← België

D. contra Politiezone van Aarschot

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 32

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 127, eerste en tweede lid - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 32

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 127, eerste en tweede lid - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 32

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Wettelijke bepalingen: Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 127, eerste en tweede lid - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 32

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: POLITIE Wettelijke bepalingen: Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 127, eerste en tweede lid - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 32

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 8 - 12 De enkele omstandigheid dat een politieambtenaar die, naar aanleiding van de vaststelling van een misdrijf waarmee hij is gelast, het slachtoffer wordt van een ander misdrijf waarbij de verdachte de plaats van de voorgenomen vaststelling wil ontvluchten, het op zijn persoon gepleegde misdrijf vaststelt in een proces-verbaal, verplicht de rechter niet te oordelen dat bij de verdachte de objectief gewettigde vrees kan ontstaan dat die politieambtenaar dat proces-verbaal niet onpartijdig heeft opgesteld, zodat geen eerlijk proces meer mogelijk is; hetzelfde geldt wanneer die politieambtenaar nadien nog medewerking verleent aan het verdere onderzoek naar het eerst vermelde misdrijf, ook al is dat onderzoek uitgebreid met het andere misdrijf; dat de politieambtenaar zich nadien burgerlijke partij tegen de verdachte stelt om zijn schade ingevolge het andere misdrijf te verhalen, verplicht niet om daarover anders te oordelen; artikel 56, § 1, Wetboek van Strafvordering

(1)houdt voor de onderzoeksrechter geen verplichting in om in een dergelijk geval het onderzoek van het geheel van de feiten toe te vertrouwen aan een andere politiedienst dan deze waartoe de politieambtenaar behoort; het staat aan de rechter om op grond van de concrete omstandigheden te oordelen of een politieambtenaar blijk geeft van een gebrek aan onpartijdigheid waardoor het strafonderzoek is aangetast door een onregelmatigheid
(2).
(1)Over deze bepaling, en meer bepaald de loyauteit van de opsporing, zie Cass. 8 november 2022, AR P.22.0825.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.10, AC 2022, nr. 709, met concl. OM, RABG 2022, 1375, RW 2023-24, 226, Politie Recht 2024, 41; Cass. 20 april 2021, AR P.21.0385.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210420.2N.13, AC 2021, nr. 287, RW 2021-22, 784; Cass. 2 mei 2017, AR P.16.1011.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.3, AC 2017, nr. 302.
(2)Cass. 19 juni 2024, AR P.24.0511.F ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240619.2F.16, AC 2024, nr.471; Cass. 8 november 2022, AR P.22.0825.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.10, AC 2022, nr. 709, met concl. OM, RABG 2022, 1375, NC 2023, 270, RW 2023-24, 226, Politie&Recht 2024, 41; Cass. 25 maart 2020, AR P.19.1306.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200325.2F.1, AC 2020, nr. 213, JLMB 2020, 1467 noot L. KENNES en D. HOLZAPFEL; Cass. 6 februari 2019, AR P.18.1215.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190206.4, AC 2019, nr. 75, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 29 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 56, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 63 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 32

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 29 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 56, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 63 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 32

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 29 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 56, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 63 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 32

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 29 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 56, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 63 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 32

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 13 - 15 De rechter die geen onregelmatigheid vaststelt, dient artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering niet toe te passen

(1).
(1)Cass. 29 maart 2022, AR P.21.1473.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220329.2N.26, AC 2022, nr. 223. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 32

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 32

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 32- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr.

P.24.1289.N K. D. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Renaud Vercaemst, advocaat bij de balie Brussel, tegen

