id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241203.2N.12 Rolnummer: P.24.1517.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2024-12-09 Raadplegingen: 603 - laatst gezien 2026-06-18 13:32 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De strafuitvoeringsrechtbank, waarvan de bevoegdheden zijn omschreven in de Wet Strafuitvoering, is geen vonnisgerecht in de zin van de artikelen 5, § 1, en 9, § 1, eerste lid, Interneringswet; de omstandigheid dat de strafuitvoeringsrechtbank overeenkomstig de bepalingen van de Wet Straftuitvoering beslist over de toekenning van strafuitvoeringsmodaliteiten, laat niet toe anders te oordelen. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 5, § 1 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 9, § 1, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 5, § 1 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 9, § 1, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Fiches 3 - 4 Uit artikel 3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat een levenslang veroordeelde moet worden opgesloten in zodanige omstandigheden en een zodanige behandeling moet genieten dat hij een realistische mogelijkheid heeft om zichzelf te rehabiliteren zodat hij kans heeft op een vrijlating; de nationale overheden voldoen aan deze verplichting indien wordt voorzien in behandelingen die de levenslang veroordeelde in staat moeten stellen te rehabiliteren, zelfs als blijkt dat de betrokkene onvoldoende is verbeterd zodat hij nog steeds een zodanig gevaar oplevert dat een vrijlating onder voorwaarden verhindert; de nationale overheden hebben immers ook de verdragsrechtelijke verplichting het publiek te beschermen tegen ernstige misdrijven en de daaruit voortvloeiende verplichting levenslang veroordeelden gevangen te houden zolang ze gevaarlijk zijn
(1).
(1)EHRM 26 april 2016, Murray t/Nederland, §104-112, EHRM 9 mei 2023, Horion t/België, §60-64, www.echr.coe.int; Cass. 19 december 2023, AR P.23.1621.N, AC 2023, nr. 862, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.9; Cass. 2 mei 2023, AR P.23.0513.N, AC 2023, nr. 322, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230502.2N.
- Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1517.N F. V., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel van 4 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 9 Interneringswet: het vonnis oordeelt ten onrechte dat het de internering van de eiser niet kan bevelen; de strafuitvoeringsrechtbank is een vonnisgerecht omdat die zich door het al dan niet aannemen van het bestaan van tegenaanwijzingen uitspreekt over het al dan niet verderzetten van de gevangenisstraffen die een veroordeelde ondergaat; de strafuitvoeringsrechtbank kan bijgevolg de internering van een veroordeelde bevelen.
- Volgens artikel 5, § 1, Interneringswet beveelt het vonnisgerecht een forensisch psychiatrisch onderzoek wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat een persoon zich bevindt in een in artikel 9 Interneringswet bedoelde toestand. Volgens artikel 9, § 1, eerste lid, Interneringswet kan het vonnisgerecht de internering bevelen van een persoon mits aan de in die bepaling vermelde voorwaarden is voldaan. De strafuitvoeringsrechtbank, waarvan de bevoegdheden zijn omschreven in de Wet Strafuitvoering, is geen vonnisgerecht in de zin van de voormelde bepalingen van de Interneringswet. De omstandigheid dat de strafuitvoeringsrechtbank overeenkomstig de bepalingen van de Wet Straftuitvoering beslist over de toekenning van strafuitvoeringsmodaliteiten, laat niet toe anders te oordelen. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM: het vonnis laat na vast te stellen dat artikel 3 EVRM is geschonden; een levenslange gevangenisstraf is maar verenigbaar met die verdragsbepaling als er een kans bestaat op vrijlating of herziening; de herziening moet de autoriteiten in staat stellen eventuele veranderingen bij de gevangene en de door hem geboekte vooruitgang te beoordelen; de eiser stelt vast dat zijn levenslange gevangenisstraf de facto ook inhoudt dat hij voor de rest van zijn leven in detentie zal blijven en hij geen effectieve kans op reclassering kan krijgen; de strafuitvoeringsrechtbank stelt niet vast dat daartoe een effectieve mogelijkheid wordt geboden; volgens de adviezen van de psychosociale dienst (hierna PSD) kan worden betwijfeld of de eiser wel over voldoende draagkracht en copingsmogelijkheden beschikt om een leven buiten de gevangenismuren aan te kunnen, zonder opnieuw in een risicosituatie te verzeilen; volgens het advies van de directeur moet de vraag worden gesteld of ooit enig reclasseringsplan voldoende garanties kan bieden om de tegenindicatie van het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten op te vangen.
- Het Hof heeft enkel de wettigheid te beoordelen van de beslissingen die de strafuitvoeringsrechtbank heeft genomen met de thans bestreden beslissing. In zoverre het middel andere beslissingen bekritiseert, is het niet ontvankelijk.
