id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241206.1N.8 Rolnummer: C.20.0527.N Zaak: BELGISCHE STAAT FINANCIEN c SCORPIONS SECURITY bv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Strafrecht Invoerdatum: 2025-01-14 Raadplegingen: 440 - laatst gezien 2026-06-18 13:10 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241206.1N.8 Fiches 1 - 2 Indien een overtreder door middel van verschillende handelingen, meerdere inbreuken heeft gepleegd, worden de tarieven van de administratieve boetes overeenkomstig artikel 246 van de Wet van 2 oktober 2017 samengeteld, zonder dat het totale bedrag het dubbele van het hoogste boetebedrag, van toepassing op de begane inbreuken, mag overschrijden
(2)Wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid - 02-10-2017 - Art. 241 - 08 ELI link Pub nr 2017031388 Wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid - 02-10-2017 - Art. 242 - 08 ELI link Pub nr 2017031388 Wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid - 02-10-2017 - Art. 246 - 08 ELI link Pub nr 2017031388 Wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid - 02-10-2017 - Art. 247 - 08 ELI link Pub nr 2017031388 Thesaurus CAS: STRAF - SAMENLOOP - Allerlei Wettelijke bepalingen: Wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid - 02-10-2017 - Art. 241 - 08 ELI link Pub nr 2017031388 Wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid - 02-10-2017 - Art. 242 - 08 ELI link Pub nr 2017031388 Wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid - 02-10-2017 - Art. 246 - 08 ELI link Pub nr 2017031388 Wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid - 02-10-2017 - Art. 247 - 08 ELI link Pub nr 2017031388 Tekst van de beslissing Nr. C.20.0527.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, voor wie optreedt de Federale overheidsdienst Binnenlandse Zaken, met kantoor te 1000 Brussel, Leuvenseweg 1, eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen SCORPIONS SECURITY bv, met zetel te 2950 Kapellen, Starrenhoflaan 43, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0465.509.928, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in laatste aanleg van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel van 30 april 2019. Advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman heeft op 7 november 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Michael Traest heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Artikel 241 van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, hierna Nieuwe Bewakingswet, bepaalt dat de betaling van de minnelijke schikking binnen de termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van het voorstel tot minnelijke schikking, de procedure tot het opleggen van een administratieve geldboete doet vervallen en in elk ander geval een procedure zal worden aangevat tot het opleggen van een administratieve geldboete. Artikel 242 van deze wet bepaalt dat een administratieve geldboete van 100 euro tot 25.000 euro kan worden opgelegd met dien verstande dat het bedrag van de administratieve geldboete wordt vastgesteld volgens de boetevorken die gelden voor de inbreuken op de bepalingen bedoeld in de als bijlage bij deze wet gevoegde boetetabel. Krachtens artikel 246 Nieuwe Bewakingswet worden bij samenloop van inbreuken de tarieven van de administratieve boetes samengeteld zonder dat het totale bedrag het dubbele van het hoogste boetebedrag, van toepassing op de begane inbreuken, mag overschrijden. Artikel 247 van deze wet bepaalt dat, indien een overtreder door middel van dezelfde handeling, meerdere inbreuken heeft gepleegd, enkel de zwaarste administratieve geldboete van de onderscheiden inbreuken, van toepassing is. 2. Uit de samenhang van deze wetsbepalingen volgt dat, indien een overtreder door middel van verschillende handelingen, meerdere inbreuken heeft gepleegd, de tarieven van de administratieve boetes overeenkomstig artikel 246 worden samengeteld, zonder dat het totale bedrag het dubbele van het hoogste boetebedrag, van toepassing op de begane inbreuken, mag overschrijden. Deze wetsbepalingen laten de rechter, bij wie een beroep tegen een beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete aanhangig wordt gemaakt, echter niet toe om met toepassing van artikel 247 slechts één enkele administratieve geldboete, met name de zwaarste, op te leggen indien hij zou oordelen dat de verschillende handelingen van de overtreder de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde opzet. 3. De rechtbank stelt vast en oordeelt dat: - aan de verweerster drie inbreuken worden verweten, met name op (
