id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241203.2N.22 Rolnummer: P.24.1287.N Zaak: T. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2024-12-09 Raadplegingen: 576 - laatst gezien 2026-06-17 03:25 Fiche Indien de rechter de aan een beklaagde ten laste gelegde feiten van opzettelijke verwondingen of slagen met de omstandigheid dat die een ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid tot gevolg hadden als bedoeld door de artikelen 392 en 399, eerste lid, Strafwetboek heromschrijft in opzettelijke verwondingen of slagen als bedoeld door de artikelen 392 en 398, eerste lid, Strafwetboek, of met andere woorden zonder de in artikel 399, eerste lid, Strafwetboek vermelde verzwarende omstandigheid, vereisen artikel 6 EVRM of de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging niet dat de rechter de beklaagde ter zake verwittigt; de beklaagde kan zich immers ook zonder verwittiging verdedigen over de heromschreven feiten en dit zowel op straf- als op burgerlijk gebied. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1287.N N. T., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Ruben Vispoel, advocaat bij de balie Gent, tegen L. V., burgerlijke partij, verweerder, met als raadsman mr. Jan Goedhuys, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 9 augustus
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. De eiser heeft op 28 november 2024 een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde antwoordnoot ingediend. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; enerzijds verklaart het op strafgebied de eiser schuldig aan het toebrengen van opzettelijke verwondingen of slagen aan de verweerder zonder dat dit een ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid tot gevolg heeft gehad; anderzijds veroordeelt het de eiser tot de betaling aan de verweerder van schadevergoedingen wegens tijdelijke en blijvende persoonlijke ongeschiktheid.
- Een tegenstrijdigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek in de zin van artikel 149 Grondwet veronderstelt redenen of beschikkingen van eenzelfde rechterlijke beslissing die elkaar opheffen of teniet doen.
- De ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid in de zin van de artikelen 399, eerste lid, en 400, eerste lid, Strafwetboek doelt op de abstracte mogelijkheid voor het slachtoffer om gewone arbeid te verrichten.
- Het arrest (p. 10) stelt vast dat in de medische attesten van kort na de feiten geen sprake is van een persoonlijke ongeschiktheid en dat in het verslag van dr. A. van 25 januari 2022 uitdrukkelijk wordt vermeld dat de verweerder niet arbeidsongeschikt was. Het oordeelt ook dat de fysieke hinder zonder repercussies op het vlak van persoonlijke arbeid niet gelijk te stellen is met de ongeschiktheid als bedoeld in artikel 399 Strafwetboek en beslist op basis daarvan de aan de eiser ten laste gelegde feiten te heromschrijven als een inbreuk op de artikelen 392 en 398, eerste lid, Strafwetboek, namelijk het toebrengen van opzettelijke verwondingen of slagen aan de verweerder. Bij de beslechting van de burgerlijke vordering van de verweerder oordeelt het arrest (p. 13) dat de door dr. A. beschreven ongeschiktheid geen ongeschiktheid is tot het verrichten van persoonlijke arbeid, maar een loutere fysieke ongeschiktheid zonder economische implicaties en dat de door de verweerder gevorderde bedragen voor persoonlijke ongeschiktheid met uitsluiting van de economische ongeschiktheid worden toegekend. Deze oordelen heffen elkaar niet op of doen elkaar niet te niet, zodat ze niet tegenstrijdig zijn. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt: het arrest heromschrijft de aan de eiser ten laste gelegde feiten naar een inbreuk op de artikelen 392 en 398, eerste lid, Strafwetboek en verklaart hem daaraan schuldig, zonder dat de eiser de mogelijkheid werd geboden om daarover verweer te voeren; daardoor kon de eiser evenmin verweer voeren over de burgerlijke vordering van de verweerder.
- Indien de rechter de aan een beklaagde ten laste gelegde feiten van opzettelijke verwondingen of slagen met de omstandigheid dat die een ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid tot gevolg hadden als bedoeld door de artikelen 392 en 399, eerste lid, Strafwetboek heromschrijft in opzettelijke verwondingen of slagen als bedoeld door de artikelen 392 en 398, eerste lid, Strafwetboek, of met andere woorden zonder de in artikel 399, eerste lid, Strafwetboek vermelde verzwarende omstandigheid, vereisen artikel 6 EVRM of de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging niet dat de rechter de beklaagde ter zake verwittigt. De beklaagde kan zich immers ook zonder verwittiging verdedigen over de heromschreven feiten en dit zowel op straf- als op burgerlijk gebied. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers in zijn appelconclusie geformuleerde verzoek om, gelet op het eenzijdig karakter van het verslag van dr. A., een neutrale gerechtsdeskundige aan te stellen.
- Het arrest (p. 13) oordeelt betreffende het verslag van dr. A. dat de door de verweerder opgelopen schade als gevolg van de toegebrachte slagen en verwondingen correct werd beschreven in dat verslag en laat de aanvoering van de eiser dat deze arts erom bekend zou staan onbetrouwbare verslagen op te stellen voor rekening van de eiser, omdat dit op geen enkele wijze wordt aangetoond. Daarmee beantwoordt en verwerpt het arrest het door het middel bedoelde verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 100,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 3 december 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241203.2N.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div