← België

STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241210.2N.33 Rolnummer: P.23.1466.N Zaak: STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-17 Raadplegingen: 545 - laatst gezien 2026-06-15 11:15 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Artikel 3.1 Vrijstellingenbesluit bepaalt voor welke handelingen aan en bij hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte gebouwen, die geen woning zijn, een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen niet nodig is en volgens artikel 3.1.6° Vrijstellingenbesluit is geen omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen vereist voor een open afsluiting tot een hoogte van twee meter; artikel 3.1 Vrijstellingenbesluit is opgenomen in hoofdstuk 3 van het Vrijstellingenbesluit, met als opschrift “Handelingen in, aan en bij andere gebouwen dan woningen” zodat daaruit volgt dat de vrijstelling enkel geldt indien de open afsluiting zich bevindt in, aan of bij een ander gebouw dan een woning, dat hoofdzakelijk vergund is of vergund wordt geacht, waarbij de omstandigheid dat artikel 3.2.1° Vrijstellingenbesluit bepaalt dat de vrijstelling van artikel 3.1 enkel geldt als voldaan is aan de voorwaarde dat de in artikel 3.1.1° tot 5°, en 7°/2 tot en met 13° Vrijstellingenbesluit bedoelde handelingen volledig werden uitgevoerd binnen een straal van 30 meter van het betrokken hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw, niet toelaat anders te oordelen. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is - 16-07-2010 - Art. 3.1, 1° tot 6°, 7°/2 tot en met 13° - 30 ELI link Pub nr 2010035645 Besluit van de Vlaamse Regering 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is - 16-07-2010 - Art. 3.2, 1° - 30 ELI link Pub nr 2010035645 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1466.N J. C., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieter Helsen, advocaat bij de balie Limburg, met kantoor te 3500 Hasselt, Gouverneur Roppesingel 131, waar de eiser woonplaats kiest, tegen STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST, met kantoor te 3500 Hasselt, Koning Astridlaan 50 bus 5, eiser tot herstel, verweerder, met als raadsman mr. Christian Lemache, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 4 oktober

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie van antwoord
  2. Uit artikel 429, derde lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat de verweerder in cassatie zijn memorie ten minste acht vrije dagen vóór de rechtszitting moet neerleggen op de griffie van het Hof, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de memorie van antwoord.
  3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de memorie van de verweerder op de griffie van het Hof is ontvangen op maandag 2 december 2024, dit is minder dan acht volle dagen vóór de rechtszitting van dinsdag 10 december
  4. De memorie van antwoord is wegens laattijdigheid niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 4.2.1.5°, a), 6.2.1.1° en 6.2.4 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, alsook miskenning van de bewijskracht van akten: met het oordeel dat de telastlegging A is bewezen en dat de eiser met een zekere regelmaat nieuwe positieve daden van opslag van materiaal heeft gesteld, trekt het arrest een conclusie uit de processen-verbaal van het strafdossier die daarin niet is te vinden; er zijn onvoldoende vaststellingen waaruit volgt dat de eiser regelmatig gebruik heeft gemaakt van het materiaal; zo kan uit de vaststellingen van 22 november 2018 niet worden geconcludeerd dat de eiser rollen vijverfolie heeft aangevoerd en heeft opgeslagen en dat hij dit zou hebben erkend; ook de vaststelling dat de eternieten platen er reeds waren op 9 oktober 2018 en dat deze verspreid liggen over de percelen houdt geen positieve handeling van de eiser in inzake de aanvoering en de opslag; bijgevolg miskent het arrest de bewijskracht van deze processen-verbaal.
  6. In zoverre de eiser verwijst naar “de processen-verbaal van het strafdossier”, zonder deze nader te specifiëren, is het onderdeel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  7. Het arrest baseert zich niet enkel op de processen-verbaal van 9 oktober 2018 en 22 november 2018 voor het oordeel dat er verschillende nieuwe positieve daden zijn gesteld waarbij er materialen werden aangevoerd en opgeslagen waarvoor een vergunning is vereist, zoals vijverfolie en eternieten platen. Het baseert zich voor dat oordeel ook op de vaststellingen in het proces-verbaal van 21 oktober 2020, de aangehechte foto’s en de neergelegde luchtfoto’s van Geopunt (stuk 9 bundel van de verweerder). In zoverre berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  8. Met het door het onderdeel bekritiseerde oordeel geeft het arrest van de vaststellingen en bijhorende foto’s in het proces-verbaal van 22 november 2018 en van de vaststellingen in het proces-verbaal van 9 oktober 2018, samen gelezen met de vaststellingen en de bijhorende foto’s in het proces-verbaal van 21 oktober 2020 en de neergelegde luchtfoto’s van Geopunt (stuk 9 van de verweerder) een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  9. De overige wetsschendingen zijn afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht van akten. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt dat de telastlegging A is bewezen, maar beantwoordt niet eisers verweer dat er met betrekking tot deze telastlegging uit het strafdossier of de bewijsdocumenten niet blijkt dat er sprake is van een voortdurend misdrijf, met meerdere positieve handelingen waaruit een wederrechtelijk gebruik van het terrein blijkt, alsook dat het onvoldoende is enkel het niet-beëindigen van het onrechtmatig gebruik vast te stellen.
