← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 182

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: DAGVAARDING Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 182

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 182

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 182

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 8 Indien op grond van de omschrijving in de akte van aanhangigmaking, gelezen in het licht van de gegevens die in het strafdossier aanwezig zijn of eraan worden gevoegd, niet kan worden uitgemaakt welk feit aan de rechter ter beoordeling wordt voorgelegd, dient de rechter het vervolgde feit te preciseren, na de partijen daarover te hebben gehoord en zo nodig na verduidelijking aan de partijen te hebben gevraagd; de strafvordering is slechts dan niet-ontvankelijk, wanneer geen enkele verduidelijking, precisering of heromschrijving toelaat het vervolgde feit te bepalen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 182

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: DAGVAARDING Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 182

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 182

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 182

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 9 - 11 De rechter oordeelt onaantastbaar of een feit in de akte van aanhangigmaking, nadien zo nodig verder geduid, gepreciseerd of heromschreven, voldoende duidelijk is om het voorwerp van zijn saisine te kunnen uitmaken en het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 182

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: DAGVAARDING Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 182

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 182

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 12 - 14 De artikelen 6.1.

en 6.3.a EVRM beletten niet dat de informatie over het aan een beklaagde ten laste gelegde feit, in zoverre zij niet als dusdanig is opgenomen in de akte van aanhangigmaking, kan blijken uit de stukken van het strafdossier waarop de beschuldiging steunt of uit conclusies of bijkomende informatie van de partijen waaronder het openbaar ministerie, waarvan de beklaagde kennis heeft kunnen nemen en waarop hij zich heeft kunnen verdedigen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 15 - 18 Een beklaagde moet niet tot in de details worden ingelicht over de redenen van de tegen hem ingebrachte beschuldiging, enkel is vereist dat hij met de gegevens waarover hij redelijkerwijze kan beschikken, voldoende informatie heeft om zich naar behoren te kunnen verdedigen tegen de beschuldiging; de rechter oordeelt op grond van de omschrijving van de feiten in de akte van aanhangigmaking en van de stukken waarvan de beklaagde kennis heeft kunnen nemen en waarop hij zich heeft kunnen verdedigen, onaantastbaar wat precies het feit is dat het voorwerp van de beschuldiging uitmaakt en of de beklaagde beschikt over voldoende informatie om zich daarop te verdedigen en bij die beoordeling kan de rechter ook rekening houden met de omvang van het verweer dat de beklaagde tegen de beschuldiging heeft gevoerd; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 19 - 21 Bij afwezigheid van gegevens die de rechter toelaten het bedrag van een witgewassen vermogensvoordeel exact vast te stellen, mag de rechter dit bedrag ex aequo et bono bepalen en daarvoor dient de rechter die gegevens van het strafdossier in aanmerking te nemen die een zo nauwkeurig mogelijke bepaling van de omvang van het witgewassen vermogensvoordeel toelaten; niet vereist is dat de beslissing die gegevens ook uitdrukkelijk vermeldt maar het volstaat dat de beslissing de essentiële gegevens bevat die het Hof toelaten zijn wettigheidscontrole op de toegepaste straf van de verbeurdverklaring uit te oefenen; de rechter kan met het oog op een ex aequo et bono-bepaling van een witgewassen vermogensvoordeel een forfaitaire berekening aanwenden die steunt op een percentage van de door de witwastelastleggingen geviseerde geldoverdrachten, in zoverre dit wordt verantwoord door de concrete dossiergegevens
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HELING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 22 - 24 De rechter oordeelt onaantastbaar over de omvang van het uit een misdrijf verkregen vermogensvoordeel en over de mate waarin hij de verbeurdverklaring van dat vermogensvoordeel beveelt maar het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HELING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 25 - 26 Naargelang de hem voorgelegde gegevens kan de rechter een materiële gedraging die bestaat in de omzetting of de overdracht van een wederrechtelijk vermogensvoordeel, zoals een bankoverschrijving, kwalificeren als een verhelen of een verhullen van de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van een dergelijk vermogensvoordeel in de zin van artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek waardoor deze materiële gedraging, ook al is zij uit haar aard aflopend, eveneens het voorwerp gaat uitmaken van een voortdurend misdrijf; dat voortdurend misdrijf duurt zolang de overdrager de met zijn omzetting of overdracht beoogde verheling of verhulling ononderbroken laat voortduren, dit is tot zolang hij nog zeggenschap heeft over de omgezette of overgedragen zaak; de rechter oordeelt daarover onaantastbaar maar het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MISDRIJF - SOORTEN - Aflopend. Voortgezet. Voortdurend misdrijf Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505, eerste lid, 3° en 