id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241210.2N.31 Rolnummer: P.24.1568.N Zaak: A. contra Belgische Staat, Asiel en Migratie Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-17 Raadplegingen: 409 - laatst gezien 2026-06-15 03:36 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Uit de samenlezing van de bepalingen van de artikelen 39/2, § 1, eerste lid en tweede lid, 1° en 2°, en 74/5, § 1, 2°, en § 4, 5°, volgt dat de vreemdeling, van wie de beslissing van de Commissaris-generaal over diens verzoek om internationale bescherming werd vernietigd door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op grond van artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2°, Vreemdelingenwet en ten aanzien van wie na deze vernietiging geen nieuwe beslissing door de Commissaris-generaal werd genomen binnen de vier weken na zijn verzoek om internationale bescherming, zich bevindt in de situatie van artikel 74/5, § 4, 5°, Vreemdelingenwet, zodat ten aanzien van deze vreemdeling desgevallend een beslissing tot vasthouding in een welbepaalde plaats in het Rijk kan worden genomen op grond van artikel 74/6, § 1, 2°, Vreemdelingenwet
(1).
(1)Cass. 8 mei 2019, AR P019.0375.F, AC 2019, nr.
- Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Wettelijke bepalingen: Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 39/2, § 1, eerste en tweede lid, 1° en 2° - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 74/5, §§ 1, 2°, en 4, 5° - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1568.N A. K., vreemdeling, vastgehouden, eiser, met als raadsman mr. Zouhaier Chihaoui, advocaat bij de balie Brussel, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris bevoegd voor Asiel en Migratie, met kantoor te 1000 Brussel, Pachecolaan 44, tussenkomende partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 14 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 5.1.f EVRM en de artikelen 72 en 74/6, § 1, Vreemdelingenwet: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de vernietiging van de beslissing van 30 september 2024 van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen (hierna de Commissaris-generaal) door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (hierna de Raad) gelijk is aan een situatie waarin geen beslissing binnen de wettelijke termijn van vier weken was genomen door de Commissaris-generaal, zoals vereist door artikel 74/5, § 4, 5°, Vreemdelingenwet, wat een nieuwe vasthoudingsmaatregel zou rechtvaardigen; de Commissaris-generaal heeft echter daadwerkelijk binnen de wettelijke termijn van vier weken een beslissing genomen; de vernietiging door de Raad impliceert niet dat er geen beslissing is genomen; juridisch heeft deze vernietiging geen terugwerkende kracht; artikel 74/6 Vreemdelingenwet biedt geen wettelijke grondslag voor het nemen van een nieuwe vasthoudingsmaatregel na vernietiging van een eerdere beslissing door de Raad.
- Op grond van artikel 74/5, § 1, 2°, Vreemdelingenwet mag de vreemdeling, die tracht het Rijk binnen te komen zonder aan de in de artikelen 2 en 3 gestelde voorwaarden te voldoen en een verzoek om internationale bescherming doet aan de grens, in een welbepaalde plaats, gesitueerd in het grensgebied, worden vastgehouden, in afwachting van de machtiging om in het Rijk toegelaten te worden of van zijn terugdrijving van het grondgebied.
- Volgens artikel 74/5, § 4, 5°, Vreemdelingenwet wordt de in de hierboven vermelde bepaling bedoelde vreemdeling, ten aanzien van wie geen beslissing door de Commissaris-generaal werd genomen binnen de vier weken na het verzoek om internationale bescherming, echter toegelaten het Rijk binnen te komen.
- De Raad doet volgens artikel 39/2, § 1, eerste lid, Vreemdelingenwet bij wijze van arresten, uitspraak op de beroepen die zijn ingesteld tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal.
- De Raad kan volgens artikel 39/2, § 1, tweede lid, 1°, Vreemdelingenwet de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal bevestigen of hervormen. De Raad kan op grond van artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2°, Vreemdelingenwet de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal echter ook vernietigen hetzij omdat aan de bestreden beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die door de Raad niet kan worden hersteld, hetzij omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad niet kan komen tot de in artikel 39/2, § 1, tweede lid, 1°, Vreemdelingenwet bedoelde bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moeten bevelen. De Raad handelt in het door artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2°, Vreemdelingenwet bedoelde geval als annulatierechter en zendt de zaak terug naar de Commissaris-generaal voor het nemen van een nieuwe beslissing, zodat de vernietigde beslissing van de Commissaris-generaal moet worden geacht nooit te hebben bestaan.
- Uit de samenlezing van de voorgaande bepalingen volgt dat de vreemdeling, van wie de beslissing van de Commissaris-generaal over diens verzoek om internationale bescherming werd vernietigd door de Raad op grond van artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2°, Vreemdelingenwet en ten aanzien van wie na deze vernietiging geen nieuwe beslissing door de Commissaris-generaal werd genomen binnen de vier weken na zijn verzoek om internationale bescherming, zich bevindt in de situatie van artikel 74/5, § 4, 5°, Vreemdelingenwet. Ten aanzien van deze vreemdeling kan dan desgevallend wel een beslissing tot vasthouding in een welbepaalde plaats in het Rijk worden genomen op grond van artikel 74/6, § 1, 2°, Vreemdelingenwet.
- Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 10 december 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241210.2N.31 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div