id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241202.3N.8 Rolnummer: S.19.0058.N Zaak: FEDERALE PENSIOENDIENST contra R. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2024-12-17 Raadplegingen: 541 - laatst gezien 2026-06-19 03:15 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 De verjaringstermijn van artikel 21, § 3, tweede lid, van de wet van 13 juni 1966 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden, begint te lopen vanaf de kennisgeving van de beslissing aan de uitbetalingsinstelling
(1).
(1)Cass. 8 mei 2006, AR S.05.0092.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060508.6, AC 2006, nr. 262; Cass. 3 november 2003, AR S.03.0045.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031103.15, AC 2003, nr. 549; Cass. 14 december 1998, AR S.98.0002.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981214.7, AC 1998, nr.
- Thesaurus CAS: PENSIOEN - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: Wet 13 juni 1966 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden - 13-06-1966 - Art. 21, § 3, tweede lid - 03 ELI link Pub nr 1966061301 Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Wettelijke bepalingen: Wet 13 juni 1966 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden - 13-06-1966 - Art. 21, § 3, tweede lid - 03 ELI link Pub nr 1966061301 Thesaurus CAS: TERUGVORDERING VAN HET ONVERSCHULDIGD BETAALDE Wettelijke bepalingen: Wet 13 juni 1966 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden - 13-06-1966 - Art. 21, § 3, tweede lid - 03 ELI link Pub nr 1966061301 Tekst van de beslissing Nr. S.19.0058.N FEDERALE PENSIOENDIENST, openbare instelling, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Zuidertoren, Europaesplanade 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0206.738.078, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger en mr. Bruno Maes, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiser woonplaats kiest, tegen J. R., vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 9 mei
- Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 21, § 3, eerste lid, van de wet van 13 juni 1966 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden verjaart de terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde prestaties door verloop van zes maanden te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is gebeurd. Het tweede lid van voormelde wetsbepaling bepaalt dat wanneer de onverschuldigde uitbetaling haar oorsprong vindt in de toekenning of verhoging van een buitenlands voordeel of van een voordeel in een andere regeling dan deze bedoeld in § 1, de terugvordering verjaart door verloop van zes maanden te rekenen vanaf de datum van de beslissing die de voornoemde voordelen toekent of verhoogt. Krachtens artikel 21, § 3, derde lid, van voormelde wet wordt de in het eerste en in het tweede lid vastgestelde termijn op drie jaar gebracht, wanneer de onverschuldigde sommen werden verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of welbewust onvolledige verklaringen. Dit geldt eveneens ten aanzien van de sommen die ten onrechte werden uitbetaald wegens het niet afleggen, door de schuldenaar, van een verklaring die is voorgeschreven door een wets- of verordenende bepaling of die volgt uit een vroeger aangegane verbintenis.
- Uit de wetsgeschiedenis van artikel 21, § 3, tweede lid, van voormelde wet van 13 juni 1966, dat een bijzondere aanvangsdatum van de verjaringstermijn voor de terugvordering van ten onrechte uitbetaalde prestaties bepaalt wanneer de onverschuldigde betaling haar oorsprong vindt in de toekenning of de verhoging van een buitenlands voordeel of een voordeel in een andere regeling dan die bedoeld in § 1, volgt dat de wetgever met de termen “vanaf de datum van de beslissing” bedoeld heeft dat de verjaringstermijn begint te lopen vanaf de kennisgeving van de beslissing aan de uitbetalingsinstelling. Hieruit volgt dat die bepaling geen toepassing vindt wanneer de uitbetalingsinstelling op een andere wijze verneemt dat de betrokkene een buitenlands voordeel geniet.
- De appelrechters stellen vast dat: - de verweerster, op basis van de tewerkstelling in België van haar ex-echtgenoot, op 7 juni 2001 het genot van het rustpensioen als uit de echt gescheiden echtgenoot aanvroeg; - dit rustpensioen haar werd toegekend met ingang van 1 september 2000; - zij op 4 maart 2014 in België het rustpensioen als werknemer aanvroeg, naar aanleiding van het overlijden van haar ex-echtgenoot; - bij het onderzoek van deze aanvraag werd vastgesteld dat zij over pensioenrechten in Nederland beschikte; - het bevoegde Nederlandse orgaan bij schrijven van 6 november 2015 meedeelde dat de verweerster inderdaad een AOW-ouderdomspensioen genoot op basis van haar verblijf in Nederland; - het bevoegde Nederlandse orgaan op 14 december 2015 bevestigde dat die AOW-uitkering reeds aan de verweerster werd toegekend sinds 1 augustus 2004 toen zij 65 jaar werd; - de eiser bij aangetekende kennisgeving van 21 januari 2016 aan de verweerster meedeelde dat zij sinds 1 augustus 2004 geen recht meer had op het rustpensioen als uit de echt gescheiden echtgenote omdat zij een Nederlands pensioen geniet en dat alle sinds 1 augustus 2004 betaalde bedragen voor een totaal van 30.364,61 euro worden teruggevorderd.
- Uit deze vaststellingen blijkt dat de eiser niet ingevolge een kennisgeving door het Nederlandse orgaan kennis heeft gekregen van de beslissing waarbij aan de verweerster een AOW-uitkering werd toegekend met ingang van augustus 2004, maar wel op een andere wijze, namelijk ingevolge een uitwisseling van informatie naar aanleiding van een latere aanvraag. Daaruit volgt dat de in artikel 21, § 3, tweede lid, van voormelde wet van 13 juni 1966 bepaalde bijzondere aanvangsdatum van de verjaringstermijn van de terugvordering van ten onrechte uitbetaalde prestaties te dezen geen toepassing vindt.
- Op grond van deze in de plaats gestelde redenen is de beslissing dat de terugvordering van de ten onrechte ontvangen uitkeringen op grond van artikel 23, § 3, derde lid, van voormelde wet van 13 juni 1966 beperkt wordt tot de periode vanaf 21 januari 2013 naar recht verantwoord. Het middel dat niet tot cassatie kan leiden, is, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 290,77 euro en op de som van 20 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor juridische bijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Bruno Lietaert, Michael Traest en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 2 december 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241202.3N.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981214.7 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031103.15 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060508.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div