← België

R. contra K.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 187

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 187

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 187

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 7 Uit de relatieve werking van het verzet op burgerlijk gebied volgt dat het gerecht dat oordeelt over het hoger beroep tegen het vonnis gewezen op het verzet van de beklaagde, de schadevergoeding waartoe de eerste rechter deze laatste bij verstek heeft veroordeeld, niet mag verzwaren behoudens wanneer de burgerlijke partij een ontvankelijk hoger beroep tegen het verstekvonnis heeft ingesteld; een eventueel incidenteel beroep van de burgerlijke partij voor de appelrechter op verzet doet daaraan geen afbreuk

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 187

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 187

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 187

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Beoordelingsbevoegdheid. Raming. Peildatum Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 187

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 8 - 10 Om na te gaan of er een strafverzwaring is, moeten eerst de door de eerste rechter en het appelgerecht opgelegde hoofdstraffen worden vergeleken; indien het appelgerecht een lagere hoofdstraf uitspreekt dan de eerste rechter is er geen strafverzwaring, ongeacht de in hoger beroep uitgesproken bijkomende straffen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 187

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 187

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 187

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 11 - 13 Een listige kunstgreep als bestanddeel van oplichting kan erin bestaan dat een aannemer de overeengekomen werken slechts gedeeltelijk uitvoert en de verdere uitvoering van die werken afhankelijk maakt van de betaling van voorschotten of bijkomende voorschotten wegens zogenaamde meerwerken, waarvan hij op voorhand weet dat hij ze niet of hoogstwaarschijnlijk niet zal uitvoeren; de rechter die vaststelt dat een aannemer bedrieglijk op die wijze handelt, kan oordelen dat die aannemer niet louter een contractuele wanprestatie pleegt, maar zich ook schuldig maakt aan oplichting

