id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241217.2N.25 Rolnummer: P.24.1687.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-12-23 Raadplegingen: 624 - laatst gezien 2026-06-15 03:40 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Artikel 780, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing in strafzaken
(1).
(1)Cass. 22 februari 2023, AR P.22.0801.F ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230222.2F.3, AC 2023, nr.137, JLMB 2023, 810; Cass. 27 oktober 2015, AR P.15.0726.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151027.4, AC 2015, nr. 628. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 780, eerste lid, 3° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 780, eerste lid, 3° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 3 - 6 Het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar over het bedrag van de in artikel 35, § 4, Voorlopige Hechteniswet bedoelde borgsom; het dient daarbij het gemotiveerde verweer van de inverdenkinggestelde over het bedrag van de borgsom te beantwoorden, al volstaat het dat het dit verweer in zijn essentie beantwoordt, gelet op de korte termijn waarover het beschikt
(1).
(1)Cass 13 februari 2024, AR P.23.1581.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.7, arrest niet gepubliceerd; Cass. 16 augustus 2023, AR P.23.1167.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230816.VAK.1, AC 2023, nr. 517, met concl. OM; Cass. 13 juni 2023, AR P.23.0818.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230613.2N.20, AC 2023, nr. 486; Cass. 11 februari 2020, AR P.20.0126.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200211.2N.13, AC 2020, nr. 121; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure, 2021, 1129-1132; Ph. DAENINCK, "Voorlopige hechtenis: over de omvang en andere vraagstukken van de borgsom”, T. Strafr. 2023, 207-
- Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35, § 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1687.N R. V. M., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Sam Vlaminck, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Kasteelpleinstraat 30, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 5 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Bruno Lietaert heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 780 Gerechtelijk Wetboek en artikel 35, § 4, Voorlopige Hechteniswet: er werd reeds meermaals beslist tot invrijheidstelling mits betaling van een borgsom van 100.000,00 euro; de eiser gaf in zijn appelconclusie onder verwijzing naar het strafdossier evenwel aan dat hij niet over de financiële middelen beschikt, dat beslag werd gelegd op zijn onroerend goed, zijn voertuig en zijn rekeningen en dat hij sinds bijna twee jaar geen inkomsten genereert maar wel maandelijkse kosten heeft; de appelrechters motiveren evenwel niet op grond van welke elementen het bedrag van de borgsom op 100.000,00 euro wordt bepaald.
- Artikel 780, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing in strafzaken. In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
- Op grond van artikel 35, § 4, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet kan de rechter de inverdenkinggestelde vrijlaten tegen de voorafgaande en volledige betaling van een borgsom, waarvan hij het bedrag bepaalt. Het tweede lid van die paragraaf bepaalt: “Hij kan zijn beslissing met name gronden op ernstige vermoedens dat gelden of waarden afkomstig van het misdrijf in het buitenland zijn geplaatst ofwel verborgen gehouden.”
- Het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar over het bedrag van de in artikel 35, § 4, Voorlopige Hechteniswet bedoelde borgsom. Het dient daarbij het gemotiveerde verweer van de inverdenkinggestelde over het bedrag van de borgsom te beantwoorden, al volstaat het dat het dit verweer in zijn essentie beantwoordt, gelet op de korte termijn waarover het beschikt.
- De schriftelijke vordering van het openbaar ministerie (p. 18) vermeldt: “Tijdens 1 van de vorige verschijningen voor de KI werd [de eiser] vrijgelaten onder voorwaarden mits betaling van een borgsom van 100.000 euro. De verdediging van [de eiser] beweerde dat zijn kliënt dit bedrag niet zou kunnen betalen. Gelet op hetgeen hierboven werd uiteengezet, lijkt deze uitspraak totaal ongeloofwaardig. Mijn ambt kan bij wijze van voorbeeld verwijzen naar een aantal gesprekken in SKY tussen [de eiser] en [D.] waarbij deze laatste op vraag van [de eiser] tussen 30.12.2020 en 2.3.2021 (dus in een periode van 2 maanden) een bedrag 435.000 euro van het geld van [de eiser] aan hem gaat afgeven.”
- Het arrest dat die redenen overneemt, motiveert het bedrag van de borgsom en weerlegt eisers desbetreffende verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 127,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 17 december 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241217.2N.25 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151027.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200211.2N.13 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230222.2F.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230613.2N.20 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230816.VAK.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div