← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 4 - 7 Volgens artikel 66, b), Interneringswet kan de definitieve invrijheidstelling aan een geïnterneerde worden toegekend door de kamer voor de bescherming van de maatschappij op voorwaarde dat de geestesstoornis voldoende gestabiliseerd is, zodat redelijkerwijze niet te vrezen valt dat de geïnterneerde persoon, al dan niet ten gevolge van zijn geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw misdrijven zal plegen als bedoeld door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet; uit de samenlezing van de bepalingen van de artikelen 5.1.e. en 5.4. EVRM en de artikelen 9, § 1, 1° en 66, b), Interneringswet volgt dat (

  1. a)indien blijkt dat de geestesstoornis voldoende is gestabiliseerd en er nog steeds redelijkerwijze te vrezen is dat de geïnterneerde persoon, al dan niet ten gevolge van zijn geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven zal plegen, de kamer niet de definitieve invrijheidstelling kan toekennen, (
  2. b)indien op het ogenblik van de beslissing blijkt dat de toestand van de geïnterneerde dermate is geëvolueerd dat niet langer sprake is van een geestesstoornis, het aan de kamer toekomt te oordelen of, in het licht van het risico op het opnieuw plegen van door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven, alsook rekening houdend met de doelstellingen van artikel 5.1.e EVRM, een plaatsing nog wel noodzakelijk is en of het voormelde risico niet kan worden weggenomen door minder verregaande uitvoeringsmaatregelen van de internering, zoals een invrijheidstelling op proef, (
  3. c)indien blijkt dat de toestand van de geïnterneerde dermate is geëvolueerd dat niet langer sprake is van een geestesstoornis en er niet langer redelijkerwijze te vrezen is dat de geïnterneerde door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven zal plegen, de kamer aan de geïnterneerde een definitieve invrijheidstelling moet toekennen; het staat aan de kamer als gespecialiseerd en multidisciplinair rechtscollege bevoegd voor de uitvoering van de internering om op basis van de in artikel 67 Interneringswet bedoelde stukken, alsook op basis van alle andere aan de kamer regelmatig overgelegde en voor tegenspraak vatbare stukken, te beslissen over de definitieve invrijheidstelling van een geïnterneerde op basis van de voormelde regeling en dus te oordelen of de toestand van de geïnterneerde dermate is geëvolueerd dat niet langer sprake is van een geestesstoornis en of zij beschikt over voldoende actuele gegevens om die beoordeling te maken

(1).
(1)Cass. 11 juni 2019, AR P.19.0524.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190611.5, AC 2019, nr. 362; Cass. 9 april 2019, AR P.19.0273.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.7, AC 2019, nr. 223; H. HEIMANS, T. VANDER BEKEN en E. SCHIPAANBOORD, "Eindelijk een echte nieuwe en goede wet op de internering?", Deel I: De gerechtelijke fase, RW 2014-2015, 1043-1064, Deel II: De uitvoeringsfase, RW 2015-2016, 42-62, Deel III: De reparatie, RW 2016-2017, 603-619; T. VANDER BEKEN, "De nieuwe interneringswetgeving", in P. TRAEST, A. VERHAGE EN G VERMEULEN (eds.), Strafrecht en strafprocesrecht: doel of middel in een veranderende samenleving, Mechelen, Wolters Kluwer, 2017. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 9, § 1, 1° - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 66 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 67 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 9, § 1, 1° - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 66 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 67 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 9, § 1, 1° - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 66 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 67 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 9, § 1, 1° - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 66 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 67 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1595.N K. V.M., geïnterneerde, eiser, met als raadslieden mr. Peter Verpoorten, advocaat bij de balie Antwerpen, en mr. Toon Deschepper, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 18 november 2024. