id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241203.2N.16 Rolnummer: P.24.0395.N Zaak: V. contra B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2025-05-16 Raadplegingen: 486 - laatst gezien 2026-06-16 09:44 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Uit artikel 6.2 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien een beklaagde in eerste aanleg werd vrijgesproken voor het misdrijf waarvoor hij werd vervolgd en het appelgerecht ingevolge de afwezigheid van een hoger beroep op strafgebied enkel nog te oordelen heeft over de door de burgerlijke partij tegen de beklaagde aanhangig gemaakte burgerlijke rechtsvordering gegrond op het feit waarvoor de vrijspraak werd verleend, het appelgerecht zich niet mag uitspreken over de vraag of de beklaagde zich aan dat misdrijf heeft schuldig gemaakt; het appelgerecht mag in een dergelijk geval uitsluitend oordelen of het gedrag, zoals dat blijkt uit het met de strafvervolging aanhangig gemaakte feit, een fout oplevert in oorzakelijk verband met de schade die door de burgerlijke partij wordt gevorderd, en de strafrechter moet, wil hij het door artikel 6.2 EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld niet miskennen, zich onthouden van bewoordingen waaruit de vaststelling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de betrokkene voor een feit waarvoor hij definitief is vrijgesproken, kan worden afgeleid
(1).
(1)Cass. 23 april 2024, AR P.24.0201.N, AC 2024, nr. 325, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240423.2N.13; Cass. 5 maart 2024, AR P.24.0066.N, AC 2024, nr. 185, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240305.2N.9; Cass. 14 november 2023, AR P.22.0765.N, AC 2023, nr. 732, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.10; zie Cass. 7 juni 2017, AR P.16.0701.F, AC 2017, nr. 372, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170607.1, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Burgerlijke rechtsvordering (bijzondere regels) Tekst van de beslissing Nr. P.24.0395.N
- R. V. J.,
- V. B., beklaagden, eisers, beiden vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen I. B., burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 27 februari
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: de appelrechter mag bij afwezigheid van een hoger beroep op strafgebied tegen de door de eerste rechter verleende vrijspraak de eisers niet schuldig verklaren aan de hen verweten inbreuken; met het oordeel (p. 23) dat het bewezen verklaarde feit van de telastleggingen A.1 en A.2 in oorzakelijk verband staat met de door de verweerster geleden schade en het oordeel (p. 13) dat “Zowel [de eisers] als [de verweerster] eisen het auteurschap op van het eerste verzoek om een schriftonderzoek van de kwijting te horen bevelen. Deze competitie is zinloos. Een dader kan ook de vlucht vooruit nemen”, verklaart de appelrechter de eisers vanuit strafrechtelijk oogpunt schuldig aan de hen ten laste gelegde feiten van het gebruik van valse stukken, waarvoor zij definitief zijn vrijgesproken; uit zijn motieven blijkt dat de beslissing op de burgerlijke vordering van de verweerster op doorslaggevende wijze is gesteund op het oordeel dat de eisers vanuit strafrechtelijk oogpunt schuldig zijn aan de hen ten laste gelegde feiten van gebruik van valse stukken.
- Uit artikel 6.2 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien een beklaagde in eerste aanleg werd vrijgesproken voor het misdrijf waarvoor hij werd vervolgd en het appelgerecht ingevolge de afwezigheid van een hoger beroep op strafgebied enkel nog te oordelen heeft over de door de burgerlijke partij tegen de beklaagde aanhangig gemaakte burgerlijke rechtsvordering gegrond op het feit waarvoor de vrijspraak werd verleend, het appelgerecht zich niet mag uitspreken over de vraag of de beklaagde zich aan dat misdrijf heeft schuldig gemaakt.
- Het appelgerecht mag in een dergelijk geval uitsluitend oordelen of het gedrag, zoals dat blijkt uit het met de strafvervolging aanhangig gemaakte feit, een fout oplevert in oorzakelijk verband met de schade die door de burgerlijke partij wordt gevorderd. De strafrechter bevindt zich in een dergelijk geval in dezelfde situatie als de burgerlijke rechter die zich moet uitspreken over een schadevergoedingsvordering die is gesteund op een strafbaar feit.
- De strafrechter moet, wil hij het door artikel 6.2 EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld niet miskennen, zich onthouden van bewoordingen waaruit de vaststelling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de betrokkene voor een feit waarvoor hij definitief is vrijgesproken, kan worden afgeleid.