  1. LOKALE POLITIEZONE AARSCHOT, met zetel te 3200 Aarschot, Ten Drossaarde 1, ON 0862.893.588, burgerlijke partij,
  2. P. H., burgerlijke partij,
  3. N. G., burgerlijke partij, verweerders, met als raadsman mr. Steven Van de Kerkhof, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 9 augustus
  4. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste Middel Eerste onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest steunt de aan de eiser opgelegde straf op zijn schuldigverklaring aan de telastlegging A (poging doodslag) als zwaarste misdrijf in de zin van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek; de telastlegging A betreft een misdaad die, zoals het arrest vermeldt, strafbaar is op grond van de artikelen 51, 52, 80, tweede lid, 392 en 393 Strafwetboek; het onderzoeksgerecht heeft die misdaad echter gecorrectionaliseerd ingevolge het aannemen van verzachtende omstandigheden voor de eiser; bijgevolg is ook artikel 80, derde lid, Strafwetboek van toepassing; het arrest dat enkel artikel 80, tweede lid, Strafwetboek vermeldt en niet artikel 80, derde lid, Strafwetboek, is niet naar recht met redenen omkleed.
  6. De rechter die na correctionalisering door het onderzoeksgerecht een oorspronkelijk als misdaad omschreven feit bewezen verklaart, dient hierbij geen melding te maken van het ingevolge de correctionalisering toepasselijke lid van artikel 80 Strafwetboek met betrekking tot de verzachtende omstandigheden. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest verklaart de eiser schuldig aan een poging doodslag ten aanzien van twee personen, maar motiveert niet hoe het vermeende voornemen van de eiser om een doodslag te plegen ten aanzien van twee personen zich heeft geopenbaard door uitwendige daden die een begin van uitvoering van die misdaad uitmaakten en die alleen ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van de wil van de eiser zijn gestaakt of hun uitwerking hebben gemist; nochtans heeft de eiser de integrale telastlegging A, met inbegrip van de kwalificatie poging doodslag, betwist.
  8. Met de redenen die het middel vermeldt, in het bijzonder dat de eiser bij een wegblokkade met zijn voertuig op politieambtenaren is ingereden, dat “[De eiser] zich bewust [was] van het gevaar dat hij, om doorheen de blokkade te breken en zijn vlucht te verzekeren, [de verweerders 2 en 3] zou aanrijden, gelet op de plaats waar [de verweerder 2] was opgesteld en de aanwezigheid van [de verweerder 3] in het anonieme voertuig”, dat “[De eiser] aldus met de mogelijke dodelijke afloop voor de betrokken politieambtenaren rekening [heeft] gehouden en de gevolgen van zijn daden bewust [heeft] aanvaard” en dat de verweerders 2 en 3 door de feiten verwondingen hebben opgelopen, preciseert het arrest (nr. 3.4, p. 17) dat de daden van de eiser alleen hun uitwerking hebben gemist door omstandigheden onafhankelijk van zijn wil. Bij afwezigheid van specifiek op dat punt bij conclusie gevoerd verweer, dienden de appelrechters hun oordeel dat de feiten omschreven als poging doodslag bewezen zijn, niet verder te motiveren. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest dat vaststelt, enerzijds, dat eiser “frontaal” inreed op het bemande anonieme dienstvoertuig en, anderzijds, dat het dienstvoertuig “rechts achteraan” werd beschadigd en er tussen het voertuig en de persoon een opening werd gezocht, bevat tegenstrijdige motieven; het is ook feitelijk onmogelijk en tegenstrijdig vast te stellen dat de verweerder 2 tegelijk én kon opzij springen én werd opgeschept én werd overreden over zijn linkervoet.
  10. Artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek is van toepassing ingeval van tegenstrijdige beschikkingen in het dictum van een rechterlijke beslissing en niet ingeval van tegenstrijdigheid tussen de redenen van die beslissing onderling. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  11. Een motivering is tegenstrijdig wanneer zij bestaat uit redenen die elkaar tenietdoen en bijgevolg opheffen.