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OPLICHTING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 496 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SAMENLOOP VAN AANSPRAKELIJKHEID - Aansprakelijkheid uit en buiten overeenkomst Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 496 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 496 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1076.N J. R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Fouad Marchouh, advocaat bij de balie Limburg, tegen
  1. T. K.,
  2. C. D. M.,
  3. V. V. D. E., burgerlijke partijen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 19 juni
  4. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Op 28 november 2024 heeft advocaat-generaal Bart De Smet een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 17 december 2024 heeft sectievoorzitter Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  5. Het middel voert schending aan van artikel 187 Wetboek van Strafvordering: het arrest verzwaart de toestand van de eiser tegenover zijn veroordeling bij verstek door hem bijkomend te veroordelen tot de bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen en een bestuurdersverbod en door hem te veroordelen tot een hogere schadevergoeding aan de verweerster 3; noch het openbaar ministerie, noch de verweerster 3 hebben hoger beroep ingesteld tegen het verstekvonnis; bijgevolg miskent het arrest de relatieve werking van eisers verzet.
  6. Uit de relatieve werking van het verzet op strafgebied volgt dat het gerecht dat oordeelt over het hoger beroep tegen het vonnis gewezen op het verzet van de beklaagde, de straf waartoe de eerste rechter deze laatste bij verstek heeft veroordeeld, niet mag verzwaren behoudens wanneer het openbaar ministerie een ontvankelijk hoger beroep tegen het verstekvonnis heeft ingesteld.
  7. Uit de relatieve werking van het verzet op burgerlijk gebied volgt dat het gerecht dat oordeelt over het hoger beroep tegen het vonnis gewezen op het verzet van de beklaagde, de schadevergoeding waartoe de eerste rechter deze laatste bij verstek heeft veroordeeld, niet mag verzwaren behoudens wanneer de burgerlijke partij een ontvankelijk hoger beroep tegen het verstekvonnis heeft ingesteld. Een eventueel incidenteel beroep van de burgerlijke partij voor de appelrechter op verzet doet daaraan geen afbreuk.
  8. Om na te gaan of er een strafverzwaring is, moeten eerst de door de eerste rechter en het appelgerecht opgelegde hoofdstraffen worden vergeleken. Indien het appelgerecht een lagere hoofdstraf uitspreekt dan de eerste rechter is er geen strafverzwaring, ongeacht de in hoger beroep uitgesproken bijkomende straffen.
  9. De correctionele rechtbank Limburg, afdeling Hasselt, heeft de eiser bij verstekvonnis van 27 maart 2023 wegens de telastleggingen A.1 tot A.5 (oplichting) veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van 30 maanden, alsook tot een geldboete van 500,00 euro, door vermeerdering met 70 opdeciemen gebracht op 4.000,00 euro. Die rechtbank heeft de eiser eveneens veroordeeld tot betaling aan de verweerster 3 van een schadevergoeding van 8.593,06 euro, vermeerderd met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 2 juli
  10. Dezelfde rechtbank heeft bij vonnis op verzet en op tegenspraak van 30 juni 2023 het verzet van de eiser ontvankelijk verklaard en de eiser voor dezelfde telastleggingen veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van 2 jaar, met uitstel van tenuitvoerlegging voor een jaar voor een termijn van vijf jaar, alsook tot een geldboete van 250,00 euro, door vermeerdering met 70 opdeciemen gebracht op 2.000,00 euro. Die rechtbank heeft de eiser veroordeeld tot betaling aan de verweerster 3 van dezelfde schadevergoeding als bij verstek. De appelrechters veroordelen de eiser, op zijn hoger beroep en dat van het openbaar ministerie tegen het vonnis op verzet, voor dezelfde telastleggingen, aangepast en geactualiseerd, tot een hoofdgevangenisstraf van 15 maanden, met volledig uitstel van tenuitvoerlegging voor een termijn van vijf jaar, alsook tot een geldboete van 250,00 euro, door vermeerdering met 70 opdeciemen gebracht op 2.000,00 euro en bovendien tot de bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen voor een bedrag van 35.000,00 euro en een bestuurdersverbod overeenkomstig artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod voor een termijn van vijf jaar. Zij veroordelen de eiser tot betaling aan de verweerster 3 van een schadevergoeding van 11.343,06 euro, vermeerderd met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 2 juli
  11. Eensdeels volgt hieruit dat het arrest door, in vergelijking met het verstekvonnis, de aan de eiser opgelegde hoofdstraf te verminderen en hem de bijkomende straffen van de bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen en een bestuurdersverbod op te leggen, zijn toestand op strafgebied niet verzwaart en derhalve de relatieve werking van zijn verzet op dat gebied niet miskent. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  12. Anderdeels volgt hieruit dat het arrest door, in vergelijking met het verstekvonnis, de eiser te veroordelen tot een hogere schadevergoeding aan de verweerster 3, zijn toestand verzwaart op burgerlijk gebied en derhalve de relatieve werking van zijn verzet op dat gebied miskent. In zoverre is het middel gegrond. Tweede middel
  13. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 496, eerste lid, Strafwetboek: het arrest motiveert het bestaan van listige kunstgrepen op basis van het feit dat de eiser steeds op dezelfde manier handelde bij de verschillende burgerlijke partijen, namelijk door te vragen om voorschotten voor werken en materialen terwijl hij op voorhand wist dat er een groot risico bestond dat hij niet zou kunnen leveren, nog voor hij om betaling vroeg; verder motiveert het arrest dat het feit dat de eiser pas na de betaling in gebreke bleef om zijn contractuele verplichtingen na te komen, hieraan geen afbreuk doet; echter impliceert de loutere niet-uitvoering van een contractuele verplichting na betaling van een voorschot geenszins het misdrijf van oplichting; zo vormt de verwezenlijking van een slechte zaak, zijnde de gebrekkige renovatiewerken, geen bedrieglijke handeling zoals vereist voor het misdrijf bepaald in artikel 496, eerste lid, Strafwetboek; dat artikel werd immers niet in het leven geroepen om particulieren te beschermen tegen hun eigen onvoorzichtigheid.
  14. Oplichting als bedoeld in artikel 496, eerste lid, Strafwetboek, zoals van toepassing, bestaat in het zich doen afgeven of leveren van een in die bepaling bedoelde zaak, hetzij door gebruik te maken van valse namen of valse hoedanigheden, hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen, en dit met het oogmerk om zich een aan een ander toebehorende zaak toe te eigenen.
  15. Een listige kunstgreep kan erin bestaan dat een aannemer de overeengekomen werken slechts gedeeltelijk uitvoert en de verdere uitvoering van die werken afhankelijk maakt van de betaling van voorschotten of bijkomende voorschotten wegens zogenaamde meerwerken, waarvan hij op voorhand weet dat hij ze niet of hoogstwaarschijnlijk niet zal uitvoeren. De rechter die vaststelt dat een aannemer bedrieglijk op die wijze handelt, kan oordelen dat die aannemer niet louter een contractuele wanprestatie pleegt, maar zich ook schuldig maakt aan oplichting. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  16. Het arrest stelt bij de eiser een weerkerend patroon vast waarbij: - de eiser bij het sluiten van een overeenkomst voor het uitvoeren van renovatiewerken telkens de betaling vroeg van een soms omvangrijk voorschot; - de eiser vervolgens afbraakwerken uitvoerde waardoor de woning deels onbruikbaar werd, waarop hij dan met een bepaalde druk voorschotten voor zogenaamde meerwerken vroeg, die de klanten zich genoodzaakt zagen te betalen om terug te kunnen beschikken over een volledig bruikbare woning; - de eiser vervolgens geen of nog nauwelijks werken uitvoerde of materialen leverde, tenzij hij de kans zag om nog meer “meerkosten” te vragen; - de overeengekomen werken dus nooit tot een goed einde werden gebracht en de voorgeschoten materialen en grondstoffen nooit volledig werden geleverd.
  17. Het arrest leidt hieruit af dat: - de eiser van bij het begin niet de bedoeling had om tegenprestaties van aanvaardbare waarde in verhouding tot de gemaakte afspraken en betalingen te leveren, minstens wist dat er een onaanvaardbaar ernstig en voor de klanten verborgen gehouden risico bestond op niet-afdoende uitvoering van de overeengekomen werken; - het eisers bedoeling was om zich op die manier bedrieglijk andermans geld toe te eigenen; - de benadeelden zonder de aanwending van de vermelde listige kunstgrepen nooit tot overhandiging van de gelden zouden zijn overgegaan. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  18. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, is het afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser veroordeelt tot betaling aan de verweerster 3 van een hogere schadevergoeding dan 8.593,06 euro, vermeerderd met de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 2 juli
  20. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot vier vijfden van de kosten van zijn cassatieberoep. Veroordeelt de verweerster 3 tot de overige kosten van het cassatieberoep van de eiser. Zegt dat er geen reden is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 140,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 17 december 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241217.2N.17 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241217.2N.17 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251126.2F.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.