Obsah (4)
Art. 128Art. 135Art. 229Art. 138id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 128
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 135
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 229- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.
1022 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 128
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 135
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 229- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.
1022 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 128
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 138
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 229- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.
1022 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0424.N R. B., voorheen R. S., burgerlijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Peter Gonnissen, advocaat bij de balie Gent, tegen I. S., inverdenkinggestelde, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 29 februari
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert in al zijn onderdelen schending aan van artikel 149 Grondwet.
- Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die de rechtspleging regelen. In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 392, 393, 398, 401 en 419 Strafwetboek: het arrest oordeelt, enerzijds, dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de verweerster het oogmerk had om de overleden M.B. aan te randen of haar fysieke integriteit aan te tasten en, anderzijds, dat de verweerster bewust de opdracht heeft gegeven aan de eiseres om het zuurstofmasker te verwijderen en de zuurstofmachine uit te zetten; die redenen zijn tegenstrijdig; bijgevolg is de beslissing tot de buitenvervolgingstelling van de verweerster niet naar recht verantwoord.
- Het onderdeel dat formeel aanvoert dat het arrest tegenstrijdige redenen bevat en uit de feiten die het vaststelt onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt, komt in werkelijkheid geheel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 392, 393, 398, 401 en 419 Strafwetboek: het arrest motiveert niet waarom het de eerste rechter bijtreedt dat er geen reden is om de feiten te herkwalificeren naar onopzettelijke doding en het stelt ten onrechte vast dat de eiseres betwist dat het om onopzettelijke doding gaat; in haar appelconclusie heeft de eiseres nochtans gesteld dat de verweerster zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige feiten, “ondergeschikt aan onopzettelijke slagen en verwondingen met de dood tot gevolg met verzwarende omstandigheden, meer ondergeschikt aan een andere passende kwalificatie van deze ernstige feiten”.
- In zoverre het onderdeel het arrest verwijt te oordelen dat de eiseres “overigens” stelt dat zij betwist dat het om onopzettelijke doding zou gaan, komt het op tegen een overtollige reden, kan het bijgevolg niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk.
- Bij afwezigheid van een in conclusie daarover gevoerd verweer, moeten de appelrechters die de redenen van de beroepen beschikking overnemen op grond waarvan zij de tenlastegelegde feiten niet herkwalificeren, niet bijkomend vermelden waarom zij die redenen overnemen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Uit de appelconclusie van de eiseres (p. 2) blijkt niet dat zij, behoudens de stelling dat de verweerster zich schuldig zou hebben gemaakt “ondergeschikt aan onopzettelijke slagen en verwondingen met de dood tot gevolg, met verzwarende omstandigheden, meer ondergeschikt aan een andere passende kwalificatie van deze ernstige feiten”, een specifiek verweer heeft gevoerd tegen de redenen (p. 5) van de beroepen beschikking om de feiten niet te herkwalificeren naar het onopzettelijk veroorzaken van een overlijden door onvoorzichtigheid.
- Met de overname van de redenen van de beroepen beschikking beantwoorden en verwerpen de appelrechters het verweer van de eiseres over de ondergeschikte vraag tot herkwalificatie van de tenlastegelegde feiten. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 392, 393, 398, 401 en 419 Strafwetboek: het arrest beantwoordt niet het in appelconclusie gevoerde verweer van de eiseres over het respiratoir falen en het stopzetten van de zuurstoftoediening; met name beantwoordt het niet het verweer in verband met hetgeen de raadkamer stelt over het verslag van de deskundige; het arrest herneemt slechts de argumenten van de raadkamer.