- Het arrest (p. 6) oordeelt dat de appelrechter moet nagaan of de eisers een fout hebben begaan bestaande in het plegen van het misdrijf dat zich vereenzelvigt met de feiten van de vervolging, eventueel anders gekwalificeerd en of er een oorzakelijk verband is met de schade die de verweerster voorhoudt te hebben geleden. Het arrest (p. 7-12) geeft vervolgens een overzicht van de dossiergegevens en de door de partijen afgelegde verklaringen. Het beoordeelt daarna (p. 12-23) de bewijswaarde waarbij, zoals het middel aanvoert, wordt overwogen (p. 13) “Zowel [de eisers] als [de verweerster] eisen het auteurschap op van het eerste verzoek om een schriftonderzoek van de kwijting te horen bevelen. Deze competitie is zinloos. Een dader kan ook de vlucht vooruit nemen”, om dan verder te besluiten (p. 18 en p. 22) dat de fout van de eisers voor het feit bestaande in het plegen van het misdrijf zich vereenzelvigt met het feit van de vervolging onder de telastleggingen A.1 en A.
- Ten slotte oordeelt het arrest (p. 23) dat het bewezenverklaarde feit van de telastleggingen A.1 en A.2 in oorzakelijk verband staat met de door de verweerster geleden schade.
- Met de door het middel bekritiseerde oordelen verklaart het arrest de eisers niet schuldig aan het misdrijf van gebruik van valse geschriften en geschriften met valse handtekeningen, maar oordeelt het enkel dat de eisers een fout hebben begaan in causaal verband met de door de verweerster gevorderde schade en dat die fout overeenstemt met het misdrijf omschreven onder de telastleggingen A.1 en A.2 waarvoor de eisers werden vervolgd en door de eerste rechter zijn vrijgesproken. Aldus miskent het arrest niet het vermoeden van onschuld. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 197 en 213 Strafwetboek en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de eisers een fout hebben begaan bestaande in het plegen van het misdrijf dat zich vereenzelvigt met het feit van de vervolging onder de telastleggingen A.1 en A.2, namelijk het gebruik van een valse leningsovereenkomst gedateerd op 10 januari 2015 en van een valse kwijting van 24 februari 2013; het arrest stelt met betrekking tot het gebruik van de valse leningsovereenkomst enkel vast dat de eisers op de hoogte waren van de valsheid van de leningsovereenkomst met betrekking tot de datum van de beweerde overhandiging van 120.000,00 euro op 10 januari 2015 en verder dat de kwijting van 24 februari 2013 vals is omdat de handtekening van G.B. niet door hem werd geplaatst; daardoor stemt enkel de datum van de contante betaling niet met de waarheid overeen en moet worden besloten dat uit de leningsovereenkomst verder wel blijkt dat een bedrag van 120.000,00 euro werd overhandigd aan G.B., maar dan op een andere datum; daardoor kan niet worden aangenomen dat de lening zelf onbestaande is, maar enkel dat zij reeds eerder werd overeengekomen; het arrest stelt hiermee weliswaar de kennis van de valsheid van de leningsovereenkomst bij eisers vast, maar niet dat de eisers hierbij handelden met bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden, wat is vereist voor de vaststelling van het gebruik van een vals geschrift; minstens laten de redenen van het arrest niet toe de wettigheid van de beslissing op dit punt te toetsen.
- Anders dan het onderdeel aanvoert, kan uit de redenen van het arrest niet worden afgeleid dat er wel degelijk aan G.B. een bedrag van 120.000,00 euro werd overhandigd in het kader van een leningsovereenkomst, zij het niet op de in de overeenkomst aangegeven datum. Het arrest stelt dat zowel het geschrift waaruit een leningsovereenkomst moet blijken, met overhandiging van de gelden voor een bedrag van 120.000,00 euro op 10 januari 2015, als het geschrift waaruit een kwijting moet blijken waarbij G.B. te kennen geeft een bedrag van 120.000,00 euro te hebben ontvangen op 24 februari 2013, vals zijn. Hierdoor geeft het arrest te kennen dat geen bewijs voorligt van enige leningsovereenkomst waarbij een bedrag van 120.000,00 euro zou zijn overhandigd aan G.B. en aldus geleend door deze laatste. Het onderdeel dat geheel berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het in de appelconclusie van de eisers ontwikkelde verweer dat de leningsovereenkomst oorspronkelijk niet was bedoeld om als bewijs te dienen in de erfopvolging, maar enkel om dienst te doen als een schulderkentenis van G.B. ter bevestiging van de kwijting.
