← België

K.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241126.2N.33 Rolnummer: P.24.1556.N Zaak: K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2024-11-29 Raadplegingen: 558 - laatst gezien 2026-06-15 03:33 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Het arrest van handhaving van de voorlopige hechtenis dat voor het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld en de volstrekte noodzaak van de voorlopige hechtenis voor de openbare veiligheid verwijst naar redenen van eerdere beslissingen tot handhaving in dezelfde zaak, is niet naar recht verantwoord wanneer in één van die eerdere beslissingen integraal en zonder enig voorbehoud de beweegredenen worden overgenomen van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie die onverenigbaar zijn met het vermoeden van onschuld , zoals de overweging dat de verdachte of beklaagde zich bezighield met witwassen van criminele winsten of valse documenten opstelde. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1556.N B. K., beklaagde, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 14 november

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  2. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 14.2 IVBPR en artikel 48.1 Handvest Grondrechten EU, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: het bestreden arrest neemt de redenen over van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 9 augustus 2022; met dit arrest nam de kamer van inbeschuldigingstelling de redenen over van de bijgevoegde vordering van het federaal parket; aldus neemt het bestreden arrest zonder enig voorbehoud of toevoeging van de noodzaak tot voorwaardelijke lezing ook de redenen over van die vordering en grondt dit het bestaan van gevaar voor de openbare veiligheid op het feit dat de eiser binnen de criminele organisatie criminele gelden witwast, valse stukken opstelt en bij een invrijheidstelling opnieuw tot het verhandelen van crimineel geld voor de criminele organisatie zal overgaan; aldus miskent het bestreden arrest het vermoeden van onschuld omdat het zich uitspreekt over de schuld van de eiser aan de hem ten laste gelegde feiten.
  3. Het bestreden arrest (p. 8, eerste alinea) oordeelt dat de aard en de bijzondere ernst van de ten laste gelegde feiten, zoals die werden beschreven, en zoals daartoe schuldaanwijzingen bestaan, bij de eiser wijzen op een gevaarlijke ingesteldheid die de verdere vrijheidsberoving volstrekt noodzakelijk maakt voor de openbare veiligheid. Het bestreden arrest (p. 8, derde alinea) verwijst ter staving van dit oordeel onder meer naar het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 9 augustus 2022, gewezen in het kader van de voorlopige hechtenis, waarvan het de motieven, die het nog steeds actueel acht, overneemt. De kamer van inbeschuldigingstelling neemt met het arrest van 9 augustus 2024 (p. 29) integraal en zonder enig voorbehoud de beweegredenen van de eraan gehechte schriftelijke vordering van het openbaar ministerie over. Derhalve oordeelt het bestreden arrest dat de eiser: - de boekhouding van de criminele organisatie bijhield (schriftelijke vordering federaal parket, p. 17 en p. 19); - de criminele winsten wit waste door ervoor te zorgen dat privé-uitgaven of investeringen van andere betrokken personen de schijn meekregen van legaliteit (schriftelijke vordering federaal parket, p. 20); - bezig was met het verhandelen van de criminele gelden en hiervoor overal in de wereld contacten had met tal van personen (schriftelijke vordering federaal parket, p. 28); - valse documenten opstelde zodat de leden van de criminele organisatie konden reizen (schriftelijke vordering federaal parket, p. 28); - zich reeds jaren in het crimineel milieu bewoog en kennis had van hun investeringen, hun aankopen en de plaats waar hun winsten naartoe gingen (schriftelijke vordering federaal parket, p. 28); - bij een invrijheidstelling terug zal doen waar hij goed in is, met name het traden van crimineel geld, waardoor de criminele organisatie nog meer winsten kan genereren (schriftelijke vordering federaal parket, p. 28). Met die redenen miskent het bestreden arrest eisers vermoeden van onschuld. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven
  4. De grieven die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  5. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het arrest behoudens in zoverre dit het hoger beroep van het openbaar ministerie ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot een tiende van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 154,17 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 26 november 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241126.2N.33 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.