← België

H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241210.2N.22 Rolnummer: P.24.0586.N Zaak: H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-12-17 Raadplegingen: 631 - laatst gezien 2026-06-19 02:47 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 5 Het afhankelijk maken van het herstel van het recht tot sturen van het slagen in één of meerdere van de in artikel 38, § 3, Wegverkeerswet bedoelde examens of onderzoeken is een beveiligingsmaatregel en geen straf en deze beveiligingsmaatregel is te onderscheiden van de bijkomende straf van het verval van het recht tot sturen, waarbij het gegeven dat de beveiligingsmaatregel wordt opgelegd ter gelegenheid van het uitspreken van de bijkomende straf van het verval van het recht tot sturen geen afbreuk doet aan het autonoom karakter van de beveiligingsmaatregel; artikel 47, eerste lid, Wegverkeerswet bepaalt dat hij die een verval van het recht tot sturen heeft opgelopen na 25 mei 1965 en werd onderworpen aan een theoretisch, praktisch, geneeskundig of psychologisch onderzoek, wanneer het verval is beëindigd, een voertuig van een der categorieën waarop de beslissing van vervallenverklaring slaat, slechts mag besturen mits hij met goed gevolg het opgelegde onderzoek heeft ondergaan; hieruit volgt dat de bepalingen betreffende de verjaring van de uitvoering van straffen niet van toepassing zijn op de beveiligingsmaatregel van het afhankelijk maken van het herstel van het recht tot sturen van het slagen in één of meerdere van de in artikel 38, § 3, Wegverkeerswet bedoelde examens of onderzoeken en de omstandigheid dat de bijkomende straf van het verval van het recht tot sturen is uitgevoerd of dat die straf niet langer kan worden uitgevoerd wegens verjaring, belet niet dat de beveiligingsmaatregel van het afhankelijk maken van het herstel van het recht tot sturen van het slagen in één of meerdere van de in artikel 38, § 3, Wegverkeerswet bedoelde examens of onderzoeken autonoom blijft bestaan en dat hij die een motorvoertuig bestuurt zonder de voorgeschreven examens en onderzoeken met goed gevolg te hebben ondergaan, zich schuldig maakt aan het door artikel 48, eerste lid, 2°, Wegverkeerswet bedoelde misdrijf

(1).
(1)Zie L. DUPONT en R. VERSTRAETEN, Handboek Belgisch Strafrecht, Acco Leuven, 1990, nr. 1352 en de daar geciteerde cassatierechtspraak voor wat betreft de beveiligingsmaatregel van het afhankelijk maken van het herstel van het recht tot sturen van het slagen in de onderzoeken of examens. Er bestaat geen discussie over het feit dat het verval, dat een straf is, kan worden beëindigd door de verjaring van de straf, gratie, herstel in eer en rechten, uitwissing van de straf en amnestie - zie P. ARNOU en M. DE BUSSCHER, Misdrijven en sancties in de Wegverkeerswet, 19 Kluwer, Antwerpen, 1999, nr. 835, p.
  1. Gelet op het juridische karakter van de examens en onderzoeken zijn die niet vatbaar voor genade, amnestie en herstel in eer en rechten – zie L. DUPONT en R. VERSTRAETEN, o.c., nr. 1352, p. 732 en nr. 843, p. 261; R. COUNE, “De l'efficacité de la déchéance du droit de conduire”, T. Vred. 1984, p. 198). Een herstel in eer en rechten voor de straf van het verval leidt tot het beëindigen van gevolgen van niet uitgevoerde straffen, maar dat is niet het geval voor eventueel overeenkomstig artikel 38, § 3, Wegverkeerswet opgelegde onderzoeken, die een beveiligingsmaatregel vormen en die verder moeten worden ondergaan – zie P. ARNOU en M. DEBUSSCHER, o.c., nr. 838, p. 260 en KI Atnwerpen, 27/ juni 1960, RW 1989-89, 717, tenzij het recht tot sturen als straf op het ogenblik van het herstel in eer en rechten nog niet zou zijn betekend omdat er in dat geval nooit een effectief verval is tussengekomen en het ook niet mogelijk is om daarvan hersteld te worden. De uitwissing van de straf van het verval heeft niet de vrijstelling van de examens en proeven tot gevolg en dus kan de betrokkene verder worden veroordeeld om een voertuig te hebben bestuurd zonder met goed gevolg de hem opgelegde onderzoeken te hebben ondergaan – zie Cass. 08 december 1992, Verkeersrecht 1993, p. 134; P. ARNOU en M. DE BUSSCHER, o.c., nr. 842, p. 261; L. DE SCHEPPER, “De uitwissing van veroordelingen,” in Om deze redenen, Liber Amicorum Armand VANDEPLAS, p. 163, nr. 35; zie ook A. WINANTS, “De uitwissing van veroordelingen en het herstel in eer en rechten in strafzaken”, RW 1991-92, p. 1420; Corr. Kortrijk 2 mei 1997, RW 1998-99, 473, met noot M. GELDERS, “Omtrent de griffier die het rijbewijs weigert terug te geven”. M. GELDERS wijst er in deze noot terecht op dat