- Het arrest (p. 14-17) oordeelt dat: - de eisers in conclusie, en de eiser 1 tevens bij verklaring, stellen dat de leningsovereenkomst op 10 januari 2015 werd opgesteld omwille van de volgende reden: “Toen [de eiser 1] via zijn echtgenote kennis nam van deze seksuele escapades, en de daarmee gepaard gaande mogelijke geldverspillingen, was hij niet meer gerust in de effectieve terugbetaling van het destijds geleende bedrag van € 120.000,
- Om die reden wenste [de eiser 1] te beschikken over een consistentere en juridisch meer verantwoorde overeenkomst bovenop het kwijtschrift van 24 februari
- Bijgevolg nam hij dan ook het initiatief tot het opstellen van een leningsovereenkomst voor hetzelfde bedrag”; - deze leningsovereenkomst niet verwijst naar de desbetreffende eerdere kwijting; - G.B. op 9 november 2015 een voldoende hoog saldo op zijn financiële rekening had staan om een bedrag van 120.000,00 euro te betalen aan wie dan ook; - de door de eisers opgegeven redenen om over te gaan tot de redactie van de leningsovereenkomst, met name dat men beweerdelijk had vernomen dat de werkelijke reden voor G.B. om een lening in baar geld te verkrijgen, bestond in het ondernemen van niet nader gepreciseerde seksuele escapades en niet in het beweerdelijk aankopen van een appartement, niet worden gestaafd; - uit het financieel overzicht van de rekeningstanden bij de Belfiusbank van de tegoeden van G.B. blijkt dat hij in de periode 2010 tot aan zijn overlijden in 2015 een eerder sober leven leidde; - de eisers geen geldafhalingen kunnen aanduiden die wijzen op een liederlijk leven door G.B., hetzij vóór 24 februari 2013, hetzij erna, en het appelgerecht die ook niet ontwaart; - geen enkele getuige heeft bevestigd dat G.B. zich daadwerkelijk overleverde aan seksuele escapades; - de door de eisers opgegeven redenen om over te gaan tot de redactie van de leningsovereenkomst aldus louter een bewering is; - de eisers de valse leningsovereenkomst van 10 januari 2015 opstelden met het oog op het verschaffen van een bewijs voor het bestaan van een overeenkomst gesloten op die dag met overhandiging van gelden op die dag; - het zichzelf verschaffen van een bewijsstuk van een in werkelijkheid niet op 10 januari 2015 gesloten lening onrechtmatig is en op zichzelf een bedrieglijk opzet aantoont; - de valse leningsovereenkomst een nadeel kan toebrengen aan de verweerster omdat deze overeenkomst de afhandeling van haar financiële aanspraken in de afwikkeling van de erfenis van G.B. bezwaart; - de eisers beiden wisten dat de geldleningsovereenkomst van 10 januari 2015, die ze als stuk gebruikten in de civiele procedure, vals was en in de wetenschap dat op 10 januari 2015 geen bedrag van 120.000,00 euro werd overhandigd aan G.B. Met deze redenen beantwoordt en verwerpt de appelrechter het bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 197 en 213 Strafwetboek en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de eisers een fout hebben begaan bestaande in het plegen van het misdrijf dat zich vereenzelvigt met het feit van de vervolging onder de telastleggingen A.1 en A.2, namelijk het gebruik van een valse leningsovereenkomst gedateerd op 10 januari 2015 en van een valse kwijting van 24 februari 2013; het arrest stelt met betrekking tot het gebruik van de kwijting voor een bedrag van 120.000,00 euro onderschreven door G.B., zoals omschreven in de oorspronkelijke betichting A.2, louter de kennis van de eisers vast met betrekking tot het vals karakter van de kwijting; het stelt niet vast dat zij daarbij hebben gehandeld met een bedrieglijk opzet of een oogmerk om te schaden; minstens laten deze redenen het Hof niet toe de wettigheid van de beslissing op dit punt te toetsen.
- Uit de artikelen 193, 197 en 213 Strafwetboek volgt dat het gebruik van een vals geschrift slechts strafbaar is indien dit gebruik geschiedt met een bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.
- Het staat aan de rechter te oordelen of het voor het gebruik van het vals stuk vereiste bijzonder opzet aanwezig is.
- Het arrest (p. 14 en 22) oordeelt dat: - de eisers op de hoogte waren dat de kwijting, waarin G.B. bevestigt om op 24 januari 2013 een bedrag van 120.000,00 euro te hebben verkregen van de eisers in de vorm van een lening, vals was; - de band tussen de opgegeven motivering voor de redactie van én de kwijting én de leningsovereenkomst, alsmede de niet-verwijzing in de leningsovereenkomst naar de kwijting dermate innig is, inclusief de leidende rol van de eiser 1 bij de redactie van de leningsovereenkomst, dat de eiser 1 op de hoogte moet zijn geweest van de valse aard van de opgestelde kwijting; - de valse kwijting een nadeel kan toebrengen aan de verweerster aangezien deze haar financiële aanspraken in de afwikkeling van de erfenis van G.B. bezwaart; - deze kwijting een derde en de maatschappij kan overtuigen van het bestaan van een op 24 januari 2013 gesloten lening; - de eisers zich in een civielrechtelijke procedure voor de rechtbank van eerste aanleg op de leningsovereenkomst, alsook op de kwijting, beriepen en bij hun conclusie als stuk voegden ten aanzien van de verweerster die een bedrag van 121.974,00 euro terugvorderde van de eisers omdat dit bedrag eind 2015 werd overgemaakt van de rekening van G.B. naar de rekening van de eiseres 2, terwijl G.B. op dat ogenblik in het ziekenhuis verbleef.