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HELING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505, eerste lid, 3° en 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 27 - 29 Wanneer de wet voor eenzelfde feit voorziet in meerdere strafbaarstellingen, belet niets dat dit feit bij de strafrechter aanhangig wordt gemaakt onder meerdere kwalificaties, waarvan sommige een aflopend misdrijf en de andere een voortdurend misdrijf kunnen inhouden en volgend op die aanhangigmaking kan de rechter dat feit, zonder het op een ontoelaatbare wijze te ontdubbelen, onder meerdere van die kwalificaties bewezen verklaren, op grond daarvan oordelen dat het bewezen verklaarde feit eveneens het voorwerp uitmaakt van een voortdurend misdrijf waarvan hij de duur bepaalt en vervolgens toepassing maken van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek; de omstandigheid dat de akte van aanhangigmaking elke kwalificatie laat voorafgaan door het woord “hetzij”, doet daaraan geen afbreuk
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MISDRIJF - SOORTEN - Aflopend. Voortgezet. Voortdurend misdrijf DAGVAARDING STRAF - SAMENLOOP - Eéndaadse Tekst van de beslissing Nr. P.24.0883.N I
  1. B. M., beklaagde,
  2. M. C., beklaagde,
  3. VENDITO bv, met zetel te 2110 Wijnegem, Stokerijstraat 25 D007, ON 0463.207.761, beklaagde, eisers, allen met als raadsman mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent. II S. M., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest. III REX MINING COMPANY nv, met zetel te 2020 Antwerpen, Jan Van Rijswijcklaan 228, ON 0442.106.796, beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest. IV ’t GRAVENSTEEN nv, met zetel te 8300 Knokke-Heist, Kalvekeetdijk 179 bus 8, ON 0441.144.320, beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, en mr. Eline Tritsmans, advocaat bij de balie Antwerpen. V B. H., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, alsook door mr. Joris Van Cauter en mr. Karel De Meester, beiden advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 22 mei
  4. De eisers I voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. De eisers II en III voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiseres IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser V voert in twee memories die aan dit arrest zijn gehecht, respectievelijk drie middelen en twee middelen aan. Op 9 december 2024 heeft advocaat-generaal Dirk Schoeters een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 31 december 2024 heeft sectievoorzitter Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  5. In zoverre gericht tegen de beslissingen waarmee het arrest de strafvordering voor de telastlegging E lastens de eiser II vervallen verklaart ingevolge verjaring en het de eisers I, II, IV en V vrijspreekt van hen ten laste gelegde feiten, zijn de cassatieberoepen van die eisers bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eisers II, III en IV en van de eiser V (eerste memorie) Eerste onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 182 en 211 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters konden de strafvordering met betrekking tot de telastlegging E niet ontvankelijk verklaren, de eisers III en V niet schuldig verklaren aan die telastlegging en de eisers II tot V niet veroordelen tot de bijzondere verbeurdverklaring (hierna verbeurdverklaring) van witgewassen vermogensvoordelen (telastleggingen F.40 tot F.53) verkregen uit die telastlegging omdat er onder die telastlegging geen feit bij de vonnisrechter aanhangig is gemaakt; de telastlegging E vermeldt immers enkel de tekst van de beweerdelijk overtreden wetsbepaling, namelijk artikel 10 van de wet van 5 augustus 1991 betreffende de in-, uit- en doorvoer van en de bestrijding van illegale handel in wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie, maar laat die kwalificatie niet volgen door een zelfs beknopte omschrijving van enige concreet aan de eisers II en III verweten feitelijke gedraging die onder deze bepaling valt; zo wordt er zelfs niet aangegeven wie de vergunning had dienen te bezitten, terwijl er geen groot verschil is tussen het verhandelen en het louter leveren; het louter vermelden, naast de kwalificatie, van een aantal locaties en een misdrijfperiode, die hier bovendien zeer ruim is, volstaat niet om een concreet feit bij de vonnisrechter aanhangig te maken.
  7. Opdat een strafbaar feit op een ontvankelijke wijze bij de strafrechter aanhangig wordt gemaakt, volstaat het dat de akte van aanhangigmaking op een voldoende begrijpelijke wijze een strafbaar feit aanduidt en een beklaagde ervoor aanwijst. In de regel wordt een strafbaar feit voldoende begrijpelijk aangeduid wanneer het is omschreven in de bewoordingen van de wet, eventueel aangevuld met nadere gegevens zoals een datum, een periode, een plaats of een slachtoffer. Niet vereist is dat de telastlegging wordt gespecificeerd aan de hand van een of meerdere concrete materiële gedragingen van de beklaagde of een derde. Indien evenwel op grond van de omschrijving in de akte van aanhangigmaking, gelezen in het licht van de gegevens die in het strafdossier aanwezig zijn of eraan worden gevoegd, niet kan worden uitgemaakt welk feit aan de rechter ter beoordeling wordt voorgelegd, dient de rechter het vervolgde feit te preciseren, na de partijen daarover te hebben gehoord en zo nodig na verduidelijking aan de partijen te hebben gevraagd. De strafvordering is slechts dan niet-ontvankelijk, wanneer geen enkele verduidelijking, precisering of heromschrijving toelaat het vervolgde feit te bepalen.
