← België

BELGISCHE STAAT MIN FIN c. COLFRIDIS LOGISTICS NV

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Onaantastbare beoordeling door feitenrechter Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr.

F.22.0149.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, voor wie optreedt de Algemene Administratie Douane en Accijnzen, Centrale dienst invordering en geschillen, met kantoor te 1030 Brussel, North Galaxy , Toren B, 2de verdieping, Koning Albert II-laan 33, eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen COLFRIDIS LOGISTICS nv, met zetel te 2830 Willebroek, Koningin Astridlaan 14, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0832.957.509, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 17 mei 2022. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 30 oktober 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Artikel 220 Verordening 2913/92 van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (CDW) bepaalt: “1. Indien het bedrag aan rechten dat voortvloeit uit een douaneschuld, niet is geboekt overeenkomstig de artikelen 218 en 219 of wanneer een lager bedrag is geboekt dan het wettelijk verschuldigde bedrag, dient de boeking van het in te vorderen of aanvullend in te vorderen bedrag aan rechten te geschieden binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten deze situatie hebben vastgesteld en het wettelijk verschuldigde bedrag kunnen berekenen en zij de schuldenaar kunnen aanwijzen (boeking achteraf). Deze termijn kan overeenkomstig artikel 219 worden verlengd. 2. Behalve in de gevallen als bedoeld in artikel 217, lid 1, tweede en derde alinea, wordt niet tot boeking achteraf overgegaan wanneer: (…)

  1. b)het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt, ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan. (…) De goede trouw van de belastingschuldige kan worden ingeroepen wanneer deze kan aantonen dat hij er zich gedurende de periode van de betrokken handelstransacties zorgvuldig van heeft vergewist dat alle voorwaarden voor preferentiële behandeling geëerbiedigd werden. (…)”. 2. Deze bepaling heeft volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie als doel de betaling achteraf van in- of uitvoerrechten te beperken tot die gevallen waarin een dergelijke betaling gerechtvaardigd is en verenigbaar met een zo fundamenteel beginsel als het vertrouwensbeginsel (HvJ 20 november 2008, C-375/07, Heuschen e.a., ro 57). Aldus bevat deze bepaling een bevestiging van het vertrouwensbeginsel, waarbij de toepassingsvoorwaarden uitdrukkelijk worden bepaald. Een navordering van een gedeelte van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, wordt bijgevolg beheerst door artikel 220.2 CDW en niet door het Unierechtelijk algemeen rechtsbeginsel inzake de bescherming van het gewettigd vertrouwen. 3. In zoverre het middel ervan uitgaat dat het algemeen rechtsbeginsel van het Unierecht van de bescherming van het gewettigd vertrouwen ter zake van toepassing is, gaat het uit van een verkeerde rechtsopvatting en faalt het naar recht. 4. De prejudiciële vraag die uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting wordt niet gesteld. 5. In zoverre het arrest verwijst naar rechtspraak van het hof van beroep en het Hof van Cassatie omdat het “in een analoge betwisting (zelfde producten, zelfde periode van invoer, zelfde expediteur)” de indeling van guacamole in de goederencode 2103 9090 heeft goedgekeurd, doet het geen uitspraak bij wege van algemene en als regel geldende beschikking in de zin van artikel 6 Gerechtelijk Wetboek. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. 6. Verordening 1967/2005 van 1 december 2005 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur bepaalt in haar eerste overweging: “om de uniforme toepassing te waarborgen van de gecombineerde nomenclatuur die als bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 is gevoegd, dienen bepalingen te worden vastgesteld voor de indeling van de in de bijlage bij de onderhavige verordening opgenomen goederen”. Zij deelt guacamole in onder de GN-code 2008 99 67. Overeenkomstig artikel 3 trad deze verordening in werking op de twintigste dag volgend op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie op 2 december 2005. Deze verordening heeft kennelijk geen interpretatieve werking. 7. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de Verordening 1967/2005 een interpretatieve draagwijdte heeft voor de indeling van guacamole voorafgaand aan de inwerkingtreding van die verordening en dat guacamole, ook vóór de inwerkingtreding van die verordening, derhalve moest worden aangegeven onder de overeenstemmende goederencode 2008 99 99, faalt het naar recht. 8. Aangezien aldus geen twijfel bestaat over de draagwijdte van het Unierecht wordt de prejudiciële vraag niet gesteld. 9. In zoverre het onderdeel miskenning aanvoert van het algemeen rechtsbeginsel van de taak van de rechter, is het afgeleid en derhalve niet ontvankelijk. 10. Voor het overige is het niet tegenstrijdig te oordelen enerzijds dat er geen zekerheid bestond over de juiste indeling van de betreffende goederen voor december 2005 en anderzijds dat Verordening 1967/2005, “geen loutere interpretatie is maar een wijziging in de reglementering betreft”. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag. (…) Tweede middel 12. De fout van de administratieve overheid die, op grond van de artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek, haar aansprakelijkheid in het gedrang kan brengen, bestaat in een gedraging die ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat beoordeeld moet worden volgens de maatstaf van een normaal zorgvuldige en voorzichtige overheid die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of een andere rechtvaardigingsgrond, een miskenning inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij die overheid verplicht is iets niet te doen of iets op een bepaalde manier wel te doen. De rechter oordeelt in feite en dus onaantastbaar of een gedraging van een overheid overeenkomt met het gedrag dat van een normaal voorzichtige en zorgvuldige overheid mag worden verwacht. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten en omstandigheden geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen. 13. De appelrechter die vaststelt dat de eiser niet heeft gereageerd op verweersters verzoek van 19 augustus 2002 tot teruggaaf van de betaalde sommen en de herinneringsbrieven van 10 april 2003, 4 juni 2003, 18 augustus 2003, 21 oktober 2003 en 25 juni 2004 onbeantwoord liet, kon naar recht oordelen dat de eiser aldus niet heeft gehandeld als een normale en voorzichtige administratie. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 932,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Sven Mosselmans, Michael Traest en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 29 november 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241129.1N.10 Gerelateerde publicatie(
  2. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241129.1N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.