id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241210.2N.26 Rolnummer: P.24.1548.N Zaak: B. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2024-12-17 Raadplegingen: 509 - laatst gezien 2026-06-15 03:36 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Uit de bepalingen van de artikelen 143, § 3, 144bis, 144ter, §§ 1 en 2 tot en met 4, 764, eerste lid, 7°, 780, eerste lid, 1° en 4°, en 838, eerste en tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, gelezen in hun onderling verband, volgt dat indien een wrakingsverzoek betrekking heeft op een rechter van de rechtbank van eerste aanleg die kennis neemt van een strafvordering die wordt uitgeoefend door de federale procureur, het wrakingsverzoek moet worden meegedeeld aan de federale procureur en dat het die magistraat is die concludeert over de wraking en wordt gehoord en dus niet de procureur-generaal bij het hof van beroep; noch het gegeven dat over het wrakingsverzoek wordt beslist door een burgerlijke kamer noch het gegeven dat een wrakingsprocedure een autonoom karakter heeft, laat toe anders te oordelen. Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 143, § 3 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 144bis - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 144ter, §§ 1, 2, 3 en 4 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 764, eerste lid, 7° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 780, eerste lid, 1° en 4° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 838, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 143, § 3 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 144bis - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 144ter, §§ 1, 2, 3 en 4 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 764, eerste lid, 7° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 780, eerste lid, 1° en 4° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 838, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 143, § 3 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 144bis - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 144ter, §§ 1, 2, 3 en 4 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 764, eerste lid, 7° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 780, eerste lid, 1° en 4° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 838, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 4 Hoewel uit artikel 782bis Gerechtelijk Wetboek volgt dat een arrest van een meervoudige kamer van het hof van beroep moet worden uitgesproken door de magistraat die de kamer heeft voorgezeten, behoudens ingeval van verhindering en aanwijzing door de eerste voorzitter van een andere magistraat, leidt een verzuim op dat vlak niet tot nietigheid van het uitgesproken arrest indien blijkt dat het arrest werd uitgesproken door een van de raadsheren die het arrest hebben gewezen en ondertekend. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 782bis - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1548.N F. B., beklaagde, verzoeker tot wraking, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Helena Kuijl, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Recollettenlei 39-40, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, burgerlijke kamer, van 24 oktober 2024 (nr. 2024/6494). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 138bis, § 1, 143, § 3, 144bis, § 2, enig lid, 1°, 144ter, 764, eerste lid, 7°, 780, eerste lid, 1° en 4°, en 838, eerste en tweede lid, Gerechtelijk Wetboek: het arrest is nietig omdat de vordering tot wraking werd meegedeeld aan de federale magistraat, terwijl artikel 838, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de mededeling moet gebeuren aan de procureur-generaal bij het hof van beroep en volgens artikel 143, § 3, Gerechtelijk Wetboek de federale procureur uitsluitend opdrachten van het openbaar ministerie in strafzaken uitvoert; artikel 764, eerste lid, 7°, Gerechtelijk Wetboek is niet nageleefd; het arrest is eveneens nietig omdat het niet de naam vermeldt van de magistraat van het wel bevoegde openbaar ministerie die advies heeft verleend, noch dat advies zelf vermeldt.
- Artikel 838, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat binnen de drie dagen na het antwoord van de rechter die weigert zich van de zaak te onthouden, de griffier de akte van wraking en de verklaring van de rechter zendt aan de procureur-generaal bij het hof van beroep indien de rechter lid is van een rechtbank van eerste aanleg. Artikel 838, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat over de wraking binnen de acht dagen in laatste aanleg uitspraak wordt gedaan op de conclusie van het openbaar ministerie. Artikel 764, eerste lid, 7°, Gerechtelijk Wetboek, dat de bevestiging inhoudt van artikel 838, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek voor wat betreft het horen van het openbaar ministerie, bepaalt dat vorderingen tot wraking op straffe van nietigheid worden meegedeeld aan het openbaar ministerie.