- De verplichting voor de rechter om de conclusie van een partij te beantwoorden, houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat die partij aanvoert tot staving van haar verweer, maar dat geen afzonderlijk verweer vormt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De beroepen beschikking (p. 5) oordeelt onder meer dat: - uit het verslag van de wetsdokter naar aanleiding van de autopsie naar voor komt dat de fysiopathologische mechanismen van het overlijden in verband dienen te worden gebracht met respiratoir falen ten gevolge van een acute bronchopneumonie met aanwezigheid van vreemd materiaal (aspiratiepneumonie); - een aspiratiepneumonie een longontsteking is die ontstaat doordat de maaginhoud (voedsel, drank, braaksel) in de luchtwegen en bijgevolg in de longen terechtkomt en dit vaak voorkomt bij personen met neurologische aandoeningen, slikproblemen, ouderen…; - er geen tekens van asfyxie werden vastgesteld; - op basis van de studie van de medische dossiers de wetsdokter tot de conclusie komt dat de toestand van M.B. op het ogenblik van de feiten moet worden beschouwd als zijnde in de terminale fase; - de toediening van zuurstof of het weglaten ervan in die omstandigheden geen substantieel effect op de gezondheidstoestand en op de overlevingskans van betrokkene heeft; - dit inhoudt dat niet is aangetoond dat het overlijden van M.B. werd veroorzaakt door het wegnemen van het zuurstofmasker, mocht dit op zich al een fout betreffen; - waar de eiseres wijst op het respiratoir falen als oorzaak van het overlijden, zij de oorzaak van dit respiratoir falen negeert, namelijk een aspiratiepneumonie; - waar de deskundige stelt dat er geen substantieel effect is geweest, dit niet noodzakelijk inhoudt dat er een effect is geweest; - het aan de eiseres is om aannemelijk te maken dat het overlijden werd veroorzaakt, dan wel werd vervroegd door het wegnemen van het zuurstofmasker, wat niet het geval is; - dit meteen inhoudt dat er ook geen herkwalificatie mogelijk is naar het onopzettelijk veroorzaken van een overlijden door onvoorzichtigheid, nu het oorzakelijk verband geenszins aannemelijk is gemaakt.
- Het arrest (p. 10) neemt deze redenen over en (p. 11) voegt daar onder meer volgende eigen redenen aan toe: - er zijn onvoldoende aanwijzingen dat er tussen het weglaten/wegnemen van de zuurstof en de dood van M.B. een oorzakelijk verband is; - uit het autopsieverslag van dr. D.B. blijkt immers onder meer dat er geen tekenen van asfyxie werden vastgesteld bij M.B., dat de fysiopathologische mechanismen van het overlijden in verband dienen te worden gebracht met respiratoir falen ten gevolge van een acute bronchopneumonie met aanwezigheid van vreemd materiaal (aspiratiepneumonie) en dat het overlijden van M.B. is te wijten aan een acute bronchopneumonie; - uit het verslag van dr. E.D. betreffende de studie van het medisch dossier van M.B. blijkt bovendien dat de toestand van M.B. kon worden beschouwd als zijnde in de terminale fase, dat de toediening van zuurstof of het weglaten ervan in die omstandigheden geen substantieel effect had op de gezondheidstoestand en op de overlevingskans van M.B.; - er zijn onvoldoende aanwijzingen dat de feitelijke omstandigheden er op wijzen dat zonder het weglaten van de zuurstof het overlijden zoals dit zich in concreto heeft voorgedaan niet zou zijn voorgevallen; - er zijn met andere woorden onvoldoende aanwijzingen dat het weglaten van de zuurstof aan de oorsprong van het overlijden van M.B. ligt.
- Met het geheel van die overgenomen en eigen redenen beantwoorden en verwerpen de appelrechters het verweer dat de eiseres in appelconclusie voerde over het respiratoir falen en het stopzetten van de zuurstoftoediening, zonder dat zij moesten ingaan op elk in het onderdeel vermeld argument, dat geen zelfstandig verweer uitmaakte. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het in appelconclusie gevoerde verweer van de eiseres over het niet-volgen door de verweerster van het protocol bij het definitief uitzetten van de zuurstofmachine (eerste onderdeel), de wilsverklaring van M.B. en het gebrek aan wens of beschikking tot euthanasie (tweede onderdeel).
- Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die de rechtspleging regelen. In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 11) oordeelt dat de eiseres niet pertinent verwijst naar het “protocol”, de “negatieve wilsverklaring” op naam van M.B. en het gebrek aan wens of beschikking tot euthanasie.
- Het arrest (p. 10-11) oordeelt bovendien onder meer dat: - de verweerster verklaarde dat zij aan de eiseres heeft gevraagd om de zuurstof af te koppelen omdat M.B. aan het sterven was; - uit het verslag (studie medisch dossier) van de wetsarts blijkt dat M.B. zich in een terminaal stadium bevond; - de eiseres op de hoogte was van de medische/palliatieve/terminale toestand van haar moeder, hetgeen blijkt uit de verklaringen van de verweerster, de zus, de broers en de vader van de eiseres en van de eiseres zelf en hetgeen ook steun vindt in de omstandigheden dat de eiseres de laatste dagen “waakte” in het woonzorgcentrum bij haar moeder en zij onder meer volgende berichten stuurde naar haar zoon: “Meme heeft 40 graden koorts, we denken dat het niet meer zo lang gaat duren” en “We hebben de zuurstof stilgelegd, en haar masker afgedaan) (eigen onderlijning door de appelrechters).
