← België

SOHO bv contra BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241129.1N.1 Rolnummer: F.20.0137.N Zaak: SOHO bv contra BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht Invoerdatum: 2024-12-17 Raadplegingen: 866 - laatst gezien 2026-06-18 16:52 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241129.1N.1 Fiche 1 De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of bij een belastingplichtige een redelijk vertrouwen is gewekt, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak; het Hof gaat niettemin na of de rechter het begrip redelijk vertrouwen niet heeft miskend door uit de vastgestelde feiten gevolgen af te leiden die hiermee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord

(1).
(1)Zie conc. OM. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Fiche 2 Er bestaat een afdoende wettelijke grondslag voor het opleggen van een proportionele fiscale geldboete wanneer ingevolge fiscaal misbruik de wettelijk verschuldigde belasting niet werd betaald
(1).
(1)Zie conc. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 70, § 1 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 3 Artikel 70, § 1, Btw-wetboek, dat bepaalt dat een proportionele fiscale boete kan worden opgelegd “voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen”, vormt een toegankelijke, duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag voor het opleggen van een dergelijke fiscale boete aan de belastingplichtige die zich schuldig maakt aan fiscaal misbruik en als gevolg daarvan de verschuldigde btw niet voldoet
(1).
(1)Zie conc. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Tekst van de beslissing Nr. F.20.0137.N SOHO bv, met zetel te 2018 Antwerpen, Miraeusstraat 10, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0471.479.584, eiseres, met als raadsman mr. Philippe Bielen, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Drukpersstraat 4, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Adviseur-ontvanger van het Team Invordering rechtspersonen Antwerpen I, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 2 en de Adviseur-generaal van het Centrum KMO Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 2, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 3 december
  1. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 30 oktober 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest Elmeka, gevoegde zaken C-181/04 tot en met C-183/04, van 14 september 2006, geoordeeld dat: - het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel deel uitmaken van de communautaire rechtsorde en uit dien hoofde in acht moeten worden genomen door de gemeenschapsinstellingen, maar ook door de lidstaten bij de uitoefening van de hun door de gemeenschapsrichtlijnen verleende bevoegdheden, waaruit volgt dat de nationale instanties het vertrouwensbeginsel jegens de marktdeelnemers in acht moeten nemen; - met betrekking tot het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen van de begunstigde van een gunstige handeling, in de eerste plaats moet worden uitgemaakt of de handelingen van de administratieve instanties bij de voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer een redelijk vertrouwen hebben gewekt en dat, indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, in de tweede plaats moet worden nagegaan of dit vertrouwen gewettigd is.
  3. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of bij een belastingplichtige een redelijk vertrouwen is gewekt, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak. Het Hof gaat niettemin na of de rechter het begrip redelijk vertrouwen niet heeft miskend door uit de vastgestelde feiten gevolgen af te leiden die hiermee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
  4. De appelrechters stellen vast dat een constructie werd opgezet waarbij de eiseres wordt aangemerkt als bouwheer, verantwoordelijk voor de afbraak van de gebouwen en de heropbouw van twee appartementen met kelder en autostaanplaats en oordelen dat het wezenlijke doel van de verkoopovereenkomst, de aannemingsovereenkomst en de coördinatie-overeenkomst bestond in de verkrijging van het verlaagd tarief van 6 pct., hetgeen in strijd is met de doelstelling van deze bepaling bij de invoering ervan in het KB nr. 20, doelstelling die erin bestond om het verlaagd tarief toe te kennen aan de bouwheer die daadwerkelijk het gebouw afbreekt en een nieuwe woning laat oprichten. Zij stellen vast en oordelen dat: - in casu niet blijkt dat een vaste gedragslijn bestond van de overheid waarin de eiseres een rechtmatig vertrouwen kon stellen; - niet blijkt dat de administratie steeds de toepassing van het verlaagde tarief aanvaardde bij de verkoop van een oud gebouw gevolgd door de afbraak en wederopbouw, ongeacht of sprake was van rechtsmisbruik of niet; - de omstandigheid dat individuele akkoorden werden gesloten, formeel dan wel stilzwijgend, geenszins wijst op een bestaande gedragslijn waaruit de eiseres een gewettigd vertrouwen zou kunnen putten; - aan de zijde van de eiseres geen sprake was van enig akkoord, noch formeel noch stilzwijgend en dat zij geen voorafgaande ruling heeft aangevraagd; - in de beslissing van 13 mei 2014 bovendien niet werd beslist dat voortaan de toepassing van een verlaagd tarief per definitie zou zijn uitgesloten bij de verkoop van een gebouw gevolgd door de afbraak en wederopbouw; - de administratie niet per definitie de toepassing van het verlaagde tarief verwerpt, doch enkel indien uit de te onderzoeken feitelijke omstandigheden blijkt dat sprake is van rechtsmisbruik; - het in die context geenszins tweeslachtig is dat de administratie aanvaardt dat formele dan wel stilzwijgende akkoorden van kracht blijven, indien zij het resultaat worden geacht van een voorafgaand onderzoek van de concrete feitelijke omstandigheden aan de zijde van de individuele belastingplichtige die het akkoord bekwam; - geen sprake is van een retroactieve verwerping van de toepassing van het verlaagde tarief omdat de administratie steeds een onderzoek in concreto voorstaat.
  5. De appelrechters die op die gronden oordelen dat er geen schending is van gerechtvaardigde verwachtingen aan de zijde van de eiseres in die zin dat zij op de datum van het sluiten van de onderscheiden overeenkomsten had kunnen vertrouwen op de toepassing van het verlaagde tarief van 6 pct., verantwoorden hun beslissing naar recht en schenden geen van de in het middel aangevoerde wetsbepalingen. Het middel kan niet worden aangenomen. (…) Vierde middel Eerste onderdeel
  6. Artikel 70, § 1, Btw-wetboek bepaalt dat voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete wordt opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Deze bepaling vormt een afdoende wettelijke grondslag voor het opleggen van een proportionele fiscale geldboete wanneer ingevolge fiscaal misbruik de wettelijk verschuldigde belasting niet werd betaald. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. (…) Derde onderdeel
  7. Artikel 1, eerste lid, Eerste Aanvullend Protocol EVRM bepaalt dat alle natuurlijke of rechtspersonen recht hebben op het ongestoorde genot van hun eigendom en dat niemand van zijn eigendom zal worden beroofd, behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. Het tweede lid van dat artikel, dat bepaalt dat de voorgaande bepalingen op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren, vereist aldus dat de inmenging van de overheid, wegens het opleggen van een boete, in het recht op het ongestoord genot van eigendom wettig moet zijn, wat betekent dat ze berust op rechtsnormen die, wat de toepassing ervan betreft, voldoende toegankelijk, duidelijk en voorzienbaar zijn.
  8. Artikel 70, § 1, Btw-wetboek, dat bepaalt dat een proportionele fiscale boete kan worden opgelegd “voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen”, vormt een toegankelijke, duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag voor het opleggen van een dergelijke fiscale boete aan de belastingplichtige die zich schuldig maakt aan fiscaal misbruik en als gevolg daarvan de verschuldigde btw niet voldoet. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 246,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Sven Mosselmans, Michael Traest en Ann De Wolf en in openbare rechtszitting van 29 november 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241129.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241129.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.