- Artikel 143, § 3, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de federale procureur in de gevallen en op de wijze bepaald door de wet alle opdrachten van het openbaar ministerie in strafzaken uitvoert bij de hoven van beroep, de hoven van assisen, de rechtbanken van eerste aanleg en de politierechtbanken. De artikelen 144bis en 144ter, § 1, Gerechtelijk Wetboek bepalen de opdrachten en bevoegdheden van de federale procureur. Artikel 144ter, § 2 tot en met § 4, Gerechtelijk Wetboek regelt de bevoegdheidsverdeling tussen de federale procureur en de andere ambtenaren van het openbaar ministerie.
- Uit de voormelde bepalingen, gelezen in hun onderling verband, volgt dat indien een wrakingsverzoek betrekking heeft op een rechter van de rechtbank van eerste aanleg die kennis neemt van een strafvordering die wordt uitgeoefend door de federale procureur, het wrakingsverzoek moet worden meegedeeld aan de federale procureur en dat het die magistraat is die concludeert over de wraking en wordt gehoord en dus niet de procureur-generaal bij het hof van beroep. Noch het gegeven dat over het wrakingsverzoek wordt beslist door een burgerlijke kamer noch het gegeven dat een wrakingsprocedure een autonoom karakter heeft, laat toe anders te oordelen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De aangevoerde schending van artikel 780, eerste lid, 1° en 4°, Gerechtelijk Wetboek is afgeleid uit die onjuiste rechtsopvatting. In zoverre is het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 782bis, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek: het arrest werd uitgesproken door een raadsheer, terwijl niet blijkt dat dit de voorzitter van de kamer is.
- Hoewel uit artikel 782bis Gerechtelijk Wetboek volgt dat een arrest van een meervoudige kamer van het hof van beroep moet worden uitgesproken door de magistraat die de kamer heeft voorgezeten, behoudens ingeval van verhindering en aanwijzing door de eerste voorzitter van een andere magistraat, leidt een verzuim op dat vlak niet tot nietigheid van het uitgesproken arrest indien blijkt dat het arrest werd uitgesproken door een van de raadsheren die het arrest hebben gewezen en ondertekend. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Uit de zittingsbladen van 3 oktober 2024, 10 oktober 2024 en 17 oktober 2024 van de eerste kamer van het hof van beroep te Gent, zoals die door de eiser werden gevoegd bij zijn memorie, blijkt dat die kamer bij de behandeling van de zaak was samengesteld uit O. D.V., raadsheer, J. P., raadsheer en A. G., raadsheer.
- Het arrest vermeldt dat het werd gewezen door “de eerste kamer van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit O. D.V., raadsheer, J. P., raadsheer en A. G., raadsheer” en dat het werd “uitgesproken door de raadsheer van de kamer in openbare terechtzitting van 24 OKTOBER 2024, bijgestaan door S. D.B., griffier”. Het arrest draagt de handtekeningen van de drie vermelde raadsheren en van de griffier.
- Het zittingsblad van 24 oktober 2024 van de eerste kamer van het hof van beroep te Gent vermeldt: “Het Hof (van beroep) velt na beraad een arrest”. Dit zittingsblad is onder meer ondertekend door O. D.V.
- Uit de samenlezing van de voormelde stukken blijkt dat het arrest is uitgesproken door een van de raadsheren die het arrest hebben gewezen en ondertekend. Het arrest is bijgevolg niet nietig. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 88, § 2 en 109 Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel beschikkingsbeginsel genoemd, zoals dit is bevestigd in artikel 1138, enig lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek: de appelrechters hebben nagelaten het dossier voor te leggen aan de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent niettegenstaande de eiser in het beschikkend gedeelte van zijn preliminaire conclusie in hoofdorde en voor ieder ander middel vorderde om de zaak uit te stellen voor verdere behandeling opdat de eerste voorzitter de zaak zou toewijzen aan een kamer die voldoet aan de voorwaarden van artikel 6.1 EVRM, zoals geïnterpreteerd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Raad van Europa; aldus laten zij na uitspraak te doen over één van de punten van de vordering van de eiser.
