← België

R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 6 Wanneer voor het Hof wordt aangevoerd dat er geen redelijke verantwoording bestaat om ten aanzien van een beklaagde die in België geen woon- of verblijfplaats noch gekozen woonplaats heeft

aan wie de verstekbeslissing in het buitenland werd betekend, de in artikel 55 Gerechtelijk Wetboek bedoelde termijnverlenging slechts toe te passen op de buitengewone termijn van verzet, die volgens artikel 187, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering van toepassing is wanneer de betekening in het buitenland van de verstekbeslissing niet aan de persoon is gebeurd,

niet op de gewone termijn van verzet, die volgens artikel 187, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering van toepassing is wanneer de verstekbeslissing in het buitenland aan de persoon werd betekend, is er grond om overeenkomstig artikel 26, § 1, 3°,

§ 2, eerste lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen

(1).
(1)Cass. 21 oktober 2009, AR P.09.0576.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091021.3, AC 2009, nr. 598, NC 2011, 55 met noot van T. DESCHEPPER, “Over de verlenging van de buitengewone verzetstermijn”; Cass. 17 december 2002, RW 2003-2004, 1102 met noot S. VAN OVERBEKE, “Verlenging van termijnen om rechtsmiddelen aan te wenden in strafzaken voor een partij die in België geen woon-of verblijfplaats heeft”. Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 55 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,

§ 2

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 55 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,

§ 2- 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART.

1 TOT 99) - Artikel 11 Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 55 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,

§ 2

- 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: BETEKENINGEN

KENNISGEVINGEN - IN HET BUITENLAND Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 55 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,

§ 2

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 55 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,

§ 2

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 55 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,

§ 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Tekst van de beslissing Nr.

P.24.0054.N M. R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Andy Boermans, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 21 december

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. FEITEN
  2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende: - de eiser werd bij verstek veroordeeld bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 26 juni 2019; - het verstekarrest van 26 juni 2019 werd aan de eiser, die in België geen woon- of verblijfplaats noch gekozen woonplaats heeft, in persoon betekend in Frankrijk door een Franse gerechtsdeurwaarder bij exploot van 19 juli 2019; - de eiser heeft bij gerechtsdeurwaardersexploot van 4 augustus 2023 verzet aangetekend tegen het verstekarrest van 26 juni 2019; - bij arrest van 21 december 2023 heeft het hof van beroep geoordeeld dat de termijn van verzet eindigde op donderdag 3 augustus 2023

het op 4 augustus 2023 aangetekende verzet bijgevolg onontvankelijk verklaard. De appelrechters oordeelden dat de termijn van verzet niet wordt verlengd bij toepassing van artikel 55 Gerechtelijk Wetboek, omdat het verstekarrest aan de eiser in persoon werd betekend

de termijnverlenging bij toepassing van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 301 van 30 maart 1936 slechts van toepassing is op de buitengewone termijn van verzet, indien de verstekbeslissing niet aan de persoon is betekend, maar niet op de gewone termijn van verzet, die geldt wanneer de verstekbeslissing aan de persoon werd betekend. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel 2. Het middel voert schending aan van de artikelen 10

11 Grondwet, artikel 187 Wetboek van Strafvordering

artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 301 van 30 maart 1936: met het oordeel dat de in artikel 55 Gerechtelijk Wetboek bedoelde termijnverlenging slechts van toepassing is op het verzet in de buitengewone termijn van verzet maar niet op het verzet dat de eiser, aan wie het verstekvonnis in Frankrijk in persoon werd betekend, heeft aangetekend in de gewone termijn van verzet, verantwoordt het arrest niet naar recht dat het door de eiser aangetekende verzet onontvankelijk moet worden verklaard; het louter toepassen van de voormelde termijnverlenging, die in het leven werd geroepen teneinde het recht van verdediging niet te beknotten, op het verzet dat binnen de vijftien dagen na de kennisname van de betekening van het verstekvonnis wordt aangetekend door de in het buitenland wonende beklaagde aan wie het verstekvonnis niet in persoon werd betekend, houdt een niet te verantwoorden ongelijke behandeling in ten aanzien van de in het buitenland wonende beklaagde aan wie het verstekvonnis wel in persoon werd betekend

wiens verzet moet worden aangetekend binnen de vijftien dagen na die betekening zonder dat op die termijn de voormelde termijnverlenging van toepassing is; dit houdt een miskenning in van het gelijkheidsbeginsel; op dit punt dient dan ook een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te worden gesteld. 3. Het middel voert in wezen aan dat er geen redelijke verantwoording bestaat om ten aanzien van een beklaagde die in België geen woon- of verblijfplaats noch gekozen woonplaats heeft

aan wie de verstekbeslissing in het buitenland werd betekend, de in artikel 55 Gerechtelijk Wetboek bedoelde termijnverlenging slechts toe te passen op de buitengewone termijn van verzet, die volgens artikel 187, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering van toepassing is wanneer de betekening in het buitenland van de verstekbeslissing niet aan de persoon is gebeurd,

niet op de gewone termijn van verzet, die volgens artikel 187, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering van toepassing is wanneer de verstekbeslissing in het buitenland aan de persoon werd betekend. Er is dan ook grond om overeenkomstig artikel 26, § 1, 3°,

§ 2

, eerste lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof aan het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag te stellen zoals geformuleerd in het dictum van dit arrest. Dictum Het Hof, Schort de procedure op tot het Grondwettelijk Hof heeft geantwoord op de volgende prejudiciële vraag: “Schendt artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 301 van 30 maart 1936, zoals bekrachtigd door het

ig artikel, 110°, van de wet van 4 mei 1936, de artikelen 10

11 Grondwet doordat op grond van die bepaling ten aanzien van een beklaagde die in België geen woon- of verblijfplaats noch gekozen woonplaats heeft

aan wie de verstekbeslissing in het buitenland niet in persoon werd betekend, de in artikel 55 Gerechtelijk Wetboek bedoelde termijnverlenging van toepassing is op de buitengewone termijn van verzet zoals bedoeld in artikel 187, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, terwijl op grond van die bepaling ten aanzien van een beklaagde die in België geen woon- of verblijfplaats noch gekozen woonplaats heeft

aan wie de verstekbeslissing in het buitenland in persoon werd betekend, de in artikel 55 Gerechtelijk Wetboek bedoelde termijnverlenging niet van toepassing is op de gewone termijn van verzet zoals bedoeld in artikel 187, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering ?” Houdt de beslissing voor het overige aan. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert

Jos Decoker,

in openbare rechtszitting van 10 december 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241210.2N.21 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260210.2N.8 precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091021.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.