← België

BELGISCHE STAAT, MINISTER FINANCIEN contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241213.1N.1 Rolnummer: F.24.0027.N Zaak: BELGISCHE STAAT, MINISTER FINANCIEN contra D. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2024-12-30 Raadplegingen: 730 - laatst gezien 2026-06-15 03:43 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche De vrijstelling voor pensioenen, aanvullende pensioenen, renten, kapitalen, spaartegoeden en afkoopwaarden die voortkomen uit een individueel levensverzekeringscontract vervalt indien ze geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van werkgeversbijdragen die werden betaald sinds 1 januari 2004; aldus is de uitkering van een pensioen of een pensioenrente die steunt op een vóór 1 januari 2004 gedane toezegging en die geheel of gedeeltelijk is gevormd door middel van een sinds 1 januari 2004 betaalde werkgeversbijdrage, belastbaar in de mate dat dit pensioen is gevormd door sinds 1 januari 2004 betaalde werkgeversbijdragen; het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 170/2023 van 14 december 2023 geoordeeld dat artikel 28 van de wet van 21 januari 2022 geen interpretatief karakter heeft en aldus geen terugwerkende kracht verleent aan het met dit artikel 28 ingevoerde artikel 39, § 2, tweede en derde lid, WIB92. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Pensioenen Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 34, § 1, 2°, b - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 38, § 1, eerste lid, 18° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 39, § 2, 2° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de beslissing Nr. F.24.0027.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Adviseur-Generaal P Centrum Gent, met kantoor te 9050 Gent (Ledeberg), Gaston Crommenstraat 6, bus 604, eiser, tegen 1. H. D. L. R., 2. M. S., verweerders, met als raadsman mr. Willy Huber, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Léon Stynenstraat 63. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 19 december 2023, Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Overeenkomstig artikel 39, § 2, 2°, WIB92, zoals van toepassing vóór de vervanging ervan bij artikel 77, 2°, van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, hierna WAP, zijn de in artikel 34, § 1, 2°, WIB92 genoemde pensioenen, renten, kapitalen, spaartegoeden en afkoopwaarden vrijgesteld van belasting indien de belastingplichtige of de persoon wiens rechtverkrijgende hij is, het levensverzekeringscontract individueel heeft gesloten en bepaalde vrijstellingen niet werden toegepast of verminderingen niet werden toegekend. Vóór de inwerkingtreding van de WAP was, wanneer de werkgever de premies van een levensverzekeringsovereenkomst had betaald, het kapitaal van die levensverzekeringsovereenkomst vrijgesteld indien de werknemer bewees dat tijdens de pensioenopbouw de werkgeversbijdragen definitief en uitsluitend in zijn voordeel werden betaald. Dit was het geval wanneer de werkgeversbijdragen die de werkgever stortte, onherroepelijk uit zijn vermogen waren verdwenen en daardoor in hoofde van de werknemer vaste pensioenaanspraken ontstonden die definitief verworven waren op het moment van de betaling van de bijdragen. Precies omdat de pensioenaanspraken definitief verworven waren voor de werknemer, dienden in een dergelijk geval de werkgeversbijdragen voor een levensverzekeringscontract op het ogenblik dat zij werden gestort, te worden beschouwd als bezoldigingen in hoofde van de werknemer en werden de latere uitkeringen gelijkgesteld met de uitvoering van een individuele levensverzekering in de zin van artikel 39, § 2, 2°, WIB92 en als dusdanig vrijgesteld van belasting. Hierover anders oordelen en de latere uitkeringen eveneens als een uitgesteld beroepsinkomen belasten op grond van artikel 34, § 1, 2°, WIB92, zou hebben ingehouden dat zowel de pensioenopbouw als de pensioenuitkering werden belast, wat strijdig zou zijn geweest met de strekking van de wet. 2. Krachtens artikel 34, § 1, 2°, b, WIB92, in de versie na vervanging ervan bij artikel 75, 1°, WAP, omvatten pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen, ongeacht de schuldenaar, de verkrijger of de benaming ervan en de wijze waarop ze werden vastgesteld en toegekend, kapitalen, afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten, pensioenen, aanvullende pensioenen en renten, die geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van bijdragen en premies voor de vorming van een aanvullend pensioen als bedoeld in de WAP, daarin begrepen de aanvullende pensioenen die worden toegekend in uitvoering