appelrechters dat het een eindvonnis betreft, zijn deze beslissingen geen eindbeslissingen in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, noch beslissingen als bedoeld in het tweede lid van die bepaling. In zoverre het cassatieberoep tegen deze beslissingen is gericht, wordt de afstand verleend.
  6. De appelrechters veroordelen de eiser tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding van 1.500,00 euro aan elk van de verweerders.
  7. Deze beslissing die een kostenbeslissing betreft, is een eindbeslissing waartegen onmiddellijk cassatieberoep mogelijk is. In zoverre het cassatieberoep tegen deze beslissing is gericht, wordt de afstand niet verleend. Eerste en tweede middel
  8. De middelen die betrekking hebben op een beslissing waarvoor de afstand wordt verleend, behoeven geen antwoord. Derde middel
  9. Het middel voert schending aan van de artikelen 162bis, 194 en 211 Wetboek van Strafvordering en artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek: het bestreden vonnis veroordeelt de eiser ten onrechte tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding aan elk van de verweerders; niet de eiser, maar de verweerders zijn de in het ongelijk gestelde partijen.
  10. Krachtens de artikelen 162bis, eerste lid, 194 en 211 Wetboek van Strafvordering veroordeelt ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, hen tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek. Hieruit volgt dat een burgerlijke partij in hoger beroep recht heeft op een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de beklaagde en de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, zodra zij ten aanzien van deze partij zijn veroordeeld tot een schadevergoeding, veroorzaakt door het misdrijf waaraan de beklaagde schuldig is verklaard.
  11. De appelrechters bevestigen het beroepen vonnis, binnen de perken van het hoger beroep, op burgerlijk gebied, waarbij zij de door de verweerders in solidum aan de eiser te betalen schadevergoeding bepalen op 63.258,62 euro, vermeerderd met de vergoedende en de gerechtelijke interest. Zij bevestigen voor het overige het beroepen vonnis met inbegrip van de toegekende provisionele schadevergoeding en het bevolen deskundigenonderzoek. De appelrechters die vervolgens de eiser veroordelen tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van 1.500,00 euro aan elk van de verweerders omdat de eiser voor de definitief beoordeelde punten de in het ongelijk gestelde partij is, niettegenstaande de verweerders in solidum worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan de eiser, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Verleent aan de eiser akte van de afstand van zijn cassatieberoep in zoverre gericht tegen de beslissingen op de burgerlijke vordering. Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiser veroordeelt tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding van 1.500,00 euro aan elk van de verweerders. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die beslissing over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Leuven, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 26 november 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241126.2N.29 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091125.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130508.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190227.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191030.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211013.2F.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.