  8. De rechter oordeelt onaantastbaar of een feit in de akte van aanhangigmaking, nadien zo nodig verder geduid, gepreciseerd of heromschreven, voldoende duidelijk is om het voorwerp van zijn saisine te kunnen uitmaken. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  9. Het arrest (p. 85) oordeelt onder meer: “Er werden wel degelijk onder tenlastelegging E feiten aanhangig gemaakt door de verwijzingsbeschikking van de raadkamer. Uit de vermelding van de wettelijke bepalingen waarop inbreuk werd gemaakt, met omschrijving van de misdrijven ("tegen een vergoeding of om niet wapens, munitie of speciaal voor militair gebruik of ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie te hebben verhandeld, uitgevoerd naar of geleverd in het buitenland of met dat doel voorhanden gehad te hebben of als tussenpersoon te hebben opgetreden, zonder houder te zijn van een door de Minister van Justitie uitgereikte vergunning”) samen met de vermelding van de plaats en data en “de wapens onder meer verhandeld zijnde te Colombia, Siërra Leone, Bulgarije en/of Gibraltar” blijken zeer duidelijk feiten die verwezen worden en aldus aanhangig gemaakt worden bij de correctionele rechtbank. Het is niet vereist dat elke afzonderlijke levering van wapens wordt beschreven in de verwijzingsbeschikking. Ook zonder dergelijke beschrijving worden wel degelijk feiten aanhangig gemaakt. Evenmin is vereist voor het aanhangig maken van feiten dat specifiek vermeld wordt of er uitgevoerd, geleverd of als tussenpersoon opgetreden werd. Uit het strafdossier blijkt overigens dat de vennootschappen van [de eiser II], die stelt als tussenpersoon in wapenhandel op te treden, in bepaalde documenten als koper worden vermeld. Er is sprake van zowel optreden als tussenpersoon als leveren (met inbegrip van vervoer tussen verschillende landen) van wapens.”
  10. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat er geen reden is om de strafvordering voor de telastlegging E niet-ontvankelijk te verklaren. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 6, in het bijzonder artikel 6.1 en 6.3.a EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest kan uit de gegevens die het vaststelt niet wettig afleiden dat de feiten van de telastlegging E duidelijk zijn omschreven; in die telastlegging is aan de beklaagden een bepaald gedrag ten laste gelegd, namelijk het verhandelen van wapens als tussenpersoon zonder in het bezit te zijn van een vergunning, zonder precisering van de omvang van die activiteit in de aangeduide incriminatieperiode en zonder vermelding van welk precies gedrag aan welke beklaagde ten laste wordt gelegd en op wie de vergunningsplicht uiteindelijk zou hebben berust; ook het strafdossier geeft niet voldoende blijk van de feiten; de duidelijkheid van de telastlegging E blijkt evenmin uit de hieraan door het arrest aangebrachte beperking; ingevolge het gebrek aan duidelijkheid is het niet mogelijk zich te verdedigen op de telastlegging E en dienvolgens evenmin op de telastleggingen F.40 tot F.53, die betrekking hebben op het witwassen van vermogensvoordelen verkregen uit de telastlegging E; bijgevolg konden de appelrechters die telastleggingen niet ontvankelijk verklaren en de eisers III tot V niet schuldig eraan verklaren.
  12. In zoverre het onderdeel aanvoert dat uit het strafdossier niet blijkt voor welke feiten de eisers II en III onder de telastlegging E precies worden vervolgd, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
  13. Waar artikel 6.1 EVRM voorziet in het recht op een eerlijk proces, bepaalt artikel 6.3.a EVRM, als onderdeel van het recht van verdediging, dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd het recht heeft onverwijld in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden op de hoogte te worden gesteld van de aard en de redenen van de tegen hem ingestelde beschuldiging. Deze bepaling bedoelt met “de redenen” de ten laste gelegde feiten en met “de aard” de juridische kwalificatie van de feiten.
  14. Die bepalingen beletten niet dat de informatie over het aan een beklaagde ten laste gelegde feit, in zoverre zij niet als dusdanig is opgenomen in de akte van aanhangigmaking, kan blijken uit de stukken van het strafdossier waarop de beschuldiging steunt of uit conclusies of bijkomende informatie van de partijen waaronder het openbaar ministerie, waarvan de beklaagde kennis heeft kunnen nemen en waarop hij zich heeft kunnen verdedigen.
  15. Een beklaagde moet niet tot in de details worden ingelicht over de redenen van de tegen hem ingebrachte beschuldiging. Vereist is enkel dat hij met de gegevens waarover hij redelijkerwijze kan beschikken, voldoende informatie heeft om zich naar behoren te kunnen verdedigen tegen de beschuldiging.
