id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241203.2N.8 Rolnummer: P.23.1086.N Zaak: COLDTRANS Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Unierecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-12-09 Raadplegingen: 562 - laatst gezien 2026-06-18 09:31 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Inbreuken op bepalingen genomen op grond van artikel 9, § 1, KB 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen, ter uitvoering van internationale verdragen of akten kunnen worden bestraft overeenkomstig artikel 9, § 3, KB 22 februari 2001, en dit Koninklijk Besluit en dus ook de strafbaarstelling ervan werd bekrachtigd door artikel 2, 1°, van de wet van 19 juli 2001 tot bekrachtiging en wijziging van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen en tot bekrachtiging van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 betreffende de financiering van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen; inbreuken op de Verordening 852/2004 betreffende levensmiddelenhygiëne zijn evenwel geen inbreuken op bepalingen genomen ter uitvoering van internationale verdragen of akten zodat artikel 9, § 3, KB 22 februari 2001 dan ook geen grondslag kan vormen voor een strafbaarstelling van inbreuken op de Verordening 852/2004
(1).
(1)Zie Cass. 25 oktober 2022, AR P.20.0263.N, arrest niet gepubliceerd: dit betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof van beroep te Gent van 5 februari 2020; eiseres I en eiser II werden onder telastlegging A verweten als exploitant van een levensmiddelenbedrijf niet ervoor te hebben gezorgd dat alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen die hij onder zijn beheer heeft, voldoen aan de vastgestelde toepasselijke hygiënevoorschriften, meer bepaald zich niet aan de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II van de Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne te hebben gehouden; de appelrechters verwijzen voor wat betreft de bestanddelen van het misdrijf naar de artikelen 3 en 4, tweede lid, van de verordening (EG) nr. 852/2004 en naar hoofdstuk I, punt 4, hoofdstuk II, punt 1.b),
- c)en
- f)en hoofdstuk V, punt 1.
- a)van haar bijlage II en voor wat betreft de strafbaarstelling naar artikel 9, § 2, KB 22 februari 2001 en de artikelen 2, eerste en tweede lid, en 3, 1°,
- a)en 2° tot 5° en 14 Wet 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de gebruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten. Uit artikel 9, § 2, KB 22 februari 2001 vloeit namelijk voort dat indien de Belgische wetgeving voor dezelfde strafbaar gestelde gedraging als in de Europese verordening een bestraffing voorziet, die straffen, hier bepaald in de wet 24 januari 1977, moeten worden toegepast. Het cassatieberoep werd verworpen. Thesaurus CAS: VOEDINGSMIDDELEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne - 29-04-2004 KB 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen - 22-02-2001 - Art. 9, §§ 1 en 3 - 33 ELI link Pub nr 2001022136 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne - 29-04-2004 KB 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen - 22-02-2001 - Art. 9, §§ 1 en 3 - 33 ELI link Pub nr 2001022136 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne - 29-04-2004 KB 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen - 22-02-2001 - Art. 9, §§ 1 en 3 - 33 ELI link Pub nr 2001022136 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne - 29-04-2004 KB 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen - 22-02-2001 - Art. 9, §§ 1 en 3 - 33 ELI link Pub nr 2001022136 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1086.N 1. COLDTRANS nv, met zetel te 9880 Aalter, Groendreef 10, ON 0628.640.469, beklaagde, eiseres, 2. G. A., beklaagde, eiser, beiden met als raadsman mr. Len Augustyns, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Brusselstraat 51, waar de eisers woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 14 juni 2023. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Bruno Lietaert heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 7 EVRM en de artikelen 12, tweede lid en 14 Grondwet, alsook miskenning van het legaliteitsbeginsel in strafzaken: de EG-Verordening van 29 april 2004 van het Europees Parlement en de Raad inzake levensmiddelenhygiëne (hierna Verordening 852/2004) voorziet niet in een bepaling die inbreuken op die Verordening strafbaar stelt; de strafbaarstelling wordt bepaald door het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen (hierna KB 22 februari 2001), meer bepaald door artikel 9, § 3, KB 22 februari 2001; ook overtredingen op het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende autocontrole, meldingsplicht en traceerbaarheid in de voedselketen (hierna KB 14 november 2003) worden strafbaar gesteld door het KB 22 februari 2001, meer bepaald door artikel 4, § 4, KB 22 februari 2001; deze strafbaarstellingen hebben echter geen wettelijke basis en werden evenmin genomen op grond van een wettelijke delegatie. 