  12. De reden dat een bestuurder frontaal, dit wil zeggen met de voorzijde van zijn voertuig, een ander voertuig rechts achteraan aanrijdt, bevat geen tegenstrijdigheid. Dit is evenmin het geval voor wat betreft de reden: “[De verweerder 2] kon, volgens eigen verklaring en verklaring van zijn collega [de verweerder 3], ternauwernood opzij springen, hetgeen niet heeft belet dat hij door het voertuig van [de eiser] werd opgeschept en het voertuig over zijn linkervoet is gereden.” In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 127, eerste en tweede lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus en artikel 56, § 1, Wetboek van Strafvordering: het arrest stelt vast dat de verweerders 2 en 3 persoonlijk betrokken waren bij de feiten van de telastlegging A en dat zij vervolgens processen-verbaal hebben opgesteld; aldus is de beslissing dat er geen objectieve elementen voorliggen die bij de eiser de gewettigde vrees zouden hebben doen ontstaan dat de verweerders 2 en 3 inzake bewijsgaring partijdig hebben gehandeld, niet naar recht verantwoord; dat de eiser bij de behandeling van de zaak de mogelijkheid kreeg om het tegenbewijs van de feiten te leveren en meer algemeen zijn recht van verdediging uit te oefenen, neemt de twijfel over de partijdigheid van de verbalisanten niet weg.
  14. Artikel 127, eerste en tweede lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, houdt enkel ambtsverplichtingen in voor politieambtenaren. Die bepalingen houden als dusdanig voor de rechter geen verplichting in om een onregelmatigheid vast te stellen of een proces-verbaal uit het debat te weren.
  15. De enkele omstandigheid dat een politieambtenaar die, naar aanleiding van de vaststelling van een misdrijf waarmee hij is gelast, het slachtoffer wordt van een ander misdrijf waarbij de verdachte de plaats van de voorgenomen vaststelling wil ontvluchten, het op zijn persoon gepleegde misdrijf vaststelt in een proces-verbaal, verplicht de rechter niet te oordelen dat bij de verdachte de objectief gewettigde vrees kan ontstaan dat die politieambtenaar dat proces-verbaal niet onpartijdig heeft opgesteld, zodat geen eerlijk proces meer mogelijk is. Hetzelfde geldt wanneer die politieambtenaar nadien nog medewerking verleent aan het verdere onderzoek naar het eerst vermelde misdrijf, ook al is dat onderzoek uitgebreid met het andere misdrijf. Dat de politieambtenaar zich nadien burgerlijke partij tegen de verdachte stelt om zijn schade ingevolge het andere misdrijf te verhalen, verplicht niet om daarover anders te oordelen.
  16. Artikel 56, § 1, Wetboek van Strafvordering houdt voor de onderzoeksrechter geen verplichting in om in een dergelijk geval het onderzoek van het geheel van de feiten toe te vertrouwen aan een andere politiedienst dan deze waartoe de politieambtenaar behoort.
  17. Het staat aan de rechter om op grond van de concrete omstandigheden te oordelen of een politieambtenaar blijk geeft van een gebrek aan onpartijdigheid waardoor het strafonderzoek is aangetast door een onregelmatigheid.
  18. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  19. Eensdeels heeft de eiser afstand gedaan van zijn grieven tegen het beroepen vonnis met betrekking tot de telastleggingen B, C en D. Die telastleggingen hebben betrekking op overtredingen op de Drugwet, dit zijn misdrijven waarvan de eiser volgens de vaststellingen van het arrest werd verdacht op het moment van de poging tot zijn interceptie en die de reden voor die interceptie uitmaakten.
  20. Anderdeels oordeelt het arrest (nr. 3.3.e), p. 11-12) als volgt: - de eiser betwist de bewijswaarde van bepaalde processen-verbaal; - de eiser voert aan dat de verweerders 2 en 3 niet de neutrale waarnemers waren omdat zij een actieve rol hebben gespeeld in het politieoptreden en omdat de feiten van de telastlegging A werden gepleegd ten nadele van collega's van diezelfde verbalisanten, die behoren tot dezelfde politiezone; - de eiser wijst erop dat de verweerders 2 en 3 zich hebben aangemeld als slachtoffers van de feiten van 14 maart 2020 (telastlegging A) en dat, ondanks het feit dat het strafonderzoek werd verdergezet in de politiezone Aarschot, de verweerder 2 betrokken bleef bij het strafonderzoek daar hij op 21 april 2020 de huiszoeking in de woning van de eiser en de doorzoeking van zijn voertuig heeft helpen uitvoeren en dat het een “bewuste” keuze was van de onderzoeksrechter hieraan niets te veranderen; - de omstandigheid dat de verweerders 2 en 3 persoonlijk betrokken waren bij de feiten, waarvan zij vervolgens processen-verbaal hebben opgesteld, doet niet een schijn van partijdigheid bij de behandeling van de zaak ontstaan wanneer, zoals te dezen, de mogelijkheid voor de eiser om het tegenbewijs te leveren van de aangevoerde