  11. Het arrest (p. 10) oordeelt dat uit de lezing van de processen-verbaal in hun onderling verband (vaststellingen van 9 oktober 2018, 22 november 2018 en 21 oktober 2020) en uit de neergelegde luchtfoto’s van Geopunt (stuk 9 bundel van de verweerder) blijkt dat er vanaf het eerste proces-verbaal tot aan het laatste proces-verbaal verschillende nieuwe positieve daden zijn gesteld die erin bestonden dat er weliswaar materialen en afval deels werden verwijderd, maar er ook andere materialen, zoals rollen vijverfolie en eternieten platen, werden aangevoerd waarvoor een vergunning is vereist. Met die redenen beantwoordt en verwerpt het arrest het bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
  12. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt dat het feit omschreven onder de telastlegging B is bewezen, terwijl het onduidelijk is waarom het uit de aanwezigheid van een vervallen houten open schuilhok kan afleiden dat de vrijstelling van artikel 3.1.6° van het besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is (hierna Vrijstellingenbesluit) niet van toepassing is; de toepassingsvoorwaarden van artikel 3.1.6° Vrijstellingenbesluit worden niet getoetst; de relevantie voor die voorwaarden wordt niet beoordeeld; eisers verweer op dit punt wordt niet beantwoord. Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 4.2.1.1°, 4.2.3 en 6.2.1.1° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en de artikelen 3.1.6° en 3.2 Vrijstellingenbesluit: het arrest oordeelt dat voor wat betreft het feit omschreven onder de telastlegging B de in artikel 3.1.6° Vrijstellingenbesluit bepaalde vrijstelling niet van toepassing is omdat niet is voldaan aan de in artikel 3.2 Vrijstellingenbesluit bepaalde bijzondere voorwaarde, namelijk dat de afsluiting volledig is uitgevoerd binnen een straal van 30 meter van een hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw aangezien een schuilhok geen ander gebouw is in de zin van die bepaling.
  13. Artikel 3.1 Vrijstellingenbesluit bepaalt voor welke handelingen aan en bij hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte gebouwen, die geen woning zijn, een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen niet nodig is. Volgens artikel 3.1.6° Vrijstellingenbesluit is geen omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen vereist voor een open afsluiting tot een hoogte van twee meter.
  14. Artikel 3.1 Vrijstellingenbesluit is opgenomen in hoofdstuk 3 van het Vrijstellingenbesluit, met als opschrift “Handelingen in, aan en bij andere gebouwen dan woningen”. Daaruit volgt dat de vrijstelling enkel geldt indien de open afsluiting zich bevindt in, aan of bij een ander gebouw dan een woning, dat hoofdzakelijk vergund is of vergund wordt geacht. De omstandigheid dat artikel 3.2.1° Vrijstellingenbesluit bepaalt dat de vrijstelling van artikel 3.1 enkel geldt als voldaan is aan de voorwaarde dat de in artikel 3.1.1° tot 5°, en 7°/2 tot en met 13° Vrijstellingenbesluit bedoelde handelingen volledig werden uitgevoerd binnen een straal van 30 meter van het betrokken hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw, laat niet toe anders te oordelen. In zoverre het tweede onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  15. Het arrest (p. 11) oordeelt als volgt: - de eiser betwist niet dat hij een oude afsluiting heeft afgebroken om vervolgens een nieuwe afsluiting met treinbils te plaatsen, zoals blijkt uit de vaststellingen van 21 oktober 2020 met verwijzing naar de foto’s; - deze afsluiting uit treinbils is in de grond ingebouwd met gaas en vormt aldus een vergunningsplichtige constructie in de zin van artikel 4.1.1.3° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; - op het ogenblik van de feiten was geen vergunning uitgereikt voor deze constructie; - de door de eiser geplaatste afsluiting bestaande uit treinbils en verbonden met gaas, zoals blijkt uit de vaststellingen van 21 oktober 2020, is een open afsluiting zoals bepaald in 1.1.8° Vrijstellingenbesluit; - artikel 3.1.6° Vrijstellingenbesluit bepaalt dat een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen niet nodig is voor open afsluitingen tot een hoogte van twee meter; - uit de vaststellingen in de processen-verbaal met foto’s blijkt dat de kwestieuze percelen zich bevinden in natuurgebied met wetenschappelijk waarde met enkel vijvers en een oud vervallen open schuilhok op perceel B… (zie vaststelling op 22 november 2018); - dit vervallen houten open schuilhok is geen ander gebouw dan een woning waarbij de handelingen opgesomd in artikel 3.1 Vrijstellingenbesluit worden vrijgesteld van vergunning. Met die redenen toetst het arrest of de open afsluiting voldoet aan de in artikel 3.1.6° Vrijstellingenbesluit bepaalde voorwaarden voor vrijstelling en beslist het dat de eiser zich ten onrechte beroept op het Vrijstellingenbesluit en dat het plaatsen van de open afsluiting op deze percelen dan ook vergunningsplichtig is. Met die redenen beantwoordt het arrest het bedoelde verweer, is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en is ze naar recht verantwoord. In zoverre kan het eerste onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 113,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 10 december 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241210.2N.33 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.