van een solidariteitstoezegging als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de genoemde wet en de pensioenen die zijn gevormd door middel van bijdragen en premies als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 18° en 19°, WIB92. Krachtens artikel 39, § 2, 2°, d, WIB92, in de versie na vervanging ervan bij artikel 77, 2°, WAP, zoals gewijzigd bij artikel 165 van de wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen maar vóór de aanvulling ervan door artikel 28 van de wet van 21 januari 2022 houdende diverse fiscale bepalingen, worden pensioenen, aanvullende pensioenen, renten, kapitalen, spaartegoeden en afkoopwaarden vrijgesteld indien ze voortkomen uit een individueel levensverzekeringscontract dat is afgesloten ten gunste van de belastingplichtige persoon of de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is en ze niet geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van werkgeversbijdragen of bijdragen van de onderneming, noch van bijdragen of premies als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 16°, noch van bijdragen die overeenkomstig artikel 52, 7°bis, in aanmerking konden komen als beroepskosten, noch van bijdragen die in aanmerking konden komen voor de toepassing van artikel 1451, 1°, WIB92. Krachtens artikel 23, § 3, A, 5°, KB WAP is die bepaling van toepassing op de lijfrenten, renten, vergoedingen, anders dan de in artikel 23, § 3, A, 6°, bedoelde kapitalen, afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten, pensioenen en aanvullende pensioenen die betaald zijn vanaf 1 januari 2004. Uit het geheel van voormelde bepalingen volgt dat artikel 39, § 2, 2°, d, WIB92 de vrijstelling voor pensioenen, aanvullende pensioenen, renten, kapitalen, spaartegoeden en afkoopwaarden die voortkomen uit een individueel levensverzekeringscontract, doet vervallen indien ze geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van werkgeversbijdragen die werden betaald sinds 1 januari 2004. 3. Krachtens artikel 38, § 1, eerste lid, 18°, WIB92, zoals ingevoegd bij artikel 76, 1°, WAP, zijn vrijgesteld de voordelen die voor de werknemers die de in artikel 30, 1°, bedoelde bezoldigingen verkrijgen, voortvloeien uit de betaling van werkgeversbijdragen en -premies als bedoeld in artikel 52, 3°, b, op voorwaarde, wanneer het een individuele toezegging betreft, dat bij de werkgever ook een collectieve toezegging bestaat die voor de werknemers of een bijzondere categorie ervan op eenzelfde en niet-discriminerende wijze toegankelijk is. Krachtens artikel 23, § 3, A, 3° en 4°, KB WAP is die bepaling van toepassing op de bijdragen en de premies die zijn betaald in uitvoering van de individuele toezeggingen die zijn gesloten vanaf 1 januari 2004 en op de andere dan de hiervoor bedoelde bijdragen en premies die betaald zijn vanaf 1 januari 2004. Hieruit volgt dat, sinds de inwerkingtreding van die bepaling op 1 januari 2004, de betaling door de werkgever van een werkgeversbijdrage of -premie voor een pensioen van een werknemer in de regel niet langer belast wordt als een voordeel van alle aard in hoofde van de werknemer, maar wordt vrijgesteld van belasting. 4. Uit de samenhang van de artikelen 34, § 1, 2°, b, 38, § 1, eerste lid, 18°, en 39, § 2, 2°, WIB92 volgt dat de uitkering van een pensioen of een pensioenrente die steunt op een vóór 1 januari 2004 gedane toezegging en die geheel of gedeeltelijk is gevormd door middel van een sinds 1 januari 2004 betaalde werkgeversbijdrage, belastbaar is in de mate dat dit pensioen is gevormd door sinds 1 januari 2004 betaalde werkgeversbijdragen. 5. Artikel 39, § 2, WIB92 werd door artikel 28 van de wet van 21 januari 2022 houdende diverse bepalingen aangevuld met een tweede en derde lid. Het tweede lid van artikel 39, § 2, bepaalt voortaan dat de in het eerste lid, 2°, bedoelde inkomsten niet omvatten, inkomsten die voortkomen uit pensioenen, aanvullende pensioenen, kapitalen, renten en afkoopwaarden, die zijn opgebouwd in het kader van een al dan niet buitenlands pensioenstelsel, ongeacht of de aangeslotene al dan niet individueel is toegetreden tot het pensioenstelsel en ongeacht of de opbouw van het pensioen, het kapitaal of de rente al dan niet in het definitief en uitsluitend voordeel van de aangeslotene gebeurt. Krachtens artikel 60, vierde lid, van de wet van 21 januari 2022 was artikel 28 van toepassing vanaf aanslagjaar 2022. 6. Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 170/2023 van 14 december 2023 artikel 60, vierde lid, van de wet van 21 januari 2022 vernietigd, op grond dat deze bepaling zonder verantwoording terugwerkende kracht verleende aan artikel 28 van die wet. Het Grondwettelijk Hof oordeelde in overweging B.2.5 dat uit de parlementaire voorbereiding kan worden afgeleid dat de wetgever uitdrukkelijk geen terugwerkende kracht voor ogen had. In overweging B.4.1 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat niet kan worden aangenomen dat artikel 28 de facto retroactieve werking heeft en dat de bestreden bepaling geen invloed kan hebben op hangende gedingen, die moeten worden afgehandeld overeenkomstig de regelgeving die van toepassing was tijdens het desbetreffende heffingsjaar. In zoverre het onderdeel aanvoert dat artikel 39, § 2, tweede en derde lid, WIB92, zoals ingevoerd door voormeld artikel 28, een verduidelijking betreft van de vorige wetgeving en aldus een interpretatief karakter heeft, faalt het naar recht. 7. De appelrechter die oordeelt dat voor aanslagjaar 2018 een pensioentoezegging, gedaan in het kader van een pensioenfonds kan worden gelijkgesteld met een individueel levensverzekeringscontract in de zin van artikel 39, § 2, 2° WIB92, indien de bijdragen werden gestort in het definitief en uitsluitend voordeel van de werknemer in de mate ze zijn samengesteld door de werkgeversbijdragen gestort vóór 1 januari 2004 en dat de aldus verkregen pensioenuitkeringen slechts belastbaar zijn als pensioen in de mate ze zijn samengesteld door de werkgeversbijdragen gestort vanaf 1 januari 2004, voegt geen voorwaarde voor belastbaarheid toe die de wet niet bevat, verleent geen vrijstelling van belasting en verantwoordt zijn beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 8. Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat uit de samenhang van de artikelen 34, § 1, 2°, b, 38, § 1, eerste lid, 18°, en 39, § 2, 2°, WIB92, volgt dat de uitkering van een pensioen of een pensioenrente die steunt op een vóór 1 januari 2004 gedane toezegging en die geheel of gedeeltelijk is gevormd door middel van een sinds 1 januari 2004 betaalde werkgeversbijdrage, belastbaar is in de mate dat dit pensioen gevormd is door sinds 1 januari 2004 betaalde werkgeversbijdragen en vrijgesteld is in de mate dat het pensioen werd gevormd door werkgeversbijdragen, betaald vóór 1 januari 2004. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 9. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat uit het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 170/2023 van 14 december 2023 blijkt dat de wet van 21 januari 2022 slechts een verduidelijking betreft van artikel 39, § 2, WIB92, berust het, gelet op de redenen in ro 5, op een onjuiste lezing van dit arrest en mist het feitelijke grondslag. Derde onderdeel 10. Door de temporele werking van artikel 34, § 1, 2°, b), WIB92, met inachtneming van het non bis in idem-beginsel te beoordelen, doet de appelrechter noch uitspraak over enige retroactieve werking van de WAP, noch over enige schending door die wet van de artikelen 170 en 172 Grondwet. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 11. Het komt niet aan het Grondwettelijk Hof, maar wel aan de hoven en rechtbanken toe om met inachtneming van de bedoeling van de wetgever de temporele werking van de wet te onderzoeken. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste rechtsopvatting. 12. Het Grondwettelijk Hof is niet bevoegd om wetskrachtige normen rechtstreeks te toetsen aan artikel 26 van het Verdrag van Wenen van 23 mei 1969 inzake het verdragenrecht. 13. De in het onderdeel voorgestelde derde prejudiciële vraag is onvoldoende nauwkeurig om het Hof toe te laten de relevantie ervan te beoordelen. 14. Er bestaat geen aanleiding tot het stellen van deze door de eiser voorgestelde prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof. Vierde onderdeel 15. De appelrechter oordeelt dat het feit dat de bijdragen/premies destijds in werkelijkheid niet belast werden omdat de bijdragen vroeger niet aan de Belgische personenbelasting onderworpen werden, de gemaakte kwalificatie van de betroffen pensioenuitkering niet kan beletten. Hij oordeelt eveneens dat de werknemer-begunstigde voor deze bedragen in België nooit enige belastingvrijstelling, belastingaftrek of belastingvermindering heeft genoten, zodat de latere betalingen niet nogmaals belast kan worden als pensioen. Met deze redenen verwerpt en beantwoordt de appelrechter het in het onderdeel bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 623,78 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 13 december 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241213.1N.1 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251023.1N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.