- Artikel 3 EVRM bepaalt dat niemand mag worden onderworpen aan foltering noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. Deze bepaling wordt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in onder meer het arrest Murray t. Nederland van 26 april 2016 (Grote Kamer, verzoekschrift nr. 10511/10) als volgt uitgelegd: - het verdrag zelf garandeert geen recht op rehabilitatie (ro 103) en de nationale overheden zelf zijn niet verantwoordelijk voor een daadwerkelijke rehabilitatie van een veroordeelde (ro 104); - niettemin rust op de nationale overheden de verplichting te verzekeren dat ook levenslang veroordeelden de mogelijkheid krijgen om zich te rehabiliteren (ro 103 en ro 104) en dit als cruciaal onderdeel van de vereiste van de feitelijke reduceerbaarheid van een levenslange gevangenisstraf (ro 108); - dit houdt geen resultaatsverbintenis maar een middelenverbintenis in, waarbij ermee rekening moet worden gehouden dat de door het verdrag toegekende rechten niet louter theoretisch of illusoir mogen zijn, maar wel praktisch en effectief moeten zijn (ro 104); - aan een levenslang veroordeelde moet een realistische kans worden geboden om rekening houdend met de beperkingen inherent aan een gevangeniscontext vooruitgang te boeken op het vlak van rehabilitatie, zodat hij kan hopen op een dag in aanmerking te komen voor een voorwaardelijke invrijheidstelling (ro 103); - dit doel zou kunnen worden bereikt door het opzetten van een individueel en regelmatig bijgewerkt programma dat de veroordeelde ertoe aanzet zichzelf te ontwikkelen tot een persoon met een verantwoordelijk en misdrijfvrij leven (ro 103); - wat betreft levenslang veroordeelden met gedragsproblemen of een persoonlijkheidsstoornis is een onderzoek noodzakelijk teneinde te bepalen welke behandeling kan bijdragen tot rehabilitatie of het verminderen van het recidivegevaar (ro 108); - indien dit onderzoek leidt tot de conclusie dat een behandeling of therapie van aard is om bij te dragen tot de rehabilitatie van de veroordeelde dan moet de betrokkene daartoe de kans krijgen, weliswaar rekening houdend met de beperkingen inherent aan een gevangeniscontext (ro 108); - de nationale overheden voldoen aan de uit artikel 3 EVRM voortvloeiende verplichting indien wordt voorzien in behandelingen die de levenslang veroordeelde in staat moeten stellen te rehabiliteren, zelfs als blijkt dat de betrokkene onvoldoende is verbeterd zodat hij nog steeds een zodanig gevaar oplevert dat een vrijlating onder voorwaarden verhindert. De nationale overheden hebben immers ook de verdragsrechtelijke verplichting het publiek te beschermen tegen ernstige misdrijven en de daaruit voortvloeiende verplichting levenslang veroordeelden gevangen te houden zolang ze gevaarlijk zijn (ro 111); - samengevat komt het erop neer dat een levenslang veroordeelde moet worden opgesloten in zodanige omstandigheden en een zodanige behandeling moet genieten dat hij een realistische mogelijkheid heeft om zichzelf te rehabiliteren zodat hij kans heeft op een vrijlating (ro 112).
- Het vonnis (p. 4-5, randnr. 2.3) bespreekt uitgebreid de beschikbare psychiatrische verslagen en de PSD-verslagen betreffende de eiser. Het stelt vast dat in het PSD-verslag van 24 januari 2023 wordt aangegeven dat de voorheen gemaakte inschattingen op het vlak van recidiverisico (gewelddadig gedrag en oplichting) integraal van toepassing blijven en dat de noodzaak van het beschikken over een residentieel parcours om tegemoet te komen aan het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten opnieuw wordt bevestigd. Het vonnis (p. 5, randnr. 2.4) maakt vervolgens melding van de door de eiser gevolgde begeleiding en zijn vraag om een ambulante reclassering, maar het wijst erop dat volgens de PSD-verslagen en de adviezen van de directeur en het openbaar ministerie een dergelijke reclassering niet toelaat tegemoet te komen aan de tegenaanwijzing van het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten. Het vonnis (p. 7, randnr. 2.6) verwerpt ten slotte eisers aanvoering dat hij zijn recht op reclassering niet concreet kan uitoefenen met de volgende redenen: - de zinssnede “of ooit enig reclasseringsplan voldoende garanties kan bieden om de tegenindicaties inzake het plegen van nieuwe ernstige feiten op te vangen” uit het advies van de directie, betreft een louter advies; - er moet niet worden geoordeeld over de toekomst, maar het komt daarentegen de strafuitvoeringsrechtbank toe om op basis van het dossier zoals het voorligt op het ogenblik dat moet worden beslist, te oordelen of een strafuitvoeringsmodaliteit kan worden toegekend overeenkomstig de bepalingen van de Wet Strafuitvoering; - uit de herhaalde onderzoeken en PSD-verslagen blijkt dat blijvend naarstig wordt gezocht om een geschikte reclassering te kunnen voorleggen; - er blijkt wel degelijk een kans te bestaan op het verkrijgen van een strafuitvoeringsmodaliteit (bijvoorbeeld de voorwaardelijke invrijheidstelling) van zodra zal kunnen worden tegemoetgekomen aan de vastgestelde tegenaanwijzing door het opleggen van bijzondere voorwaarden; - nergens wordt gezegd dat het beschreven persoonlijkheidsbeeld en de beperkte veranderbaarheid van de eiser daaraan in de weg staan; - de eiser wordt in de gevangenis begeleid door het Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg en men blijft zoeken naar een geschikte begeleiding in het raam van het tegemoetkomen aan het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten. Met die redenen verantwoordt het vonnis naar recht de beslissing dat artikel 3 EVRM niet is geschonden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 3 december 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241203.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230502.2N.15 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div