← België

Erasmushogeschool Brussel contra S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241213.1N.8 Rolnummer: C.20.0476.N Zaak: Erasmushogeschool Brussel contra S. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2024-12-30 Raadplegingen: 475 - laatst gezien 2026-06-15 03:43 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241213.1N.8 Fiches 1 - 2 Het hogeschoolbestuur kan bij een met reden omklede beslissing, individueel een afwijking toestaan aan een lid van het onderwijzend personeel belast met een voltijdse opdracht, dat een bepaalde activiteit uitoefent die voorkomt op een lijst bepaald door de Vlaamse Regering, die voor gevolg heeft dat diens opdracht in beginsel ambtshalve deeltijds zou worden; daartoe dient het betrokken voltijdse personeelslid een gemotiveerd verzoek te doen; het hogeschoolbestuur dient jaarlijks, na onderzoek van de beschikbaarheid van het betrokken personeelslid voor de hogeschool, een beslissing te nemen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALGEMEEN ONDERWIJS Fiche 3 Waar het hogeschoolbestuur jaarlijks een nieuwe beslissing betreffende het gemotiveerd verzoek van het personeelslid dient te nemen, is niet bepaald dat het betrokken voltijds personeelslid jaarlijks zijn gemotiveerd verzoek moet herhalen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERWIJS Wettelijke bepalingen: Decr. 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap - 13-07-1994 - Art. 147 - 32 ELI link Pub nr 1994036049 Decr. 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap - 13-07-1994 - Art. 148 - 32 ELI link Pub nr 1994036049 Besluit van de Vlaamse regering 3 mei 1995 tot vaststelling van de lijst van andere beroepsactiviteiten of bezoldigde activiteiten die een groot gedeelte van de tijd in beslag nemen van een lid van het onderwijzend personeel, werkzaam in de ... - 03-05-1995 - Art. 1 Besluit van de Vlaamse regering 3 mei 1995 tot vaststelling van de lijst van andere beroepsactiviteiten of bezoldigde activiteiten die een groot gedeelte van de tijd in beslag nemen van een lid van het onderwijzend personeel, werkzaam in de ... - 03-05-1995 - Art. 2 Fiches 4 - 5 De omstandigheid dat het hogeschoolbestuur op grond van haar discretionaire bevoegdheid de aanvraag tot individuele afwijking had mogen weigeren, belet niet dat de appelrechters vaststellen dat de eiseres de aanvraag tot individuele afwijking niet zou hebben geweigerd en op die grond vaststellen dat de schade zich met zekerheid niet zou hebben voorgedaan zoals ze concreet is ontstaan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERWIJS AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout Tekst van de beslissing Nr. C.20.0476.N ERASMUSHOGESCHOOL BRUSSEL, openbare instelling, Vlaamse autonome hogeschool, met zetel te 1070 Brussel, Nijverheidskaai 170, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0255.710.113, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen M. S., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Brussel van 25 mei
  1. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 13 november 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht en er deel van uitmaakt, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  2. Het is niet tegenstrijdig te oordelen, enerzijds, dat de verweerder niet kan worden verweten dat hij niet jaarlijks om een individuele afwijking heeft verzocht en, anderzijds, dat hij bovendien jaarlijks een de facto afwijkingsverzoek heeft ingediend voor de jaren 1996-
