← België

E. contra MZIA BV

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 2 - 3 Artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het verzet als ongedaan wordt beschouwd indien de eiser in verzet, wanneer hij persoonlijk of in de persoon van een advocaat verschijnt en vaststaat dat hij kennis heeft gehad van de dagvaarding, geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden beslissing, waarbij het erkennen van de aangevoerde overmacht of reden overgelaten wordt aan het soevereine oordeel van de rechter; uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat de wetgever de misbruiken van de verzetsprocedure heeft willen tegengaan door een beperking van de mogelijkheid om tegen een verstekbeslissing verzet aan te tekenen, zonder daarbij afbreuk te doen aan het recht van de partijen om te worden gehoord als onderdeel van het recht op een eerlijk proces, en aan de vereisten die ter zake worden gesteld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens

(1).
(1)Cass. 18 januari 2022, AR P.21.1291.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.9, AC 2022, nr. 38 met concl. van advocaat-generaal B. DE SMET. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 5 Uit de wetsgeschiedenis van art. 187, §6, 1° Wetboek van Strafvordering en de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gegeven uitlegging van artikel 6 EVRM volgt dat het door artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering gehanteerde begrip “wettige reden van verschoning” die gevallen omvat die geen overmacht uitmaken en waarin de verzetdoende partij kennis had van de dagvaarding, maar een reden aanvoert waaruit blijkt dat haar afwezigheid niet was ingegeven door de wens afstand te doen van haar recht om te verschijnen en zich te verdedigen, noch om zich te onttrekken aan het gerecht; die afstand of die wil zich te onttrekken kan niet alleen worden afgeleid uit een expliciete beslissing van de verzetdoende partij, maar ook uit het feit dat die partij zonder redelijke verantwoording niet is komen opdagen op de rechtszitting waarop zij behoorlijk was opgeroepen en voldoende de gevolgen kan inschatten van de beslissing om afwezig te blijven; de rechter oordeelt daarover onaantastbaar; het Hof gaat evenwel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord

(1).
(1)Cass. 18 januari 2022, AR P.21.1291.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.9, AC 2022, nr. 38 met concl. van advocaat-generaal B. DE SMET. Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 6 Uit het enkele feit dat een partij vertegenwoordigd was door een raadsman op de inleidingszitting, waarop er conclusietermijnen en een rechtsdag werden bepaald, volgt niet dat zij op het ogenblik dat zij afwezig bleef en verstek liet gaan bij de behandeling van de zaak, niet de wens kan hebben gehad afstand te doen van haar recht te verschijnen en zich te verdedigen of zich te onttrekken aan het gerecht

(1).
(1)Cass. 18 januari 2022, AR P.21.1291.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.9, AC 2022, nr. 38 met concl. van advocaat-generaal B. DE SMET. Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1297.N C. E., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Loïc Cerulus, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen

