← België

PROCUREUR-GENERAAL GENT contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 624

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 624

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 Het herstel in eer en rechten is in beginsel ondeelbaar, maar de kamer van inbeschuldigingstelling kan evenwel overeenkomstig artikel 627 Wetboek van Strafvordering beslissen dat een veroordeling tijdens de proeftijd tot een politiestraf, tot een correctionele geldboete of tot een correctionele hoofdgevangenisstraf van ten hoogste een maand wegens overtreding van een van in artikel 627 Wetboek van Strafvordering vermelde misdrijven geen beletsel vormt voor de toekenning van het herstel in eer en rechten en zij oordeelt daar onaantastbaar over

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HERSTEL IN EER EN RECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 627

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 627

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 6 Bij de beoordeling van het criterium van verbetering en goed gedrag moet de kamer van inbeschuldigingstelling abstractie maken van de feiten die ten grondslag liggen aan de veroordeling die volgens de kamer van inbeschuldigingstelling bij toepassing van artikel 627 Wetboek van Strafvordering geen beletsel vormt voor de toekenning van het herstel in eer en rechten, maar, met uitzondering van deze feiten moet de kamer van inbeschuldigingstelling het criterium van verbetering en goed gedrag in zijn globaliteit beoordelen en mag zich dus niet mag beperken tot de feitelijkheden die in verband kunnen worden gebracht met de veroordeling waarvoor herstel in eer en rechten wordt gevraagd en toegekend; dat de kamer van inbeschuldigingstelling onaantastbaar oordeelt over het voldaan zijn aan het criterium verbetering en goed gedrag, laat niet toe dat zij dit criterium invult louter in functie van de veroordeling waarvoor herstel in eer en rechten wordt gevraagd en toegekend

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HERSTEL IN EER EN RECHTEN ONDERZOEKSGERECHTEN Tekst van de beslissing Nr. P.24.1241.N PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, eiser, tegen G. D., verzoeker tot herstel in eer en rechten, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 27 juni
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft op 14 november 2024 een schriftelijke conclusie ingediend ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 3 december 2024 heeft voorzitter Filip Van Volsem verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 624 Wetboek van Strafvordering en miskenning van de motiveringsplicht: de kamer van inbeschuldigingstelling motiveert de toekenning van het herstel in eer en rechten voor de veroordeling van 28 juni 2017 wegens opzettelijke slagen of verwondingen door de in artikel 624 Wetboek van Strafvordering bepaalde voorwaarde van goed gedrag enkel te toetsen rekening houdend met die specifieke veroordeling; er wordt bij die toetsing geen rekening gehouden met het verkeersgerelateerde wangedrag van de verweerder; artikel 624 Wetboek van Strafvordering laat nochtans niet toe dat er bij de beoordeling van de voorwaarde van verbetering van de houding en van het goed gedrag van de verzoeker een onderscheid wordt gemaakt naargelang de aard van het misdrijf, de zwaarwichtigheid van het misdrijf, het aantal gepleegde misdrijven of het eventuele verstekkarakter van de veroordelingen; het goed gedrag moet in zijn totaliteit worden bekeken.
  3. Volgens artikel 624, eerste lid, Wetboek van Strafvordering is het herstel in eer en rechten afhankelijk van een proeftijd gedurende dewelke de verzoeker blijk heeft gegeven van verbetering en van goed gedrag.
  4. De kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt onaantastbaar over deze dubbele vereiste.
  5. Het herstel in eer en rechten is in beginsel ondeelbaar.
  6. Evenwel kan de kamer van inbeschuldigingstelling overeenkomstig artikel 627 Wetboek van Strafvordering beslissen dat een veroordeling tijdens de proeftijd tot een politiestraf, tot een correctionele geldboete of tot een correctionele hoofdgevangenisstraf van ten hoogste een maand wegens overtreding van een van in artikel 627 Wetboek van Strafvordering vermelde misdrijven geen beletsel vormt voor de toekenning van het herstel in eer en rechten. Zij oordeelt daar onaantastbaar over.
  7. Daaruit volgt dat: - bij de beoordeling van het criterium van verbetering en goed gedrag de kamer van inbeschuldigingstelling abstractie moet maken van de feiten die ten grondslag liggen aan de veroordeling die volgens de kamer van inbeschuldigingstelling bij toepassing van artikel 627 Wetboek van Strafvordering geen beletsel vormt voor de toekenning van het herstel in eer en rechten; - met uitzondering van de feiten die ten grondslag liggen aan de veroordeling die volgens artikel 627 Wetboek van Strafvordering geen beletsel vormt voor de toekenning van het herstel in eer en rechten, de kamer van inbeschuldigingstelling het criterium van verbetering en goed gedrag in zijn globaliteit moet beoordelen en zich dus niet mag beperken tot de feitelijkheden die in verband kunnen worden gebracht met de veroordeling waarvoor herstel in eer en rechten wordt gevraagd en toegekend. Dat de kamer van inbeschuldigingstelling onaantastbaar oordeelt over het voldaan zijn aan het criterium verbetering en goed gedrag, laat niet toe dat zij dit criterium invult louter in functie van de veroordeling waarvoor herstel in eer en rechten wordt gevraagd en toegekend.
  8. Het arrest oordeelt voor het herstel in eer en rechten betreffende de veroordeling van de verweerder bij arrest van het hof van beroep te Gent van 28 juni 2017 wegens opzettelijke slagen dat: - is voldaan aan de vereiste van blijk geven van verbetering en goed gedrag; - uit niets blijkt dat de verweerder zich in de loop van de proeftijd sedert de datum van voormeld arrest opnieuw in situaties heeft gebracht waarbij hij zich liet verleiden tot feiten van fysieke geweldpleging, zodat hij op dat vlak uit de veroordeling voldoende lessen heeft getrokken en blijk heeft gegeven van verbetering en goed gedrag; - de veroordeling van de verweerder bij vonnis van de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 12 januari 2018 wegens alcoholintoxicatie aan het stuur tot een geldboete van 200,00 euro, deels met uitstel, bij toepassing van artikel 627, vierde lid, Wetboek van Strafvordering geen beletsel vormt voor het toekennen van het herstel in eer en rechten betreffende het arrest van 28 juni 2017; - de overwegingen als zou de verweerder onvoldoende blijk hebben gegeven van verbetering en goed gedrag op het vlak van de verkeersmisdrijven geen afbreuk doen aan de voormelde vaststelling betreffende het arrest van 28 juni 2017, zodat voor dit arrest herstel in eer en rechten kan worden verleend.
  9. Het arrest oordeelt aldus dat het gegeven dat de verweerder op 14 november 2020 in het bezit werd gevonden van 5 gram cannabis en dat hij op 1 mei 2022 werd geverbaliseerd wegens het besturen van een voertuig in een toestand van alcoholintoxicatie waarvoor hij een minnelijke schikking heeft betaald, gegevens zijn waarmee bij de beoordeling van de vereiste van verbetering en goed gedrag betreffende het arrest van 28 juni 2017 geen rekening moet worden gehouden omdat ze geen verband houden met feiten van fysieke geweldpleging. Die beslissing is niet naar recht verantwoord. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 3 december 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241203.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241203.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.