- Met die redenen, alsook met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel, derde onderdeel, geeft het arrest duidelijk en ondubbelzinnig de redenen weer op grond waarvan het beslist tot de buitenvervolgingstelling van de verweerster, zonder dat de appelrechters verder moesten antwoorden op elk in het middel vermeld argument, dat geen zelfstandig verweer uitmaakte. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest motiveert niet waarom verder onderzoek naar eventueel onbekend gebleven verdachten, zoals aangehaald in de appelconclusie van de eiseres, als zinloos voorkomt; het gerechtelijk onderzoek werd gebrekkig gevoerd en legt heel wat bijkomende maar niet onderzochte bezwarende elementen bloot.
- Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die de rechtspleging regelen. In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
- In zoverre het middel niet gericht is tegen het arrest maar tegen het gerechtelijk onderzoek, is het niet ontvankelijk.
- In de appelconclusie (p. 5) van de eiseres wordt weliswaar opgeworpen dat het gerechtelijk onderzoek gebrekkig werd gevoerd en wordt een opsomming gegeven van “heel wat bijkomende maar niet onderzochte bezwarende elementen”, echter zonder daaruit rechtsgevolgen af te leiden voor de door de appelrechters te nemen beslissing of zonder dat bijkomende onderzoekshandelingen werden gevraagd. Dit verweer dienden de appelrechters derhalve niet verder te beantwoorden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 13 EVRM, artikel 14 IVBPR, artikel 47 Europees Handvest Grondrechten EU, artikel 13 Grondwet, artikel 135 Wetboek van Strafvordering, artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en artikel 3 Tarief Rechtsplegingsvergoeding: het arrest veroordeelt de eiseres ten onrechte tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep; de appelrechters hervormen, zoals door de eiseres in appelconclusie ook werd gevorderd, de bestreden raadkamerbeschikking nochtans terecht waar de eiseres werd veroordeeld tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg, omdat zij de strafvordering niet zelf op gang heeft gebracht; de eiseres kon de beslissing van de eerste rechter over de rechtsplegingsvergoeding echter slechts laten vernietigen door hoger beroep in te stellen; hierdoor beperken de appelrechters de toegang van de eiseres tot de rechter; zij motiveren ook niet waarom zij de eiseres veroordelen tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding voor deze noodzakelijke beroepsprocedure.
- Krachtens artikel 51 Handvest Grondrechten EU zijn de bepalingen van die akte gericht tot de instellingen en de organen van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de Lidstaten. Hieruit volgt dat artikel 47 Handvest Grondrechten EU slechts kan worden ingeroepen bij de toepassing van het Unierecht, wat hier niet het geval is. In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
- Krachtens artikel 128 Wetboek van Strafvordering veroordeelt de raadkamer in geval van buitenvervolgingstelling de burgerlijke partij die het onderzoek heeft ingeleid door zijn burgerlijkepartijstelling voor de onderzoeksrechter, tot het betalen aan de inverdenkinggestelde van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek.
- Uit artikel 128 Wetboek van Strafvordering moet worden afgeleid dat indien een burgerlijke partij hoger beroep aantekent tegen een beschikking tot buitenvervolgingstelling zonder hierin te worden voorafgegaan of gevolgd door het openbaar ministerie en de kamer van inbeschuldigingstelling de buitenvervolgingstelling bevestigt, de kamer van inbeschuldigingstelling de burgerlijke partij moet veroordelen tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan die inverdenkinggestelde, voor zover die is bijgestaan door een raadsman. Dat één van de grieven van het hoger beroep van de burgerlijke partij in dat geval is gericht tegen een onterechte veroordeling door de raadkamer om aan de inverdenkinggestelde voor de procedure in eerste aanleg een rechtsplegingsvergoeding te betalen, doet daaraan geen afbreuk.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres op 27 maart 2023 hoger beroep heeft ingesteld tegen alle beslissingen van de beroepen beschikking en dus ook tegen de beslissing dat er geen reden is om de verweerster te vervolgen voor de feiten van de enige telastlegging.
- De appelrechters stellen vast dat de eiseres “als enige tegen de buitenvervolgingstelling van [de verweerster] hoger beroep heeft ingesteld en in het ongelijk wordt gesteld”. Zij bevestigen de beroepen beschikking met de enkele wijziging dat de eiseres niet wordt veroordeeld tot het betalen aan de verweerster van een rechtsplegingsvergoeding van 1.800,00 euro voor de procedure in eerste aanleg en veroordelen de eiseres tot het betalen aan de verweerster van een rechtsplegingsvergoeding van 1.800,00 euro voor de beroepsprocedure. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 93,91 euro, waarvan 58,91 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 17 december 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241217.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260219.1N.16 precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200317.2N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220216.2F.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div