- Met de redenen die het arrest (p. 9-11, nr. 1.1-1.2) bevat, beoordelen en verwerpen de appelrechters op gemotiveerde wijze eisers in hoofdorde geformuleerde verzoek om de zaak uit te stellen opdat de eerste voorzitter de zaak zou toewijzen aan een kamer die voldoet aan de voorwaarden van artikel 6.1 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Raad van Europa. Aldus doen zij wel uitspraak over dit punt van de vordering van de eiser. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit die onjuiste lezing en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.1, enig lid, 4°, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: door te ontkennen dat de eiser een verdelingsincident heeft opgeworpen terwijl uit de preliminaire conclusie waarnaar de appelrechters uitdrukkelijk verwijzen, blijkt dat de eiser in hoofdorde en voor ieder ander middel heeft gevorderd de zaak uit te stellen voor verdere behandeling opdat de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent de zaak zou toewijzen aan een kamer die voldoet aan de voorwaarden van artikel 6.1 EVRM, zoals geïnterpreteerd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Raad van Europa, miskennen zij de bewijskracht van deze appelconclusie; minstens miskennen zij het wettelijk begrip verdelingsincident.
- Een verdelingsincident in de zin van artikel 88, § 2, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is een incident in verband met de verdeling van de zaken onder de afdelingen, secties, kamers of rechters van eenzelfde rechtbank zoals vastgelegd in het bijzonder reglement of zaakverdelingsreglement. Volgens artikel 109, laatste lid, Gerechtelijk Wetboek is artikel 88, § 2, Gerechtelijk Wetboek van toepassing op de hoven van beroep.
- Indien een partij louter de wijze betwist waarop raadsheren zijn aangewezen om te zetelen in een kamer van een hof van beroep en aanvoert dat die aanwijzing strijdig is met artikel 6.1 EVRM, werpt die partij geen verdelingsincident op in de zin van de artikelen 88, § 2, eerste lid, en 109, laatste lid, Gerechtelijk Wetboek. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In zijn preliminaire conclusie heeft de eiser onder het opschrift “Preliminair middel 1: samenstelling van het hof” aangevoerd dat de wijze waarop de raadsheren, die van de zaak kennis nemen, werden aangewezen onverenigbaar is met artikel 6.1 EVRM. De eiser maakt daarbij geen gewag van het woord “verdelingsincident” noch verwijst hij naar artikel 88, § 2, Gerechtelijk Wetboek. Daaruit volgt dat de eiser geen verdelingsincident heeft opgeworpen in de zin van de artikelen 88, § 2, eerste lid en 109, laatste lid, Gerechtelijk Wetboek. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- De aangevoerde miskenning van de bewijskracht van akten is afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 9, 88, § 2, 109 en 556 Gerechtelijk Wetboek: door te beslissen dat de samenstelling van de zetel van de eerste kamer van het hof van beroep te Gent niet strijdig is met artikel 6.1 EVRM, terwijl dit de grondslag vormt van het door de eiser uitgelokte verdelingsincident en deze vordering overeenkomstig de artikelen 88, § 2 en 109 Gerechtelijk Wetboek enkel kan worden beoordeeld door de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent, doen de appelrechters uitspraak over een zaak die volgens de regels van de bevoegdheid ratione materiae buiten hun prerogatieven valt.
- In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het tweede onderdeel, wordt het om de in het antwoord op dat onderdeel vermelde redenen, verworpen.