  3. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  4. Het is niet tegenstrijdig te oordelen, enerzijds, dat uit de beslissingen genomen in 1995-1996 de verweerder kon afleiden dat de eiseres een algemene en onpersoonlijke beleidsbeslissing had genomen om in de toekomst geen individuele afwijkingen op de decretale cumulatieregels toe te staan en dat deze beleidsbeslissing werd herbevestigd op de vergadering van de raad van bestuur van de eiseres van 27 april 2000 en ook tijdens de procedure voor de Raad van State en, anderzijds, bij de beoordeling of de aanvragen van de verweerder, indien zij individueel beoordeeld zouden zijn geweest, zouden zijn toegekend, te oordelen dat uit de beslissingspraktijk van de eiseres met betrekking tot cumulactiviteiten in de jaren 2007-2014 duidelijk naar voren komt dat nevenactiviteiten zoals die van de verweerder, voor zover ze een meerwaarde betekenen voor de doceeractiviteiten en buiten de schoolplanning vallen, wel degelijk werden toegestaan binnen het toepasselijke decretale en reglementaire kader. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  5. Het in het onderdeel bedoelde verweer heeft betrekking op de hypothese dat de verweerder geen verdere afwijkingen heeft gevraagd voor de academiejaren 1996-
  6. De appelrechters dienden niet te antwoorden op een verweer van de eiseres dat betrekking had op een veronderstelling die, gelet op hun beslissing dat de verweerder jaarlijks om een afwijking heeft verzocht, niet meer dienend was. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Zesde onderdeel
  7. Krachtens artikel 147 van het Decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap (hierna: Hogescholendecreet), zoals van toepassing, mogen de leden van het onderwijzend personeel belast met een voltijdse opdracht en de algemeen directeur geen andere beroepsactiviteit of een andere bezoldigde activiteit uitoefenen dan met toestemming van het hogeschoolbestuur. Het hogeschoolbestuur stelt jaarlijks de naamlijst op van de voltijdse en van de deeltijdse leden van het onderwijzend personeel die tenminste een halftijdse opdracht uitoefenen, en die andere beroepsactiviteiten of bezoldigde activiteiten uitoefenen die verenigbaar worden geacht met hun opdracht aan de hogeschool. Tegenover de naam van elk personeelslid wordt de aard en de duur van de nevenactiviteiten opgegeven, evenals de omvang van de opdracht aan de hogeschool. In voorkomend geval wordt ook de algemeen directeur op deze lijst opgenomen. Het hogeschoolbestuur maakt deze lijst openbaar in de hogeschool en deelt hem mee aan de Vlaamse regering via de commissaris van de Vlaamse regering. Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 148, zoals van toepassing, wordt, met ingang van 1 september 1996, een deeltijdse opdracht van meer dan 70 procent beschouwd als een voltijdse opdracht. Krachtens voormeld artikel 148 Hogescholendecreet wordt ambtshalve deeltijds de opdracht van het personeelslid, belast met een voltijdse opdracht dat een andere beroepsactiviteit of een andere bezoldigde activiteit uitoefent die een groot deel van zijn tijd in beslag neemt. Het procentueel aandeel van een opdracht die ambtshalve deeltijds wordt gesteld, bedraagt ten hoogste 70 procent. Als andere beroepsactiviteiten of bezoldigde activiteiten die een groot gedeelte van de tijd in beslag nemen, worden beschouwd alle activiteiten waarvan de omvang twee halve dagen per week overschrijdt of die voorkomen op een lijst vastgesteld door de Vlaamse regering. De Vlaamse regering kan bij het vaststellen van de lijst ook de voorwaarden en de procedure vastleggen waaronder het hogeschoolbestuur, bij met reden omklede beslissing, individueel een afwijking kan toestaan aan een lid van het onderwijzend personeel dat een bepaalde activiteit uitoefent die voorkomt op die lijst. Bij artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 1995 tot vaststelling van de lijst van andere beroepsactiviteiten of bezoldigde activiteiten die een groot gedeelte van de tijd in beslag nemen van een lid van het onderwijzend personeel, werkzaam in de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap (hierna: Besluit Vlaamse Regering van 3 mei 1995), zoals van toepassing, bepaalt de Vlaamse Regering de lijst van andere beroepsactiviteiten of bezoldigde activiteiten die overeenkomstig artikel 148 Hogescholendecreet ambtshalve een groot gedeelte van de tijd van een lid van het onderwijzend personeel in beslag nemen. Krachtens artikel 2 Besluit Vlaamse Regering van 3 mei 1995, zoals van toepassing, kan het hogeschoolbestuur, jaarlijks, op gemotiveerd verzoek van het betrokken voltijdse personeelslid en na onderzoek van zijn/haar beschikbaarheid voor de hogeschool, bij