2. Artikel 9, § 1, KB 22 februari 2001 verleent de Koning de bevoegdheid maatregelen te nemen ter uitvoering van verplichtingen die voortvloeien uit internationale verdragen en uit de krachtens die verdragen tot stand gekomen akten. Inbreuken op bepalingen genomen ter uitvoering van internationale verdragen of akten kunnen worden bestraft overeenkomstig artikel 9, § 3, KB 22 februari 2001. Het KB 22 februari 2001 en dus ook de strafbaarstelling ervan werd bekrachtigd door artikel 2, 1°, van de wet van 19 juli 2001 tot bekrachtiging en wijziging van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen en tot bekrachtiging van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 betreffende de financiering van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. Inbreuken op de Verordening 852/2004 zijn evenwel geen inbreuken op bepalingen genomen ter uitvoering van internationale verdragen of akten. Artikel 9, § 3, KB 22 februari 2001 kan dan ook geen grondslag vormen voor een strafbaarstelling van inbreuken op de Verordening 852/2004. De schuldigverklaring van de eisers aan de feiten omschreven onder de telastleggingen A en B en de daarvoor opgelegde bestraffing zijn dan ook niet naar recht verantwoord. In zoverre is het onderdeel gegrond. 3. Inbreuken op het KB 22 februari 2001 worden strafbaar gesteld door artikel 4, § 4, KB 22 februari 2001. Deze strafbaarstelling werd ingevoerd bij artikel 5 van de wet van 28 maart 2003 tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen. Overeenkomstig artikel 4, § 1, KB 22 februari 2001 kan de Koning andere controlemodaliteiten bepalen dan de controles bepaald bij KB 22 februari 2001. Artikel 3, § 1, KB 14 november 2003 bepaalt dat elke operator voor elke vestigingseenheid een systeem van autocontrole moet instellen, toepassen en handhaven, dat de veiligheid van zijn producten omvat, hetgeen een andere controlemodaliteit is dan de controles bepaald bij KB 22 februari 2001. Inbreuken op deze verplichting zijn strafbaar overeenkomstig artikel 4, § 4, KB 22 februari 2001. In zoverre het onderdeel aanvoert dat er voor inbreuken op artikel 3, § 1, KB 14 november 2003 geen wettelijke strafbaarstelling bestaat, faalt het naar recht. 4. Het arrest kan dan ook oordelen dat er voor eisers’ schuldigverklaring aan de feiten omschreven onder de telastlegging C een wettelijke grondslag bestaat. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 7 EVRM en de artikelen 12, tweede lid en 14 Grondwet, alsook miskenning van het legaliteitsbeginsel in strafzaken: artikel 9, § 3, KB 22 februari 2001, dat inbreuken op de Verordening 852/2004 strafbaar stelt, is onduidelijk, onnauwkeurig en biedt geen rechtszekerheid aan de rechtszoekende; artikel 4, § 4, KB 22 februari 2001 dat inbreuken op het KB 14 november 2003 strafbaar stelt, is onduidelijk en onnauwkeurig; het arrest past beide bepalingen niettemin toe. 6. In zoverre het onderdeel betrekking heeft op de schuldigverklaring van de eisers aan de feiten omschreven onder de telastleggingen A en B en de bestraffing ervan, behoeft het gelet op de hierna uit te spreken vernietiging op grond van het eerste onderdeel geen antwoord. 7. Artikel 14 Grondwet bepaalt dat geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet. De legaliteit van een strafbepaling vereist dat ze voldoende toegankelijk is en als dusdanig of in samenhang met andere bepalingen gelezen, op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedraging omschrijft, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorzienbaar is. Aan het vereiste van de redelijke voorzienbaarheid is voldaan wanneer het voor de persoon op wie de strafbepaling van toepassing is, mogelijk is om op grond van de strafbepaling, de handelingen en verzuimen te kennen die zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid kunnen meebrengen. 8. Het staat aan de strafrechter om te oordelen over de schuld van een beklaagde aan een aan deze laatste ten laste gelegd misdrijf. Binnen dat kader dient de strafrechter te onderzoeken of de eventueel door hem toe te passen strafbepaling ten tijde van het feit klaarblijkelijk voldeed aan de vereisten van precisie, duidelijkheid en voorspelbaarheid opdat die bepaling op de beklaagde kan worden toegepast. Het feit dat die vereisten een algemene draagwijdte hebben die mee in de beoordeling moet worden betrokken, belet niet dat de strafrechter ze in de hem voorgelegde zaak concreet moet toepassen, rekening houdend met de persoon van de beklaagde en diens situatie ten tijde van de feiten. 9. Dat de rechter over een zekere beoordelingsvrijheid beschikt, is als dusdanig niet strijdig met het vereiste van redelijke voorzienbaarheid. Er moet immers rekening worden gehouden met het algemene karakter van wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. Het beginsel zelf van de algemeenheid van de wet brengt mee dat de bewoordingen ervan vaak geen absolute precisie kunnen hebben. 