- i)artikel 7, 2°, Koninklijk Besluit van 15 maart 2010 tot regeling van bepaalde methodes van bewaking doordat de bewakingsagent niet in het bezit was van een stil alarm en een omvalalarm, (
- ii)artikel 8, 1°, van voormeld koninklijk besluit doordat het voertuig niet was uitgerust met een voertuigteken dat identificatie van het voertuig door de politiediensten mogelijk maakt en (iii) artikel 8, 3°, van voormeld koninklijk besluit doordat het voertuig niet was uitgerust met een opschrift dat de vergunning vermeldt, afgeleverd aan de bewakingsonderneming door de bevoegde minister; - de gevolmachtigde ambtenaar bij de Algemene Directie Veiligheids- en Preventiebeleid bij de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken op 1 juli 2016 besliste om voor de door de verweerster begane inbreuk op artikel 8, 3°, Koninklijk Besluit van 15 maart 2010 tot regeling van bepaalde methodes van bewaking een minnelijke schikking van 750 euro voor te stellen, die de verweerster heeft aanvaard en betaald; - de gevolmachtigde ambtenaar bij de Algemene Directie Veiligheids- en Preventiebeleid bij de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken besliste om voor de door de verweerster begane inbreuken op de artikelen 7, 2° en 8, 1°, Koninklijk Besluit van 15 maart 2010 tot regeling van bepaalde methodes van bewaking een gezamenlijke administratieve geldboete op te leggen van 5.000 euro; - de verweerster een feitelijk verweer ten gronde voert voorhoudende dat haar werknemers, anders dan wat B.D.C. verklaart, wel degelijk over de vereiste alarmsystemen beschikten en de ontbrekende vergunningssticker op de achterzijde en de ontbrekende speciale kentekenplaat te wijten zijn aan een recent ongeval waarbij de achterzijde van het voertuig werd hersteld en waarbij de aangevraagde stickers nog niet met de post waren aangekomen; - het feitelijke verweer niet ertoe leidt dat deze inbreuken niet bewezen zouden zijn; - verzachtende omstandigheden gelden, waardoor de rechtbank op grond van de artikelen 242 en 254 Nieuwe Bewakingswet oordeelt dat de opgelegde boete alvast moet worden gematigd tot 70 pct. van de minimale op te leggen boete of tot 70 pct. van 2.500 euro, hetzij 1.750 euro; - daarenboven rekening kan worden gehouden met het reeds betaalde bedrag van 750 euro ingevolge de minnelijke schikking voor de inbreuk op artikel 8, 3°, Koninklijk Besluit van 15 maart 2010 tot regeling van bepaalde methodes van bewaking, vermits artikel 247 Nieuwe Bewakingswet bepaalt dat, indien een overtreder door middel van dezelfde handeling, meerdere inbreuken heeft gepleegd, enkel de zwaarste administratieve geldboete van de onderscheiden inbreuken, van toepassing is; - overeenkomstig artikel 246 Nieuwe Bewakingswet geen optelling dient te gebeuren vermits de drie inbreuken feitelijk voortspruiten uit eenzelfde voortgezette handeling, met name de overkoepelende nalatigheid om het voertuig te voorzien van de nodige identificatie en om de alleen handelende bewakingsagenten te voorzien van de nodige alarmen, en vermits elke inbreuk afzonderlijk beteugelbaar is met 2.500 euro tot 5.000 euro; - de omstandigheid dat de verweerster een minnelijke schikking heeft betaald voor één van de drie inbreuken die feitelijk alle drie verbonden zijn door eenheid van opzet door nalatigheid, niet ertoe mag leiden dat deze inbreuk op artikel 8, 3°, Koninklijk Besluit van 15 maart 2010 tot regeling van bepaalde methodes van bewaking buiten beschouwing wordt gelaten alsof deze inbreuk door de betaling van de minnelijke schikking feitelijk geen deel meer uitmaakt van hetzelfde opzet; - de boete zodoende wordt herleid tot 1.000 euro, rekening houdend met het reeds betaalde bedrag van 750 euro. 4. De rechtbank, die met deze redenen vaststelt dat de verweerster door middel van verschillende handelingen, die de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde opzet, meerdere inbreuken heeft gepleegd doch niettemin oordeelt dat “er geen optelling [dient] te gebeuren in de zin van artikel 246 van de nieuwe Bewakingswet” en toepassing maakt van artikel 247 Nieuwe Bewakingswet om de boete van 5.000 euro te herleiden naar 1.000 euro, rekening houdend met het reeds betaalde bedrag van 750 euro, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre dit het beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 6 december 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241206.1N.8 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241206.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div