← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241224.2N.33 Rolnummer: P.24.1672.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2024-12-27 Raadplegingen: 564 - laatst gezien 2026-06-18 19:12 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 De strafuitvoeringsrechtbank die in het kader van de toetsing van de tegenaanwijzingen van artikel 47, §1, 1° en 2° Wet Strafuitvoering oordeelt dat een veroordeelde tot vrijheidsstraf geen activiteiten in binnen- of buitenlandse vennootschappen mag verrichten, legt aldus een beperking op aan het eigendomsrecht van de veroordeelde waarvoor een wettelijke basis bestaat; die beperking is bovendien niet onevenredig met het nagestreefde doel van algemeen belang. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 16 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 1, 1° en 2° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING Wettelijke bepalingen: Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 16 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 1, 1° en 2° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 16 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 1, 1° en 2° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 4 - 5 Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat de strafuitvoeringsrechtbank uit het verrichten van bepaalde economische activiteiten de door artikel 47, § 1, 1° en 2°, Wet Strafuitvoering bepaalde tegenaanwijzingen afleidt van de afwezigheid van vooruitzichten op sociale reclassering van de veroordeelde en het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten en derhalve de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit afhankelijk maakt van het niet langer verrichten van die activiteiten gelet op het risico dat ermee gepaard gaat. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 1, 1° en 2° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 1, 1° en 2° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1672.N F. D.G., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 25 november 2024 (nr. 3849/24). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en artikel 16 Grondwet: door zonder enige beperking aan de eiser het verbod op te leggen enige activiteit in binnen- en buitenlandse vennootschappen te verrichten, doet het bestreden vonnis op onevenredige wijze afbreuk aan het eigendomsrecht van de eiser; een dergelijk algemeen verbod impliceert ook dat hij onder andere zijn recht als aandeelhouder niet kan uitoefenen. 2. Met het oordeel “De rechtbank verwacht dat [de eiser] alle activiteiten in alle binnen- en buitenlandse vennootschappen eerst stopzet vooraleer een strafuitvoeringsmodaliteit kan overwogen worden” beslist de strafuitvoeringsrechtbank niet dat de eiser zijn rechten als aandeelhouder in vennootschappen niet mag laten gelden, maar enkel dat hij binnen die vennootschappen niet actief mag zijn. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag. 3. Artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM bepaalt: “Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren.” 4. Daaruit volgt dat afwijkingen op het ongestoord genot van eigendom toegelaten zijn voor zover daarvoor een wettelijke basis bestaat en zij het algemeen belang beogen. 5. Artikel 47, § 1, 1° en 2°, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de strafuitvoeringsrechtbank een strafuitvoeringsmodaliteit moet afwijzen indien zij het voorhanden zijn vaststelt van de tegenaanwijzingen van de afwezigheid van vooruitzichten op sociale reclassering van de veroordeelde en het risico van het plegen op nieuwe ernstige strafbare feiten, waaraan niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden. 6. De strafuitvoeringsrechtbank die in het kader van de toetsing van deze tegenaanwijzingen oordeelt dat een veroordeelde tot vrijheidsstraf geen activiteiten in binnen- of buitenlandse vennootschappen mag verrichten, legt aldus een beperking op aan het eigendomsrecht van de veroordeelde waarvoor een wettelijke basis bestaat. Die beperking is bovendien niet onevenredig met het nagestreefde doel van algemeen belang. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede onderdeel 7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM, artikel 15 IVBPR, de artikelen 12 en 14 Grondwet, artikel 2, eerste lid, Strafwetboek en artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering, alsook miskenning van het legaliteitsbeginsel in strafzaken: door te beslissen dat de eiser eerst alle activiteiten in alle binnen- of buitenlandse vennootschappen stopzet vooraleer een strafuitvoeringsmodaliteit kan worden overwogen, legt de strafuitvoeringsrechtbank een bijkomende straf op; een dergelijke beslissing houdt immers een door de artikelen 1 en 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod bepaald bestuurders- en ondernemersverbod in; artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering voorziet niet in de mogelijkheid om een bijkomende straf op te leggen. 8. Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat de strafuitvoeringsrechtbank uit het verrichten van bepaalde economische activiteiten de door artikel 47, § 1, 1° en 2°, Wet Strafuitvoering bepaalde tegenaanwijzingen afleidt van de afwezigheid van vooruitzichten op sociale reclassering van de veroordeelde en het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten en derhalve de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit afhankelijk maakt van het niet langer verrichten van die activiteiten gelet op het risico dat ermee gepaard gaat. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 9. Na erop te hebben gewezen dat de eiser werd veroordeeld voor verduistering en ondernemingsmisdrijven en meerdere feiten in de oplichtingssfeer en hij om het hem opgelegde beroepsverbod te omzeilen zijn zelfstandige activiteiten verderzette vanuit het buitenland, oordeelt de strafuitvoeringsrechtbank dat zij van de eiser verwacht dat hij alle activiteiten in alle binnen- en buitenlandse vennootschappen stopzet vooraleer een strafuitvoeringsmodaliteit kan worden overwogen. Met dit oordeel legt de strafuitvoeringsrechtbank aan de eiser geen bijkomende straf op of een strafrechtelijk gesanctioneerd beroepsverbod, maar oordeelt zij enkel over het aanwezig zijn van de in artikel 47, § 1, 1° en 2°, Wet Strafuitvoering bepaalde tegenaanwijzingen welke de toekenning van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit beletten. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Tamara Konsek, Ignacio de la Serna en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 24 december 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241224.2N.33 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260219.1N.16 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260224.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.