- Geen enkele bepaling verzet zich ertegen dat indien een partij aanvoert dat de wijze waarop de leden van een kamer zijn aangewezen strijdig is met artikel 6.1 EVRM en dat om die reden de zaak moet worden uitgesteld opdat de eerste voorzitter de leden zou aanwijzen op een wijze die wel in overeenstemming zou zijn met artikel 6.1 EVRM, de kamer die aanvoering beoordeelt en verwerpt. Met die beoordeling eigent die kamer zich geen bevoegdheden toe die haar niet toekomen, maar doet zij integendeel uitspraak over een verweer betreffende haar geschiktheid om te oordelen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Vierde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het stelt enerzijds vast dat de eiser hoofdordelijk heeft gevorderd de zaak uit te stellen voor verdere behandeling opdat de eerste voorzitter van het hof van beroep de zaak zou toewijzen aan een kamer die voldoet aan de voorwaarden van artikel 6.1 EVRM, zoals geïnterpreteerd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Raad van Europa; het oordeelt anderzijds dat het de eiser vrij stond een verdelingsincident op te werpen, maar dat hij heeft nagelaten dit te doen.
- Een tegenstrijdigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek in de zin van artikel 149 Grondwet veronderstelt redenen of beschikkingen van eenzelfde rechterlijke beslissing die elkaar opheffen of tenietdoen. Dat is niet het geval met de in het onderdeel vermelde oordelen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 8.1, enig lid, 5°, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en artikel 190 Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat de behandeling van de zaak van de eiser op de rechtszitting van de B.12 kamer van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 16 september 2024 niet is aangevat of anders gezegd is afgelast, miskent het arrest de bewijskracht van het proces-verbaal van die rechtszitting; uit dit proces-verbaal blijkt dat de zaak werd opgeroepen, de afwezigheid van de partijen en hun raadslieden werd genoteerd, het voorschrift van artikel 190 Wetboek van Strafvordering in acht werd genomen en de rechtspleging volledig in het Nederlands gebeurde; uit de vermelding dat het voorschrift van artikel 190 Wetboek van Strafvordering werd in acht genomen, volgt dat niet kan worden geoordeeld dat de zaak niet werd aangevat of anders gezegd werd afgelast.
- De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere woorden indien hij het geschrift doet liegen. Er is geen miskenning van de bewijskracht van het geschrift indien de bekritiseerde uitlegging een mogelijke uitlegging is, naast andere. Bij de beoordeling of de bewijskracht van het geschrift is miskend, dienen alle voor de bekritiseerde uitlegging relevante bewoordingen te worden betrokken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het proces-verbaal van de rechtszitting van de B.12 kamer van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 16 september 2024, vermeldt het volgende: “Al de voorschriften van art. 190 van het Wetboek van Strafvordering zijn in acht genomen geworden. De rechtspleging gebeurt volledig in het Nederlands. De beklaagden werden op heden gedagvaard op verzoek van de Federale Procureur. De rechtbank neemt kennis van de beschikking van 6 september 2024 van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen. Gelet op deze beschikking wordt de zaak op huidige zitting op generlei wijze aangevat en wordt de huidige zitting voor wat betreft deze zaak afgelast. De rechtbank stelt vast dat de Federale Procureur intussen een nieuwe dagstelling aan de beklaagden heeft laten betekenen.”
- Daaruit volgt dat ongeacht de vaststelling dat de voorschriften van artikel 190 Wetboek van Strafvordering zijn in acht genomen het proces-verbaal expliciet vermeldt dat gelet op de beschikking van 6 september 2024 de zaak op generlei wijze is aangevat en de rechtszitting voor wat betreft zaak wordt afgelast. Met het oordeel dat “De zitting is – zoals op het zittingsblad is vermeld - doorgegaan, enkel is de behandeling van voorliggende zaak niet aangevat, of anders gezegd afgelast”, geeft het arrest van het vermelde proces-verbaal van de rechtszitting, in zijn geheel gelezen, een uitlegging die niet onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 10 december 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241210.2N.26 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div