een met redenen omklede beslissing vaststellen dat een op de lijst ingeschreven activiteit als vermeld in artikel 1, geen groot gedeelte van de tijd van het betrokken personeelslid in beslag neemt. Uit het geheel van deze bepalingen blijkt dat het hogeschoolbestuur bij een met redenen omklede beslissing individueel een afwijking kan toestaan aan een lid van het onderwijzend personeel belast met een voltijdse opdracht, dat een bepaalde activiteit uitoefent die voorkomt op een lijst bepaald door de Vlaamse Regering, die tot gevolg heeft dat diens opdracht in beginsel ambtshalve deeltijds zou worden. Het betrokken voltijdse personeelslid dient daartoe een gemotiveerd verzoek in te dienen. Het hogeschoolbestuur dient jaarlijks, na onderzoek van de beschikbaarheid van het betrokken personeelslid voor de hogeschool, een beslissing te nemen. Waar aldus het hogeschoolbestuur jaarlijks een nieuwe beslissing betreffende het gemotiveerd verzoek van het personeelslid dient te nemen, is niet bepaald dat het betrokken voltijdse personeelslid jaarlijks zijn gemotiveerd verzoek moet herhalen. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Zevende onderdeel
  8. De appelrechters oordelen dat op grond van de elementen die zij vermelden de eiseres, indien zij de aanvraag tot afwijking van de verweerder op afdoende en individuele wijze had onderzocht, zoals bepaald bij artikel 2 Besluit Vlaamse Regering van 3 mei 1995, een gunstige beslissing had genomen, zodat het causaal verband tussen de fout van de eiseres en de door de verweerder beweerde geleden schade, bestaande uit loonverlies en aantasting van pensioenrechten, is aangetoond. Zodoende oordelen zij dat de schade zich zonder de fout van de eiseres met zekerheid niet zou hebben voorgedaan zoals ze zich heeft voorgedaan.
  9. Anders dan de eiseres aanvoert, belet de omstandigheid dat de eiseres op grond van haar discretionaire bevoegdheid de aanvraag tot individuele afwijking had mogen weigeren, niet dat de appelrechters vaststellen dat de eiseres de aanvraag tot individuele afwijking niet zou hebben geweigerd en dat zij op die grond vaststellen dat de schade zich met zekerheid niet zou hebben voorgedaan zoals ze concreet is ontstaan. Het onderdeel kan niet worden aangenomen Vierde onderdeel
  10. Met het in het tweede en het zevende onderdeel vergeefs bestreden redenen geven de appelrechters ondubbelzinnig te kennen dat het causaal verband tussen de fout en de schade is aangetoond voor de periode tussen 1 september 1995 en 31 december
  11. Aangezien het arrest de in het onderdeel bedoelde dubbelzinnigheid in de motivering niet bevat, mist het onderdeel feitelijke grondslag. Vijfde onderdeel Tweede subonderdeel
  12. Met de in de overige onderdelen vergeefs bestreden redenen dat de verweerder jaarlijks om een afwijking heeft verzocht en dat moet worden aangenomen dat de eiseres, indien zij de aanvraag tot afwijking van de verweerder op afdoende en individuele wijze had onderzocht, zoals bepaald bij artikel 2 Besluit Vlaamse Regering van 3 mei 1995, een gunstige beslissing had genomen, zodat het causaal verband tussen de fout van de eiseres en de door de verweerder geleden schade bestaande uit loonverlies en aantasting van pensioenrechten derhalve is aangetoond, geven de appelrechters te kennen dat aan de zijde van de eiseres niet alleen met betrekking tot het academiejaar 1995-96, maar ook met betrekking tot de academiejaren 1996-97 en volgende tot 31 december 2009 een fout is bewezen.
  13. Het subonderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag. Eerste subonderdeel
  14. De in het eerste subonderdeel aangevoerde schending van artikel 149 Grondwet is volledig afgeleid uit de vergeefs in het tweede subonderdeel aangevoerde schending van artikel 1382 Oud Burgerlijk Wetboek en mitsdien niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 306,36 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 13 december 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241213.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241213.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.