← België

R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0967.N M. R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 4 juni

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: de appelrechters die een overschrijding van de redelijke termijn vaststellen, laten na op een reële en meetbare wijze een lagere straf op te leggen; zij stellen niet vast dat de door hen voor de feiten omschreven onder de telastleggingen A en B opgelegde straf lager is dan de straf die zij bij niet-overschrijding zouden hebben opgelegd; het loutere gegeven dat de door de appelrechters voor deze twee telastleggingen uitgesproken hoofdgevangenisstraf lager is dan de door de eerste rechter opgelegde bestraffing, volstaat niet; in het bestreden vonnis is geen enkele overweging terug te vinden over wat een gepaste bestraffing zou zijn indien de redelijke termijn niet was overschreden. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: de appelrechters die een overschrijding van de redelijke termijn vaststellen, laten na de voor het feit omschreven onder de telastlegging C opgelegde straf reëel en meetbaar te verminderen. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: de appelrechters laten na eisers aanvoering te beantwoorden dat er tussen het verzenden van het enige proces-verbaal en de eerste rechtszitting voor de politierechtbank een periode van niet te rechtvaardigen stilstand ligt.
  3. Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of de redelijke termijn waarbinnen overeenkomstig artikel 6.1 EVRM over een strafvervolging moet zijn beslist, is gerespecteerd. De rechter dient zich voor die beoordeling, waarbij de procedure in haar geheel in aanmerking moet worden genomen, te plaatsen op de datum van zijn beslissing.
  4. Uit artikel 6.1 EVRM en artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter een vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn kan remediëren door het opleggen van een lagere straf dan de straf die hij bij niet-overschrijding zou hebben opgelegd.
  5. Uit de rechterlijke beslissing moet blijken dat de ter remediëring van de overschrijding van de redelijke termijn opgelegde bestraffing reëel en meetbaar is verminderd, zonder dat de rechter uitdrukkelijk moet melding maken van de straf die hij zou hebben opgelegd zonder die overschrijding.
  6. De rechter die ter remediëring van de overschrijding van de redelijke termijn beslist tot een strafvermindering is niet ertoe gehouden om alle door hem opgelegde straffen te verminderen. Hij kan beslissen dat de overschrijding van de redelijke termijn afdoende is geremedieerd door enkel één van de voor een bepaald bewezen verklaard feit opgelegde straffen te verminderen en dit niet te doen voor de andere straffen voor dit misdrijf of voor de bestraffing voor andere bewezen verklaarde misdrijven. Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie moet hij die keuze niet uitdrukkelijk motiveren.
  7. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  8. Het bestreden vonnis (p. 17-18, randnr. 6.5) beoordeelt het door de eiser gevoerde redelijketermijnverweer en het vermeldt daarbij de in acht te nemen principes. Op basis daarvan oordeelt het dat er tussen het aantekenen van het hoger beroep op 9 november 2022 en de eerste rechtszitting in hoger beroep van 6 februari 2024 een onverantwoord lange periode ligt waarbij het dossier onaangeroerd is gebleven en het beslist op grond daarvan dat de redelijke termijn is overschreden. Met die redenen beantwoordt en verwerpt het bestreden vonnis eisers aanvoering dat er ook tussen het verzenden van het proces-verbaal van 22 april 2021 en de eerste rechtszitting van de politierechtbank op 9 mei 2022 een periode van onverantwoorde vertraging ligt. In zoverre mist het derde onderdeel feitelijke grondslag.
  9. Het bestreden vonnis (p. 18, tweede alinea) geeft zelf aan dat het appelgerecht dat een overschrijding van de redelijke termijn vaststelt die geen impact heeft op de bewijsvoering, de aan de beklaagde opgelegde straf op een reële en meetbare wijze moet verminderen ten opzichte van de straf die zou zijn opgelegd zonder die overschrijding. Het vermeldt dat het bij de bepaling van de aan de eiser voor de feiten omschreven onder de telastleggingen A en B opgelegde hoofdgevangenisstraf eensdeels rekening houdt met de ernst van de bewezen verklaarde feiten en het zwaar strafverleden van de eiser en anderdeels met de overschrijding van de redelijke termijn. Het bepaalt die hoofdgevangenisstraf op zes maanden. Daaruit volgt dat bij afwezigheid van een overschrijding van de redelijke termijn een zwaardere hoofdgevangenisstraf zou zijn opgelegd dan de met het bestreden vonnis opgelegde hoofdgevangenisstraf. Aldus blijkt dat de appelrechters ter remediëring van de overschrijding van de redelijke termijn wel degelijk een reële en meetbare strafvermindering hebben toegepast. In zoverre kan het eerste onderdeel niet worden aangenomen.
  10. Het bestreden vonnis oordeelt dat de door de eerste rechter opgelegde geldboeten voor de feiten omschreven onder de feiten van de telastleggingen A en B en voor het feit omschreven onder de telastlegging C passend zijn en worden bevestigd. Aldus oordeelt het dat de remediëring van de overschrijding van de redelijke termijn niet vereist dat naast de vermindering van de hoofdgevangenisstraf voor de feiten omschreven onder de telastleggingen A en B ook die geldboeten dienen te worden verminderd. Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie van de eiser dient het bestreden vonnis dit niet uitdrukkelijk vast te stellen. In zoverre kan het tweede onderdeel evenmin worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 120,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 10 december 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241210.2N.39 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.