  16. De rechter oordeelt op grond van de omschrijving van de feiten in de akte van aanhangigmaking en van de stukken waarvan de beklaagde kennis heeft kunnen nemen en waarop hij zich heeft kunnen verdedigen, onaantastbaar wat precies het feit is dat het voorwerp van de beschuldiging uitmaakt en of de beklaagde beschikt over voldoende informatie om zich daarop te verdedigen.
  17. Bij die beoordeling kan de rechter ook rekening houden met de omvang van het verweer dat de beklaagde tegen de beschuldiging heeft gevoerd.
  18. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  19. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  20. Op grond van de inhoudelijke gegevens die het vermeldt, oordeelt het arrest (p. 84-93) zoals is geciteerd onder het eerste onderdeel, alsmede als volgt: - ongeacht de specifieke wapenleveringen waarin de eiser II al dan niet met zijn vennootschappen is tussengekomen, heeft de telastlegging E betrekking op het drijven van wapenhandel als tussenpersoon zonder over de volgens het openbaar ministerie vereiste Belgische vergunning te beschikken. Dit gegeven is duidelijk voor de beklaagden en wordt door hen ook uitvoerig besproken in conclusies en ter rechtszitting, waarbij zij het standpunt innemen dat geen dergelijke vergunning nodig was; - in huidig dossier hebben de beklaagden kennis gekregen van de feiten die aanhangig zijn, niet alleen via de verwijzingsbeschikking en navolgende dagvaarding, maar ook via lezing van het strafdossier en de conclusie in eerste aanleg en de nota in hoger beroep van het openbaar ministerie. De feiten werden ook telkens naar plaats, datum en voorwerp omschreven en de juridische kwalificatie werd weergegeven; - de beklaagden hebben zich ook uitgebreid verdedigd op de diverse telastleggingen. Er werden honderden bladzijden conclusies neergelegd; - de witwasfeiten zijn telkens gedetailleerd omschreven met vermelding van data, plaats, voorwerp en handeling en zijn duidelijk. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eisers II en III voldoende werden ingelicht over de aard en de redenen van de tegen hen ingebrachte beschuldiging onder de telastlegging E, zodat een effectieve verdediging wel degelijk mogelijk werd gemaakt en zij hun recht van verdediging vrij hebben kunnen uitoefenen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  21. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de eisers II, III en IV zich ingevolge de onduidelijkheid van de telastlegging E niet naar behoren kunnen verdedigen op de telastleggingen F.40 tot F.53, is het afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheden en is het niet ontvankelijk. Tweede middel van de eisers II, III en IV en van de eiser V (eerste memorie)
  22. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 505 Strafwetboek: het arrest beveelt lastens de eisers II tot V de verbeurdverklaring van het voorwerp van de witwasmisdrijven bepaald onder de telastleggingen F.40 tot F.53; het betreft vermogensvoordelen verkregen uit de telastlegging E, telkens voor de helft van de overgeschreven bedragen; het arrest stelt niet naar recht vast dat de helft van de overschrijvingen, afkomstig van de zogenaamde Gibraltarvennootschappen, met zekerheid een illegale oorsprong heeft; voor het illegale karakter van het vermogensvoordeel, voorwerp van het witwassen, is een causaal verband tussen het misdrijf en het vermogensvoordeel vereist; het arrest moet de concrete elementen aangeven waaruit, onder meer cijfermatig, de zekerheid volgt dat minstens de helft van de betrokken bedragen een illegale oorsprong heeft; de redenen van het arrest volstaan niet om tot die zekerheid te besluiten; minstens stellen die redenen het Hof niet in staat de wettigheid van de beslissing te toetsen.
  23. Bij afwezigheid van gegevens die de rechter toelaten het bedrag van een witgewassen vermogensvoordeel exact vast te stellen, mag de rechter dit bedrag ex aequo et bono bepalen. Daarvoor dient de rechter die gegevens van het strafdossier in aanmerking te nemen die een zo nauwkeurig mogelijke bepaling van de omvang van het witgewassen vermogensvoordeel toelaten. Niet vereist is dat de beslissing die gegevens ook uitdrukkelijk vermeldt. Het volstaat dat de beslissing de essentiële gegevens bevat die het Hof toelaten zijn wettigheidscontrole op de toegepaste straf van de verbeurdverklaring uit te oefenen.
  24. Bij afwezigheid van precieze gegevens daarover in het strafdossier kan de rechter met het oog op een ex aequo et bono-bepaling van een witgewassen vermogensvoordeel een forfaitaire berekening aanwenden die steunt op een percentage van de door de witwastelastleggingen geviseerde geldoverdrachten, in zoverre dit wordt verantwoord door de concrete dossiergegevens.