feiten niet werd beperkt en meer algemeen de uitoefening van het recht op verdediging van de eiser niet werd beperkt; - geen objectieve elementen liggen voor die bij de eiser de gewettigde vrees zouden hebben doen ontstaan dat de verweerders 2 en 3 inzake bewijsgaring partijdig hebben gehandeld. De eiser duidt niet precies aan waaruit die partijdigheid dan wel bestaat; - er is geen reden om processen-verbaal uit het debat te weren, zoals gevraagd door de eiser, nu van onregelmatig verkregen bewijselementen helemaal geen sprake kan zijn; - de processen-verbaal met betrekking tot de feiten waarbij de verweerders 2 en 3 persoonlijk betrokken waren, blijven gelden ten titel van inlichting. Zij hebben als dusdanig geen grotere bewijswaarde dan de verklaringen van de eiser zelf; - de verklaringen van alle betrokkenen zullen hierna worden afgewogen en getoetst aan de objectief vastgestelde elementen van het strafonderzoek. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  21. Het onderdeel voert schending aan van artikel 32, derde streepje, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat van onregelmatig verkregen bewijselementen geen sprake kan zijn; het besluit op basis daarvan dat er geen reden is om processen-verbaal uit het debat te weren en past daarom voormeld artikel 32 niet toe; de omstandigheid dat de verweerders 2 en 3 persoonlijk betrokken waren bij de feiten en daarvan vervolgens processen-verbaal hebben opgesteld, dat zij een persbericht publiceerden op de Facebookpagina van de politiezone Aarschot, dat zowel zijzelf als hun politiezone het onderzoek verder voerden en dat zij zich als slachtoffers en later zelfs als burgerlijke partijen manifesteerden in de strafprocedure tegen de eiser, deden en doen bij die laatste een gewettigde vrees ontstaan van partijdigheid bij de bewijsgaring; deze gewettigde vrees werd nog versterkt door de bewuste keuze van de onderzoeksrechter om het onderzoek niet aan politieambtenaren van een andere politiezone toe te wijzen, ondanks de vraag van eisers raadsman; de gewettigde vrees voor partijdige bewijsgaring is niet te verenigen met de vereisten van loyaliteit en regelmatigheid en dient als een onregelmatigheid in de zin van voormeld artikel 32 te worden beschouwd.
  22. In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het eerste onderdeel, kan het om de daar vermelde redenen niet worden aangenomen.
  23. Het arrest (p. 11) oordeelt: “3.
  24. c) Het plaatsen van een persbericht op de Facebookpagina van de Politiezone Aarschot op 22 april 2020, afkomstig van de persdienst van het parket Leuven gericht aan verschillende media, een lijst journalisten en de persofficier van de Politiezone Aarschot, met als titel "AARSCHOT - Man aangehouden voor poging doodslag op politieagenten", dat vervolgens werd opgepikt door verschillende media, is niet van aard twijfel te doen rijzen over het objectieve verloop van het gerechtelijk onderzoek met eerbiediging van het recht op een eerlijk proces, inbegrepen het vermoeden van onschuld in hoofde van [de eiser]. In dit artikel wordt [de eiser] niet bij naam genoemd. [De eiser] houdt het bij een algemene persoonlijke bevinding dat door dit artikel zijn recht van verdediging en zijn recht op een eerlijk proces zou zijn aangetast zonder nauwkeurig toe te lichten welke gegevens in het bewuste artikel zijn recht van verdediging miskennen of inbreuk uitmaken op het recht op een eerlijk proces.” Die beslissing is, om dezelfde redenen als vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel evenmin worden aangenomen.
  25. De rechter die geen onregelmatigheid vaststelt, dient artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering niet toe te passen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek
  26. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 123,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 17 december 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241217.2N.23 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190206.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200325.2F.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210420.2N.13 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220329.2N.26 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.10 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240619.2F.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.