← België

C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241126.2N.35 Vervangt nummer: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241119.2N.24 Rolnummer: P.24.1513.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-12-23 Raadplegingen: 325 - laatst gezien 2026-06-17 04:32 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Het onderzoeksgerecht dat de handhaving beveelt van de voorlopige hechtenis van een inverdenkinggestelde, dient het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van die laatste vast te stellen maar het komt het onderzoeksgerecht naar aanleiding van die beoordeling niet toe om te oordelen over het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van andere personen die bij de feiten betrokken zouden kunnen zijn geweest; het onderzoeksgerecht is dan ook niet ertoe gehouden om te antwoorden op de conclusies van een inverdenkinggestelde in zoverre daarin niet het bestaan wordt betwist van ernstige schuldaanwijzingen in hoofde van hemzelf, maar louter wordt gewezen op het bestaan van ernstige schuldaanwijzingen in hoofde van potentiële andere betrokkenen. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 5, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 5, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 5, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1513.N D. C., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 7 november 2024. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert miskenning aan van de motiveringsplicht: het oordeel dat er ernstige aanwijzingen van schuld voorhanden zijn en dat de voorlopige hechtenis van de eiser in de gevangenis moet worden gehandhaafd, is niet regelmatig met redenen omkleed; de appelrechters antwoorden aldus niet op de appelconclusie van de eiser, waarin hij heeft gewezen op ernstige aanwijzingen van schuld ten laste van andere personen; de appelrechters konden zich niet beperken tot de overweging dat de omstandigheid dat andere personen mogelijks bij de feiten betrokken zouden kunnen zijn, niets afdoet aan de ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van de eiser, maar dienden in het licht van eisers verweer te motiveren waarom de voorlopige hechtenis van de eiser moet worden gehandhaafd, gelet op het vermoeden van onschuld waarvan de eiser geniet; de appelrechters verwijzen ook naar de resultaten van de lijkschouwing zonder rekening te houden met de conclusies van de deskundigen in het kader van de reconstructie, met name met betrekking tot de mogelijkheid dat het slachtoffer had kunnen overleven wanneer tijdig de nodige medische hulp voorhanden zou zijn geweest. 2. Het in artikel 16, § 5, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalde vereiste van het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld houdt in dat er gegevens voorhanden moeten zijn die een objectieve waarnemer ervan zouden overtuigen dat de inverdenkinggestelde mogelijks een strafbaar feit heeft gepleegd. Of dergelijke gegevens voorhanden zijn, wordt beoordeeld door de rechter aan de hand van de omstandigheden van de zaak. 3. Uit de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet volgt dat de kamer van inbeschuldigingstelling moet antwoorden op de conclusie van een inverdenkinggestelde en dat, indien in een conclusie het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld wordt betwist onder vermelding van feitelijke gegevens, de kamer van inbeschuldigingstelling, ingeval van handhaving van voorlopige hechtenis, moet preciseren welke gegevens dergelijke aanwijzingen van schuld uitmaken. 4. Het onderzoeksgerecht dat de handhaving beveelt van de voorlopige hechtenis van een inverdenkinggestelde, dient het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van die laatste vast te stellen. Het komt het onderzoeksgerecht naar aanleiding van die beoordeling niet toe om te oordelen over het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van andere personen die bij de feiten betrokken zouden kunnen zijn geweest. Het onderzoeksgerecht is dan ook niet ertoe gehouden om te antwoorden op de conclusies van een inverdenkinggestelde in zoverre daarin niet het bestaan wordt betwist van ernstige schuldaanwijzingen in hoofde van hemzelf, maar louter wordt gewezen op het bestaan van ernstige schuldaanwijzingen in hoofde van potentiële andere betrokkenen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 5. Voor het overige komt het middel onder het mom van een motiveringsgebrek op tegen de onaantastbare beoordeling van de kamer van inbeschuldigingstelling over het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van de eiser en over de noodzaak tot handhaving van diens voorlopige hechtenis in de gevangenis. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 61,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 26 november 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241126.2N.35 Gerelateerde publicatie(
  2. s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250218.2N.14 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250513.2N.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.