  25. De rechter oordeelt onaantastbaar over de omvang van het uit een misdrijf verkregen vermogensvoordeel en over de mate waarin hij de verbeurdverklaring van dat vermogensvoordeel beveelt. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
  26. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  27. Het arrest (p. 285) oordeelt: “Wat de gelden van AMYLAM LTD en CHATELET INVESTMENTS LTD betreft, oordeelt het hof (van beroep) dat de gelden afkomstig uit wapenhandel zonder de vereiste vergunning illegale vermogensvoordelen zijn. Niet alle gelden zijn echter afkomstig van deze wapenhandel. Van andere gelden (behoudens de betalingen in het kader van de leningen tussen [de eisers I.1 en I.2] en [de eiser II]) kan het hof (van beroep) de legale herkomst niet uitsluiten. Rekening houdende met de hoofdactiviteit van AMYLAM LTD en CHATELET INVESTMENTS LTD en de bedragen die omgaan in de wapendeals (zoals ook blijkt uit het strafdossier) alsook de bedragen waarvan de link met de wapenhandel niet blijkt, oordeelt het hof (van beroep) in het voordeel van de beklaagden dat de helft van de gelden in AMYLAM LTD EN CHATELET INVESTMENTS LTD afkomstig is van wapenhandel. Deze beperking tot de helft is in het voordeel van de beklaagden. De hierna beschreven overschrijvingen van AMYLAM LTD en CHATELET INVESTMENTS LTD naar [de eiseres III], [de eiser II] en [de eiseres IV] worden slechts ten belope van de helft beschouwd als gebeurd met illegale vermogensvoordelen. Hetzelfde geldt voor de overschrijvingen van de rekening van [de eiser II] naar de rekening van [de eiseres IV]. Op die wijze wordt rekening gehouden met het gegeven dat wat [de eiser II] betreft, enkel van de inkomsten uit de wapenhandel bewezen is dat het gaat om illegale vermogensvoordelen.”
  28. Op grond van die redenen kan het arrest met zekerheid en zonder miskenning van het vereiste van het bestaan van een causaal verband tussen het misdrijf en het beweerdelijk eruit verkregen vermogensvoordeel, de vermogensvoordelen die het voorwerp uitmaken van de in het middel vermelde witwastelastleggingen bepalen op de helft van de in die telastleggingen vermelde bedragen. Die redenen laten het Hof ook toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel van de eisers II, III en IV en van de eiser V (eerste memorie) Eerste onderdeel
  29. Het onderdeel voert schending aan van artikel 505 Strafwetboek: het arrest verklaart het bedrag van 27.500,00 euro ten onrechte twee maal verbeurd lastens de eisers II, IV en V, namelijk eenmaal als voorwerp van de telastlegging F.47 en eenmaal als voorwerp van de telastlegging F.52, waarin het bedrag van 27.500,00 euro reeds is vervat; aldus beveelt het arrest de verbeurdverklaring van meer dan het voorwerp van de vermelde witwasmisdrijven.
  30. Met de redenen vermeld onder het tweede middel oordeelt het arrest dat de daar vermelde overschrijvingen slechts ten belope van de helft worden beschouwd als gebeurd met illegale vermogensvoordelen. Vervolgens beveelt het de verbeurdverklaring van de bedragen van 27.500,00 euro, dit is de helft van 55.000,00 euro, als voorwerp van de telastlegging F.47 en van 67.201,50 euro, dit is de helft van 124.403,00 euro, als voorwerp van de telastlegging F.
  31. Het arrest (p. 290 en 291) oordeelt daarbij als volgt: - “F.47 (…) Het bedrag van 55.000 euro werd van de rekening van CHATELET INVESTMENTS LTD in twee keer overgemaakt naar de rekening van [de eiser II], die het bedrag aanvulde tot 124.403 euro dat hij overmaakte aan [de eiseres IV]. De vermelde bedragen zijn voor de helft van illegale oorsprong”; - “De overschrijving van 124.403 euro, zoals voorzien in tenlastelegging F.52, komt (…) [t]en belope van 55.000 euro (…) van een overschrijving van CHATELET INVESTMENTS LTD enkele dagen voordien (F.47)”; - “Ook de gelden op rekening van [de eiser II] zijn deels (door het hof (van beroep) bepaald op de helft) illegale vermogensvoordelen bekomen uit de wapenhandel zonder vergunning. Derhalve is bewezen dat de helft van het bedrag vermeld onder F.52 illegale vermogensvoordelen zijn”.
  32. Met die redenen beveelt het arrest tweemaal de verbeurdverklaring van het bedrag van 27.500,00 euro, namelijk eenmaal als voorwerp van de telastlegging F.47 en eenmaal als deelbedrag van het voorwerp van de telastlegging F.
  33. Aldus overstijgt de verbeurdverklaring het voorwerp van die witwasmisdrijven. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel
  34. Het onderdeel voert schending aan van artikel 505 Strafwetboek: de appelrechters begaan voor de telastlegging F.50 een vergissing voor wat de munteenheid betreft; de telastlegging F.50 betreft het witwassen van 2.435.117,29 euro en 80.000,00 USD; het arrest (p. 329) maakt plots gewag van 1.217.558,65 USD en 40.000 euro; dit is telkens de helft van de betrokken vermogensvoordelen, maar met een verkeerde munteenheid; dit komt zo ook terug in het dictum; terecht werden de bedragen die verbeurdverklaard worden op grond van de telastleggingen F.44, F.45 en F.46 in mindering gebracht; de verbeurdverklaring wegens de telastleggingen F.50 en F.44, F.45 en F.46 is dan ook niet naar recht verantwoord.