- Met die redenen, die het Hof niet beletten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, geeft het arrest te kennen dat de eisers gebruik hebben gemaakt van het valse stuk om zichzelf een voordeel te bezorgen. Op grond van de vermelde redenen kan het arrest wettig tot dit oordeel komen en aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het in de appelconclusie van de eisers gevoerde verweer betreffende de valsheid van de kwijting van 24 februari 2013, namelijk dat de door de deskundige gebruikte vergelijkingsstukken dateren van te ver voor de datum van de kwijting, er abstractie wordt gemaakt van het feit dat een handtekening in de loop van de jaren kan evolueren en dat niet enkel mag worden gefocust op grafische onverenigbaarheden maar ook op verenigbaarheden van de handtekening.
- De uit artikel 149 Grondwet voortvloeiende antwoordplicht houdt in dat de rechter een door een partij in een regelmatig ingediende conclusie ontwikkeld verweer moet beantwoorden, maar niet dat hij moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een verweer wordt ingeroepen zonder evenwel een afzonderlijk verweer te vormen.
- Het arrest (p. 18-20) oordeelt dat: - de schriftdeskundige adviseert dat de betwiste handtekening op de kwijting “met aan de zekerheid grenzende waarschijnlijkheid” en aldus met de hoogste mate van zekerheid niet van de hand van G.B. is; - het advies van de schriftdeskundige wordt verantwoord door het documenttechnisch onderzoek en het schriftvergelijkend onderzoek; - het documenttechnisch onderzoek indicatief is voor imitatie na vooroefening of naar voorliggend model wegens de gestoorde schrijfbeweging en de relatief monotone schrijfdruk, wat niet wijst op een spontane grafomotoriek; - de schriftdeskundige voldoende onderlegd is om de evolutie in een geschrift te kunnen onderkennen en aan te geven niet over voldoende elementen te beschikken om zijn opdracht in voorkomend geval te vervullen; - de eisers een beroep hebben gedaan op een eigen expert waarbij deze in een summier verslag stelt dat hij beperkt is in zijn vaststellingen omdat hij geen onderzoek kon doen op originele documenten en besluit dat de conclusie dat de handtekening niet van G.B. is, niet voldoende is onderbouwd; - het appelgerecht vooral is geïnteresseerd in een beschrijving van de grafische onverenigbaarheden, zoals in het verslag van de schriftdeskundige, en niet in grafische overeenkomsten zoals in het verslag van de expert van de eisers.
- Met die redenen beantwoordt en verwerpt de appelrechter het bedoelde verweer, zonder dat hij dient in te gaan op elk argument dat tot staving van dit verweer werd ingeroepen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek en miskenning van het wettelijk begrip oorzakelijk verband: het arrest oordeelt dat de eisers een fout hebben begaan bestaande in het plegen van de misdrijven die zich vereenzelvigen met het feit van de vervolging onder de telastleggingen A.1 en A.2, die in oorzakelijk verband staat met de door de verweerster geleden schade, gelet op het gebruik van de valse stukken van de leningsovereenkomst en van de kwijting in de burgerlijke procedure die de verweerster opstartte; volgens de verweerster was er geen wettige reden voor de terugbetaling van de som van 121.974,00 euro door G.B. aan de eisers en bestond er dus geen leningsovereenkomst; nochtans is de leningsovereenkomst enkel vals bevonden voor wat betreft de datum van de overhandiging van 120.000,00 euro op 10 januari 2015 en werd enkel vastgesteld dat de kwijting van 24 februari 2013 vals is, waardoor de datum van de contante betaling niet met de waarheid overeenstemt en er moet worden besloten dat wel degelijk een bedrag van 120.000,00 euro werd overhandigd aan G.B., maar dan op een andere datum, er kan niet worden aangenomen dat de lening onbestaande is; bijgevolg kan het arrest geen oorzakelijk verband vaststellen tussen de feiten van de telastleggingen A.1 en A.2 en de beweerdelijk door de verweerster geleden schade in het kader van haar rechten in de nalatenschap van G.B. omdat deze laatste sowieso de geleende som moest terugbetalen.
- Het middel berust, zoals is uiteengezet in het antwoord op het eerste onderdeel van het tweede middel, op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg ook feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten op 133,51 euro, waarvan 98,51 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 3 december 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241203.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170607.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.10 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240305.2N.9 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240423.2N.13 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.33 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251202.2N.5 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260127.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div