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 5.1.e EVRM: het vonnis laat na vast te stellen dat eisers internering onrechtmatig is en hem definitief in vrijheid te stellen; de vrijheidsberoving is volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens slechts rechtmatig indien de geestesziekte aanwezig blijft, waarbij rekening moet worden gehouden met eventuele veranderingen in die geestesgesteldheid sinds de opsluiting; de afwijzing van eisers verzoek om een definitieve invrijheidstelling is gebaseerd op een verslag dat bijna 10 jaar oud is; de eiser functioneerde de voorbije vijf jaar op normale wijze in de samenleving en kwam nooit in aanraking met justitie; noch in het verslag van de justitieassistent noch in het verslag van Bierbeek/Fenix is sprake van een ernstige psychiatrische problematiek bij de eiser; niets wijst op een geestesstoornis die het oordeelsvermogen van de eiser of de controle over zijn daden tenietdoet dan wel ernstig aantast op het ogenblik van het vonnis; het tegendeel blijkt uit het verslag van de justitieassistent en het verslag van de psychiater; daaruit kan worden afgeleid dat er geen sprake meer is van een geestesstoornis zoals door de wet wordt vereist, dit wil zeggen een persistente hinderlijke afwijking, die voldoet aan bepaalde waarneembare criteria die werden vastgelegd door een proces van consensusvorming binnen de psychiatrie als vakdomein van de medische wetenschap. 2. Artikel 5.1.e EVRM bepaalt dat eenieder recht heeft op persoonlijke vrijheid en veiligheid en dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd behalve in de navolgende gevallen en langs wettelijke weg: in het geval van een rechtmatige gevangenhouding van geesteszieken. Artikel 5.4 EVRM bepaalt dat eenieder die door gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd het recht heeft voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is. 3. Uit deze verdragsbepalingen, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat: - de vrijheidsberoving van een geesteszieke slechts rechtmatig is, indien (

  1. a)uit een objectieve en medische expertise blijkt dat de betrokkene is getroffen door een reële en voortdurende mentale stoornis, (
  2. b)die stoornis van aard is dat zij de vrijheidsberoving rechtvaardigt en (
  3. c)de vrijheidsberoving niet langer duurt dan noodzakelijk is; - bij de voormelde beoordeling niet alleen strikt medische elementen een rol spelen, maar ook het gevaar dat de betrokkene vormt voor de samenleving; - indien een van zijn vrijheid beroofde geesteszieke opnieuw gezond is, hij in beginsel in vrijheid moet worden gesteld. De vaststelling dat de betrokkene niet langer geestesziek is, impliceert evenwel niet dat die invrijheidstelling dadelijk en onvoorwaardelijk moet gebeuren, voor zover de uitgestelde invrijheidstelling in overeenstemming is met de doelstellingen van artikel 5.1.e EVRM en die vrijlating niet onredelijk lang wordt uitgesteld. 4. Volgens artikel 66, b), Interneringswet kan de definitieve invrijheidstelling aan een geïnterneerde worden toegekend door de kamer voor de bescherming van de maatschappij (hierna de kamer) op voorwaarde dat de geestesstoornis voldoende gestabiliseerd is, zodat redelijkerwijze niet te vrezen valt dat de geïnterneerde persoon, al dan niet ten gevolge van zijn geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw misdrijven zal plegen als bedoeld door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet. 5. Uit de samenlezing van deze bepalingen volgt dat: - indien blijkt dat de geestesstoornis voldoende is gestabiliseerd en er nog steeds redelijkerwijze te vrezen is dat de geïnterneerde persoon, al dan niet ten gevolge van zijn geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven zal plegen, de kamer niet de definitieve invrijheidstelling kan toekennen; - indien op het ogenblik van de beslissing blijkt dat de toestand van de geïnterneerde dermate is geëvolueerd dat niet langer sprake is van een geestesstoornis, het aan de kamer toekomt te oordelen of, in het licht van het risico op het opnieuw plegen van door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven, alsook rekening houdend met de doelstellingen van artikel 5.1.e EVRM, een plaatsing nog wel noodzakelijk is en of het voormelde risico niet kan worden weggenomen door minder verregaande uitvoeringsmaatregelen van de internering, zoals een invrijheidstelling op proef; - indien blijkt dat de toestand van de geïnterneerde dermate is geëvolueerd dat niet langer sprake is van een geestesstoornis en er niet langer redelijkerwijze te vrezen is dat de geïnterneerde door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven zal plegen, de kamer aan de geïnterneerde een definitieve invrijheidstelling moet toekennen. 