← België

C. contra R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241203.2N.6 Rolnummer: P.24.1057.N Zaak: C. contra R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2024-12-09 Raadplegingen: 502 - laatst gezien 2026-06-16 14:54 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Indien een appellant in het door artikel 204 Wetboek van Strafvordering bedoelde verzoekschrift of formulier louter een grief vermeldt, zonder daarbij een duidelijke eis, exceptie of verweer te formuleren, verplicht artikel 149 Grondwet de appelrechter niet om daarop te antwoorden; het aankruisen als grief van de rubriek “schuld” met vermelding “A. Vrijspraak voor de verweerder. Tenlastelegging wél bewezen, minstens herkwalificatie der feiten”, zonder evenwel te preciseren naar welk misdrijf de feiten van de telastlegging A ondergeschikt zouden moeten worden geherkwalificeerd, bevat geen eis of verweer die het arrest diende te beantwoorden. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 6 Indien door de wijze van omschrijving van een telastlegging van belaging in een vordering van het openbaar ministerie tot internering van een inverdenkinggestelde, de feiten van belaging zijn beperkt tot welomschreven gedragingen, kan het onderzoeksgerecht dat oordeelt dat de inverdenkinggestelde die welomschreven gedragingen niet heeft gepleegd, niet beslissen dat de inverdenkinggestelde de belaging heeft gepleegd, behoudens aanpassing of aanvulling van de omschrijving. Thesaurus CAS: BELAGING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 442bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 442bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 442bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1057.N

  1. B. C.,
  2. PZ KRUIBEKE-TEMSE, met zetel te 9140 Temse, Nagelheetmakerslaan 1, ON 0267.353.279, burgerlijke partijen, eisers, met beiden met als raadslieden mr. Joris Van Cauter en mr. Karel De Meester, advocaten bij de balie Gent, tegen H. R., inverdenkinggestelde, verweerder. met als raadslieden mr. Tine Decoster en mr. Loïc Cerulus, advocaten bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 18 juni
  3. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de motiveringsplicht: de appelrechters beantwoorden niet de in de grievenformulieren van de eisers gestelde vraag tot herkwalificatie van de feiten van de telastlegging A.
  5. Indien een appellant in het door artikel 204 Wetboek van Strafvordering bedoelde verzoekschrift of formulier louter een grief vermeldt, zonder daarbij een duidelijke eis, exceptie of verweer te formuleren, verplicht artikel 149 Grondwet de appelrechter niet om daarop te antwoorden.
  6. De eisers hebben in hun grievenformulieren, beiden, de rubriek “schuld” aangekruist met de vermelding “A. Vrijspraak voor [de verweerder]. Tenlastelegging wél bewezen, minstens herkwalificatie der feiten”, zonder evenwel te preciseren naar welk misdrijf de feiten van de telastlegging A volgens hen ondergeschikt zouden moeten worden geherkwalificeerd. Aldus bevat de vermelde grief geen eis of verweer die het arrest diende te beantwoorden. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 442bis Strafwetboek: in zoverre de appelrechters oordelen dat een éénmalig en kort incident, dat geen niet-aflatend karakter vertoont en waarbij er evenmin sprake is van een terugkerende gedraging, geen belaging kan uitmaken, gaan zij uit van een verkeerde rechtsopvatting; ook één enkele gedraging die door haar aard niet-aflatende of steeds terugkerende gevolgen heeft waardoor iemands persoonlijke levenssfeer ernstig wordt aangetast, kan het misdrijf belaging opleveren; dat de appelrechters eveneens oordelen dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de verweerder de eiser 1 zou hebben bedreigd, doet hieraan geen afbreuk, aangezien artikel 442bis Strafwetboek niet vereist dat er sprake is van bedreigingen.
  8. Artikel 442bis Strafwetboek stelt strafbaar hij die een persoon heeft belaagd terwijl hij wist of had moeten weten dat hij door zijn gedrag de rust van die bewuste persoon ernstig zou verstoren.
  9. Indien door de wijze van omschrijving van een telastlegging van belaging in een vordering van het openbaar ministerie tot internering van een inverdenkinggestelde, de feiten van belaging zijn beperkt tot welomschreven gedragingen, kan het onderzoeksgerecht dat oordeelt dat de inverdenkinggestelde die welomschreven gedragingen niet heeft gepleegd, niet beslissen dat de inverdenkinggestelde de belaging heeft gepleegd, behoudens aanpassing of aanvulling van de omschrijving. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  10. De verweerder werd onder de telastlegging B vervolgd wegens belaging van de eiser 1 op 17 november 2022, omschreven als “namelijk door meerdere bedreigingen te uiten naar het slachtoffer en hem alzo te hebben belaagd”.
  11. Het arrest oordeelt (p. 12-13) over de telastlegging B, onder meer, dat: - het enige wat op basis van de gegevens van het vooronderzoek en het onderzoek op de rechtszitting vaststaat, is dat er zich een discussie heeft afgespeeld naar aanleiding van een vermeende inbreuk, waarvoor de eiser 1 proces-verbaal wou opstellen ten aanzien van de verweerder en waarbij deze laatste tijdens de discussie het portier heeft proberen openen en de woorden “lafaard” en “homo” heeft geroepen naar de eiser 1; - deze uitlatingen, hoe misplaatst en bedenkelijk ook, geen bedreigingen uitmaken, zodat er geen aanwijzingen zijn dat de verweerder meerdere bedreigingen zou hebben geuit, zoals door het openbaar ministerie wordt aangenomen in de omschrijving van de telastlegging; - het strafdossier verder onvoldoende aanwijzingen bevat dat de verweerder de eiser 1 zou hebben bedreigd door het roepen van de achternaam van de partner van laatstgenoemde. Met deze redenen verantwoorden de appelrechters de beslissing dat de feiten van de telastlegging B niet bewezen zijn, naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  12. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het oordeel van de appelrechters dat de discussie die zich heeft afgespeeld tussen de verweerder en de eiser 1 een kortstondig en éénmalig incident betreft, dat geen niet-aflatend karakter vertoont en er evenmin sprake is van terugkerende gedragingen, komt het derhalve op tegen overtollige redenen en kan het niet tot cassatie leiden. In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 442bis Strafwetboek: de appelrechters oordelen ten onrechte dat zij geen rekening kunnen houden met eerdere incidenten tussen de eiser 1 en de verweerder; de appelrechters konden echter bij de beoordeling van de niet-aflatende of steeds terugkerende gevolgen van het gedrag van de verweerder, wel rekening houden met deze eerdere feiten.
  14. Het onderdeel komt, om dezelfde redenen als vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, op tegen overtollige redenen en is niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten op 97,21 euro, waarvan 62,21 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 3 december 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241203.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.