  35. Het arrest (p. 60-61 en 349) verbetert de munteenheden in de telastlegging F.50 als volgt: “USD 2.435.117,29 en 80.000,00 euro” in plaats van “€ 2.435.117,29 en US$ 80.000,00”. Het (p. 329 en 361) verklaart de helft van die bedragen verbeurd onder aftrok van de bedragen vermeld onder de telastleggingen F.44, F.45 en F.
  36. Het (p. 61) vermeldt ook dat het gaat om een louter materiële vergissing waarop in conclusies van beklaagden werd gewezen. Het onderdeel berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Eerste middel van de eiser V (tweede memorie)
  37. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 204, eerste en vierde lid, Wetboek van Strafvordering: ten onrechte heromschrijft het arrest de feiten van de telastleggingen F.40 tot F.53, in zoverre die niet enkel zijn gekwalificeerd als het tweede (aflopende) witwasmisdrijf maar ook als het derde (voortdurende) witwasmisdrijf, door eraan toe te voegen dat het verhelen of verhullen heeft voortgeduurd tot 6 maart 2019 en verklaart het die feiten voor wat betreft de eiser V bewezen tot 3 januari 2019; de telastleggingen F.40 tot F.53 hebben betrekking op overschrijvingen door onder meer de eiser V met het oog op investeringen in de eiseres IV; dit zijn uit hun aard aflopende gedragingen, die duidelijk in tijd en ruimte zijn afgelijnd en die telkenmale een witwashandeling viseren die bestaan uit de overschrijving op een bepaalde datum; de navolgende aanwending van die overgeschreven gelden door de eiseres IV, waardoor ze beweerdelijk verder werden verheeld of verhuld, maakt het voorwerp uit van de telastleggingen F.54 tot F.60, waarvoor het beroepen vonnis de eiser V definitief heeft vrijgesproken; het arrest oordeelt ten onrechte dat die vrijspraak de vermelde heromschrijving niet belet omdat de vrijspraak steunt op de vaststelling dat de bestedingen door de eiseres IV, bedoeld in de telastleggingen F.54 tot F.60, in het bijzonder de bestedingen voor de verwerving van onroerende goederen (telastlegging F.54), onvoldoende kunnen worden toegerekend op de overschrijvingen bedoeld in de telastleggingen F.40 tot F.53; evenwel waren de bestedingen in onroerende goederen door de eiseres IV ruimer omschreven dan “onder de tenlastelegging F.54 vermelde onroerende goederen”; deze telastlegging had betrekking op het navolgend gebruik van de onder de telastleggingen F.40 tot F.53 vermelde gelden als werkkapitaal van de eiseres IV, onder meer door de aankoop van een aantal onroerende goederen; aldus waren de feiten van het verhelen of verhullen van de illegale vermogensvoordelen vermeld in de telastleggingen F.40 tot F.53 begrepen in de telastleggingen F.54 tot F.60, waarvoor de appelrechters geen saisine hadden bij afwezigheid van hoger beroep van het openbaar ministerie tegen eisers vrijspraak voor die telastleggingen; bijgevolg konden de appelrechters de telastleggingen F.40 tot F.53 niet uitbreiden tot 3 januari 2019 en stelt het arrest ten onrechte niet de verjaring van de strafvordering ten aanzien van de eiser V vast. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 14.7 IVBPR en artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem: met het oordeel vermeld onder het eerste onderdeel, miskent het arrest de vermelde bepalingen en miskent dit het vermelde algemeen rechtsbeginsel.
  38. Artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek stelt strafbaar: “zij die de zaken, bedoeld in artikel 42, 3°, omzetten of overdragen met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen of een persoon die betrokken is bij een misdrijf waaruit deze zaken voortkomen, te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van zijn daden.” Dit is een aflopend misdrijf, gelet op het ogenblikkelijke karakter van de erin vermelde materiële handelingen van omzetten of overdragen. Artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek stelt strafbaar: “zij die de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van de in artikel 42, 3°, bedoelde zaken verhelen of verhullen, ofschoon zij op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen de oorsprong van die zaken kenden of moesten kennen.” Dit is een voortdurend misdrijf dat ontstaat bij een bepaalde, al dan niet aflopende, handeling of onthouding en dat duurt zolang de dader bewust de door hemzelf gecreëerde wederrechtelijke toestand van het verhelen of verhullen ononderbroken laat voortduren, zonder dat hij daarvoor nog enige verdere gedraging moet stellen.