6. Het staat aan de kamer als gespecialiseerd en multidisciplinair rechtscollege bevoegd voor de uitvoering van de internering om op basis van de in artikel 67 Interneringswet bedoelde stukken, alsook op basis van alle andere aan de kamer regelmatig overgelegde en voor tegenspraak vatbare stukken, te beslissen over de definitieve invrijheidstelling van een geïnterneerde op basis van de voormelde regeling. 7. Het komt dus de kamer toe te oordelen of de toestand van de geïnterneerde dermate is geëvolueerd dat niet langer sprake is van een geestesstoornis en of zij beschikt over voldoende actuele gegevens om die beoordeling te maken. 8. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 9. In zoverre het middel is gesteund op de inhoud van de verslagen van psychiaters en de justitie-assistent in de mate dat die inhoud niet is overgenomen in de bestreden beslissing of in andere stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. 10. Het vonnis stelt vast dat de eiser de feiten pleegde in een psychotische periode, hij sindsdien medicamenteus wordt ondersteund waardoor er geen psychotische symptomen meer worden vastgesteld, de psychotische stoornis evenwel nog steeds aanwezig is, de eiser zelf aangeeft dat hij zich levenslang medicamenteus zal moeten laten behandelen en de eiser zelf de combinatie van een gestructureerd leven met bewaking van zijn stressniveau samen met medicatietrouw als de belangrijkste bescherming beschouwt tegen een nieuwe psychose. Op basis daarvan oordeelt het dat de psychotische stoornis blijvend is, waardoor er niet kan worden gesteld dat er geen sprake meer is van een geestesstoornis, zodat er derhalve een risico bestaat op nieuwe strafbare feiten. Het vonnis kan op grond van die vaststellingen wettig oordelen dat de voorwaarden voor een definitieve invrijheidstelling niet zijn vervuld. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel 11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het vonnis gaat niet in op de door de eiser opgeworpen vereisten voor een rechtmatige vrijheidsberoving van een geesteszieke persoon in de zin van artikel 5.1.e EVRM; het laat na te motiveren hoe de kamer tot het oordeel komt dat de feiten werden gepleegd tijdens een psychotische periode en dat de psychotische stoornis nog steeds aanwezig is; uit geen enkel dossierstuk blijkt dat dit het geval is; de medische onderbouwing ontbreekt; de overige voorwaarden betreffende de rechtmatigheid van de vrijheidsberoving worden niet getoetst; het vonnis gaat niet in op eisers aanvoering dat hij een rustig gestructureerd leven leidt waarin hij zijn stressniveau bewaakt en hij medicatietrouw is. 12. In zoverre het onderdeel formeel een motiveringsgebrek aanvoert, maar in werkelijkheid opkomt tegen het oordeel van de kamer over het nog steeds voorhanden zijn van een geestesstoornis, of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. 13. Met de redenen die het vonnis bevat, beantwoordt en verwerpt het eisers aanvoeringen betreffende de voorgehouden onverenigbaarheid van eisers interneringstoestand met artikel 5.1.e EVRM. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het vonnis beantwoordt niet eisers verzoek om ingeval van verlenging van de interneringstoestand gelet op het ontbreken van een therapeutische meerwaarde de interneringsvoorwaarden te versoepelen inzake woonvorm en regioverbod. 15. Het vonnis oordeelt op gemotiveerde wijze dat de voorwaarden voor een definitieve invrijheidstelling niet vervuld zijn en het verwerpt met verwijzing naar de belangen van de slachtoffers het verzoek om versoepeling inzake woonvorm en regioverbod. Het diende bijgevolg niet verder in te gaan op de aanvoering van de afwezigheid van een therapeutische meerwaarde die daardoor doelloos was. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 10 december 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241210.2N.25 Gerelateerde publicatie(
  4. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190611.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.