  1. GOLD TAJ gcv, met zetel te 2870 Puurs-Sint-Amands, Veurtstraat 7, ON 0686.941.231, burgerlijke partij, verweerster,
  2. MZIA bv, met zetel te 2018 Antwerpen, Pelikaanstraat 3 bus 1450, ON 0451.548.361, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 7 september 2023 (hierna arrest I). Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 6 juni 2024 (hierna arrest II). Het cassatieberoep III is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 14 augustus 2024 (hierna arrest III). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan betreffende het arrest III. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de cassatieberoepen I en II werden betekend aan de verweersters. In zoverre tegen die verweersters gericht, zijn de cassatieberoepen I en II niet ontvankelijk.
  4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het cassatieberoep III werd betekend aan de verweerster
  5. In zoverre tegen die verweerster gericht, is het cassatieberoep III niet ontvankelijk. Middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering: het arrest III verklaart het verzet ten onrechte ongedaan; na de voortzetting van de behandeling van de zaak op de rechtszitting van 7 december 2023 naar de rechtszitting van 2 mei 2024 verklaarde de toenmalige raadsman van de eiser zich zonder instructie; de eiser wierp op de rechtszitting van 7 augustus 2024 op dat hij geen contact meer had met zijn raadsman na de rechtszitting van 7 december 2023 als reden tot verschoning; het niet komen opdagen, noch zich laten vertegenwoordigen na de rechtszitting van 7 december 2023 is een gevolg van de nalatigheid van de eiser maar deze nalatigheid is op zichzelf onvoldoende om te oordelen tot de ongedaanverklaring van het verzet van de eiser; het gevolg van deze nalatigheid van de eiser kan onmogelijk een omstandigheid uitmaken die door de appelrechters kan worden aangewend om een onttrekking aan het gerecht, dan wel een afstand van het recht op persoonlijke verschijning of verdediging te motiveren.
  7. Uit artikel 6 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat een partij die in haar afwezigheid werd veroordeeld, de mogelijkheid moet hebben om de zaak opnieuw en ditmaal in haar aanwezigheid te laten beoordelen, tenzij vaststaat dat zij heeft verzaakt aan het recht om te verschijnen en zich te verdedigen of zij de intentie had zich te onttrekken aan het gerecht.
  8. Artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het verzet als ongedaan wordt beschouwd indien de eiser in verzet, wanneer hij persoonlijk of in de persoon van een advocaat verschijnt en vaststaat dat hij kennis heeft gehad van de dagvaarding, geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden beslissing, waarbij het erkennen van de aangevoerde overmacht of reden overgelaten wordt aan het soevereine oordeel van de rechter.
  9. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat de wetgever de misbruiken van de verzetsprocedure heeft willen tegengaan door een beperking van de mogelijkheid om tegen een verstekbeslissing verzet aan te tekenen, zonder daarbij afbreuk te doen aan het recht van de partijen om te worden gehoord als onderdeel van het recht op een eerlijk proces, en aan de vereisten die ter zake worden gesteld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
  10. Uit diezelfde wetsgeschiedenis en de voormelde door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gegeven uitlegging van artikel 6 EVRM volgt dat het door artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering gehanteerde begrip “wettige reden van verschoning” die gevallen omvat die geen overmacht uitmaken en waarin de verzetdoende partij kennis had van de dagvaarding, maar een reden aanvoert waaruit blijkt dat haar afwezigheid niet was ingegeven door de wens afstand te doen van haar recht om te verschijnen en zich te verdedigen, noch om zich te onttrekken aan het gerecht. Die afstand of die wil zich te onttrekken kan niet alleen worden afgeleid uit een expliciete beslissing van de verzetdoende partij, maar ook uit het feit dat die partij zonder redelijke verantwoording niet is komen opdagen op de rechtszitting waarop zij behoorlijk was opgeroepen en voldoende de gevolgen kan inschatten van de beslissing om afwezig te blijven.
  11. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar. Het Hof gaat evenwel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
  12. Uit het enkele feit dat een partij vertegenwoordigd was door een raadsman op de inleidingszitting en ook op een navolgende rechtszitting waarop een getuige werd gehoord en de zaak in voortzetting werd gesteld, volgt niet dat zij op het ogenblik dat zij afwezig bleef en verstek liet gaan bij de behandeling van de zaak, niet de wens kan hebben gehad afstand te doen van haar recht te verschijnen en zich te verdedigen of zich te onttrekken aan het gerecht.
  13. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  14. Het arrest III (p. 10) oordeelt dat: - uit het verstekarrest en uit de stukken van de rechtspleging van de procedure in hoger beroep blijkt dat de eiser op de inleidingszitting van 22 juni 2023 werd vertegenwoordigd door zijn raadsman; - de eiser ook op de rechtszitting van 7 december 2023 waarop de getuige L.D.K. werd gehoord en waarop de zaak in voortzetting werd gesteld naar de rechtszitting van 2 mei 2024 was vertegenwoordigd door zijn raadsman; - bij schrijven van 5 februari 2024 de raadsman van de eiser meldde zonder instructies te zijn; - de eiser op de rechtszitting van 2 mei 2024 waarop de zaak verder werd behandeld en in beraad werd genomen, niet verscheen, noch iemand voor hem; - gelet op het voorgaande vast staat dat de eiser kennis had van de dagvaarding in de procedure in hoger beroep; - door de eiser geen gewag wordt gemaakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek; - het loutere feit dat hij geen contact meer had met zijn raadsman na de rechtszitting van 7 december 2023 niet kan worden beschouwd als een omstandigheid buiten de wil van de eiser die door hem onmogelijk kon worden voorzien of vermeden; - van de eiser immers mag worden verwacht dat hij zelf zou informeren naar de datum waarop de zaak in voortzetting werd gesteld wat hij evenwel heeft nagelaten te doen; - het duidelijk is dat de eiser de bedoeling had om zich te onttrekken aan het gerecht daar hij zonder redelijke verantwoording niet is komen opdagen, noch zich heeft laten vertegenwoordigen na de rechtszitting van 7 december
  15. Op grond van die redenen kunnen de appelrechters, zonder eisers recht op toegang tot een rechterlijke instantie te miskennen, oordelen dat uit de handelwijze van de eiser de wens moet worden afgeleid afstand te doen van zijn recht om te verschijnen en zich te verdedigen en dat het verzet van de eiser bijgevolg ongedaan moet worden verklaard. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 87,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 10 december 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241210.2N.20 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.