  39. Naargelang de hem voorgelegde gegevens kan de rechter een materiële gedraging die bestaat in de omzetting of de overdracht van een wederrechtelijk vermogensvoordeel, zoals een bankoverschrijving, kwalificeren als een verhelen of een verhullen van de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van een dergelijk vermogensvoordeel in de zin van artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek. Daardoor gaat deze materiële gedraging, ook al is zij uit haar aard aflopend, eveneens het voorwerp uitmaken van een voortdurend misdrijf. Dat voortdurend misdrijf duurt zolang de overdrager de met zijn omzetting of overdracht beoogde verheling of verhulling ononderbroken laat voortduren, dit is tot zolang hij nog zeggenschap heeft over de omgezette of overgedragen zaak. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
  40. Het arrest (p. 66-67) oordeelt als volgt: “Wat de feiten F.40-53 betreft wordt in de tenlastelegging telkens voorzien dat een bedrag werd overgemaakt om dit bedrag nadien te investeren in [de eiseres IV]. Het hof (van beroep) kan wel degelijk oordelen dat beklaagden die voor deze feiten schuldig verklaard worden, het verhelen of verhullen lieten voortduren ook na de overschrijving. De vrijspraak voor de feiten onder F.54 staat dit geenszins in de weg. De eerste rechter was van oordeel dat uit de voorliggende stukken niet kon worden afgeleid dat de vermelde onroerende goederen werden gefinancierd door de onder F.40-53 vermelde gelden. De stelling van [de eiser V] in dit verband, kan niet gevolgd worden. Ook de vrijspraak van [de eiser V] voor de feiten F.55-60 staat een uitbreiding van de incriminatieperiode voor de feiten F.40-53 niet in de weg. De feiten F.55-58 werden eveneens niet bewezen geacht door de correctionele rechtbank omdat niet bleek dat de gelden onder F.40-53 hiervoor waren gebruikt. De feiten F.59 en 60 hebben betrekking op geld dat rechtstreeks door CHATELET INVESTMENTS LTD en AMYLAM LTD gebruikt werden voor de aankoop en verdere kosten van een zeilschip en dus niet op geld dat voorzien is onder de feiten F.40-53.”
  41. Op grond van die redenen, waarbij het arrest niet uitgaat van het feit dat de eiseres IV de haar met de telastleggingen F.40 tot F.53 overgemaakte gelden heeft gebruikt als werkkapitaal voor de aankoop of het beheer van andere onroerende goederen dan deze opgesomd in de telastlegging F.54, kan het arrest wettig oordelen dat de feiten van het verhelen of verhullen van de in de telastleggingen F.40 tot F.53 vermelde gelden niet waren opgenomen in feiten van de telastleggingen F.54 tot F.60, zodat de vrijspraak van de eiser V voor die laatste telastleggingen de vermelde heromschrijving van de telastleggingen F.40 tot F.53 niet belet. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen.
  42. In zoverre het eerste onderdeel aanvoert dat het arrest voor wat betreft de eiser V ten onrechte het verval van de strafvordering door verjaring niet vaststelt en het tweede onderdeel aanvoert dat het arrest het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem miskent, zijn die onderdelen afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid en zijn zij bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel van de eiser V (tweede memorie)
  43. Het middel voert schending aan van de artikelen 24, 37 en 40 Taalwet Gerechtszaken: het arrest gebruikt Engelstalige bewoordingen, met name “internal compliance” (p. 218-219) en “fancy colour” (p. 96); het geeft geen vertaling of zakelijke inhoud van die woorden weer in de taal van de rechtspleging; de betrokken vermeldingen zijn, gelet op hun aard, in het maatschappelijk verkeer niet voor eenieder probleemloos te begrijpen; aldus is het arrest niet volledig gesteld in de taal van de rechtspleging en is het nietig.
  44. Het woord “internal compliance” maakt deel uit van een overtollige reden (arrest, p. 218: “Ten overvloede”) in verband met een certificaat dat de eisers II en V uiteindelijk niet hebben aangevraagd. Die reden schraagt de beslissing niet. In zoverre is het middel, dat niet tot cassatie kan leiden, niet ontvankelijk.
  45. Het arrest (p. 96) oordeelt: “Beiden (deskundigen) kwamen tot de conclusie dat het wel degelijk een natuurlijke roze diamant (fancy light pink) is, namelijk degene zoals beschreven in het rapport van GIA van 09.07.2010.” Aldus geeft het arrest de zakelijke inhoud in het Nederlands weer van de woorden “fancy colour”. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Eerste middel van de eisers I Eerste onderdeel
  46. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 66 en 505 Strafwetboek en de artikelen 182, 202 en 211 Wetboek van Strafvordering: hoewel de appelrechters het niet bij hen aanhangige basismisdrijf niet aanduiden of motiveren op grond van de aan de tegenspraak onderworpen gegevens, beslissen zij dat de eiser I.1 moet worden beschouwd als dader of mededader van niet nader omschreven basismisdrijven, terwijl voor een schuldigverklaring aan de misdrijven bepaald in artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek slechts vereist is dat elke legale herkomst van de daar bedoelde zaken is uitgesloten en terwijl de rechter zich slechts mag uitspreken binnen de grenzen van zijn saisine.