10. Artikel 4, § 4, KB 22 februari 2001 bestraft overtredingen op artikel 4 KB 22 februari 2001. Overeenkomstig artikel 4, § 1, kan de Koning onder meer andere controlemodaliteiten bepalen dan de controles bepaald bij KB 22 februari 2001. Artikel 3 KB 14 november 2003 bepaalt dat elke operator voor elke vestigingseenheid een systeem van autocontrole moet instellen, toepassen en handhaven, dat de veiligheid van zijn producten omvat. 11. Het arrest (p. 12-13) oordeelt dat: - de telastlegging C afdoende en detaillistisch omschreven is, en dat zowel in feite als in rechte; - deze concrete omschrijving de eisers toeliet zich naar behoren te verdedigen, wat zij inhoudelijk ook hebben gedaan; - de draagwijdte van de strafbaar gestelde gedraging voor de eisers in rechte als in feite redelijk voorzienbaar was, rekening houdend met de professionele vertrouwdheid van de eisers met de materie en de voorafgaande veelvuldige tussenkomsten en controles van het FAVV en de in dat kader gevoerde schriftelijk communicatie. Met die redenen oordelen de appelrechters naar recht dat er geen sprake is van een miskenning van het legaliteitsbeginsel in strafzaken. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel 12. Het middel voert schending aan van de Verordening 852/2004 en het KB 14 november 2003: de eiseres maakt deel uit van een groep in de voedingsindustrie die van grondstof tot eindproduct werkt; de producten worden aan plaatselijke detailhandelaars geleverd; de Verordening 852/2004 is echter niet van toepassing op de rechtstreekse levering door de producent aan plaatselijke detailhandelaars; het arrest verklaart de eisers derhalve onterecht schuldig aan de feiten onder de telastleggingen A en B; bovendien levert de eiseres geen diepvriesproducten; dat zijn producten die een speciaal bevriezingsproces hebben ondergaan om een temperatuur te bereiken onder de -18 graden Celsius wat niet het geval is met de producten die de eiseres transporteert; die producten worden ook niet in de handel gebracht op een wijze waaruit blijkt dat zij dit kenmerk bezitten; doordat het geen diepvriesproducten betreft, verklaart het arrest de eisers onterecht schuldig aan het feit vermeld onder de telastlegging C de temperatuur van diepvriesproducten niet rechtstreeks te hebben gecontroleerd; de eiseres voerde steekproefsgewijs controles uit en voldeed daarmee aan de verplichting een autocontrolesysteem op te zetten (eerste onderdeel); het arrest acht de feiten bewezen nu in de communicatie het woord “diepvries” werd gebruikt; het koninklijk besluit van 5 december 1990 betreffende diepvriesproducten omschrijft wat onder diepvriesproducten moet worden verstaan; het arrest baseert zich onterecht op de betekenis van het begrip diepvriezen in het informeel taalgebruik (tweede onderdeel). 13. In zoverre het middel betrekking heeft op de schuldigverklaring van de eisers aan de feiten omschreven onder de telastleggingen A en B en de bestraffing ervan, behoeft het gelet op de hierna uit te spreken vernietiging op grond van het eerste onderdeel van het eerste middel geen antwoord. 14. Het arrest stelt vast dat de Verordening 852/2004 en de EG-Verordening 853/2004 van 29 april 2004 van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong geen communautaire definitie bevatten van het begrip “diepvriesproduct”. Het omschrijft het begrip “diepvriesproduct” evenwel zoals in de Richtlijn 89/108/EEG van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake voor menselijke voeding bestemde diepvriesprodukten en zoals in het koninklijk besluit van 5 december 1990 betreffende diepvriesproducten. In zoverre het middel aanvoert dat het arrest het begrip “diepvriesproducten” omschrijft zoals in het informeel taalgebruik, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 15. In zoverre het middel aanvoert dat de eiseres geen diepvriesproducten transporteert, er dit kenmerk niet aan verleent en steekproefsgewijs controles uitvoert, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, en is het niet ontvankelijk. Omvang van de cassatie 16. De vernietiging van de beslissing over de schuld van de eisers aan de feiten omschreven onder de telastleggingen A en B leidt tot de vernietiging van de beslissing waarbij de eisers voor de feiten omschreven onder de telastleggingen A, B en C worden veroordeeld tot straf en de betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds, maar laat de overige beslissingen van het arrest onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige 17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit de hogere beroepen ontvankelijk verklaart, de saisine van het appelgerecht bepaalt en de eisers schuldig verklaart aan de feiten omschreven onder de telastlegging C. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers tot een vierde van de kosten van de cassatieberoepen. Houdt de beslissing over overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Bepaalt de kosten 345,57 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 3 december 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241203.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div