precies het autonoom karakter bepalend is voor het ontkennend antwoord op de vraag of de beveiligingsmaatregel kan worden gewist en dus mutatis mutandis voor de hier behandelde casus kan verjaren. AW Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 38 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 3 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 47, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, eerste lid, 2° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 47 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 3 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 47, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, eerste lid, 2° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Straf - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 3 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 47, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, eerste lid, 2° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 48 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 3 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 47, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, eerste lid, 2° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: STRAF - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 3 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 47, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, eerste lid, 2° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0586.N T. H., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Willem Van Betsbrugge, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Leuven van 7 maart
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 21ter (oud) Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 91 tot en met 94 Strafwetboek: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat het vonnis van 16 oktober 2000 waarop de vervolging voor het feit omschreven onder de telastlegging C is gesteund, niet is verjaard; dit vonnis verkreeg kracht van gewijsde op 28 juni 2001; ofwel is dit vonnis uitgevoerd en dan kan de eiser niet strafbaar zijn; ofwel is het vonnis niet (volledig) uitgevoerd en dan is die uitvoering in elk geval verjaard, zelfs rekening houdend met stuitingsdaden.
  4. Het middel preciseert niet hoe en waarom het bestreden vonnis artikel 6 EVRM en artikel 21ter (oud) Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  5. Het afhankelijk maken van het herstel van het recht tot sturen van het slagen in één of meerdere van de in artikel 38, § 3, Wegverkeerswet bedoelde examens of onderzoeken is een beveiligingsmaatregel en geen straf.
  6. Deze beveiligingsmaatregel is te onderscheiden van de bijkomende straf van het verval van het recht tot sturen. Het gegeven dat de beveiligingsmaatregel wordt opgelegd ter gelegenheid van het uitspreken van de bijkomende straf van het verval van het recht tot sturen doet geen afbreuk aan het autonoom karakter van de beveiligingsmaatregel.
  7. Artikel 47, eerste lid, Wegverkeerswet bepaalt dat hij die een verval van het recht tot sturen heeft opgelopen na 25 mei 1965 en werd onderworpen aan een theoretisch, praktisch, geneeskundig of psychologisch onderzoek, wanneer het verval is beëindigd, een voertuig van een der categorieën waarop de beslissing van vervallenverklaring slaat, slechts mag besturen mits hij met goed gevolg het opgelegde onderzoek heeft ondergaan.
  8. Uit het voorgaande volgt dat de bepalingen betreffende de verjaring van de uitvoering van straffen niet van toepassing zijn op de beveiligingsmaatregel van het afhankelijk maken van het herstel van het recht tot sturen van het slagen in één of meerdere van de in artikel 38, § 3, Wegverkeerswet bedoelde examens of onderzoeken.
  9. De omstandigheid dat de bijkomende straf van het verval van het recht tot sturen is uitgevoerd of dat die straf niet langer kan worden uitgevoerd wegens verjaring, belet niet dat de beveiligingsmaatregel van het afhankelijk maken van het herstel van het recht tot sturen van het slagen in één of meerdere van de in artikel 38, § 3, Wegverkeerswet bedoelde examens of onderzoeken autonoom blijft bestaan en dat hij die een motorvoertuig bestuurt zonder de voorgeschreven examens en onderzoeken met goed gevolg te hebben ondergaan, zich schuldig maakt aan het door artikel 48, eerste lid, 2°, Wegverkeerswet bedoelde misdrijf.
  10. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 10 december 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241210.2N.22 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260310.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.