  47. De schuldigverklaring van een persoon aan een van de misdrijven bepaald in artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4°, Strafwetboek vereist dat het op grond van de aan de rechter voorgelegde feitelijke gegevens uitgesloten is dat de zaak die het voorwerp van het vervolgde witwasmisdrijf uitmaakt een legale herkomst of oorsprong heeft, zodat het enkel kan gaan om een vermogensvoordeel als bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek. Niet vereist is dat de rechter het precieze misdrijf kent waaruit dat vermogensvoordeel voortspruit.
  48. Op grond van artikel 505, tweede lid, Strafwetboek kan de dader van het basismisdrijf in de regel niet de dader zijn van het in artikel 505, eerste lid, 2°, Strafwetboek bepaalde witwasmisdrijf. Bijgevolg dient de rechter zich ervan te vergewissen of de beklaagde die wordt vervolgd voor dat witwasmisdrijf, de dader is of redelijkerwijze kan zijn van een basismisdrijf dat de vermogensvoordelen kan hebben gegenereerd waarop die vervolging slaat.
  49. Het arrest (p. 94) oordeelt: “Bovendien herhaalt het hof (van beroep) dat het volstaat dat elke legale herkomst uitgesloten is. Zoals hierna blijkt, gaat specifiek voor wat [de eiser I.1] betreft, het hof (van beroep) er wel degelijk vanuit dat hij ook dader/mededader is aan de basismisdrijven, zodat hij niet schuldig verklaard wordt aan het eerste witwasmisdrijf.”
  50. De appelrechters die met deze reden noch met enige andere reden een bepaald basismisdrijf aanwijzen of omschrijven waaraan de eiser I.1 zich schuldig zou hebben gemaakt en de eiser I.1 evenmin schuldig verklaren aan een dergelijk misdrijf, overschrijden hun saisine niet, maar onderzoeken enkel de strafbaarheid van de lastens de eiser I.1 vervolgde witwasmisdrijven, in zoverre deze zijn omschreven als een overtreding van artikel 505, eerste lid, 2°, Strafwetboek, en verantwoorden zodoende hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  51. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM, artikel 14.1 en 14.2 IVBPR en de artikelen 47.2 en 48.1 Handvest Grondrechten EU, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld in strafzaken: ter beoordeling van het illegale karakter van de zaken begrepen in de telastleggingen F (witwassen) gaat het arrest ervan uit dat de eiser I.1 dader of mededader is van een onbepaald basismisdrijf, zonder deze beslissing nader te motiveren op grond van aan de tegenspraak onderworpen gegevens, terwijl het vermoeden van onschuld verbiedt dat de rechter zich uitspreekt over de schuldvraag inzake niet bij hem aanhangig gemaakte feiten en hij het recht op tegenspraak als onderdeel van het recht van verdediging moet eerbiedigen.
  52. Het arrest dat oordeelt zoals vermeld onder het eerste onderdeel, verklaart de eiser I.1 niet schuldig aan een misdrijf waarvoor hij niet is vervolgd. Aldus miskent het arrest noch het recht op een eerlijk proces noch het vermoeden van onschuld van de eiser I.
  53. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  54. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM, artikel 14.1 en 14.2 IVBPR, de artikelen 47.2 en 48.1 Handvest Grondrechten EU, artikel 505 Strafwetboek en artikel 3.35 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld in strafzaken: het arrest verwerpt het verweer van de eiser I.1 dat, gelet op de vrijspraak voor de telastleggingen F.61 tot F.63 en F.67 tot F.69, het onmogelijk is om elke legale herkomst uit te sluiten van onder meer het bedrag van 24.875,00 euro, voorwerp van de telastlegging F.8, aangezien door die vrijspraken alleen al werd aangetoond dat de eiser I.1 meer dan voldoende middelen ter beschikking had om het legale karakter van dat bedrag aan te tonen; het arrest (p. 244) oordeelt daarbij dat, inzake de cash afhalingen gedaan van de rekening van de eiseres I.2 in de periode 2002-2010, “[h]et niet op[gaat] om de gelden die men cash van de eigen rekeningen haalt te zien als legale inkomsten die bij de inkomsten vermeld in de belastingaangifte moeten geteld worden”; aldus miskent het arrest het begrip vermogen en stelt het niet vast dat elke legale herkomst van deze vermogensbestanddelen van de eisers I.1 en I.2 met zekerheid uitgesloten was; het arrest beslist vervolgens dat het niet geloofwaardig is dat de cashafhalingen door de eisers I.1 of I.2 betrekking zouden hebben op de cash gelden aangetroffen in de kluis (telastlegging F.1) of het gelden zouden betreffen die aan medebeklaagde G. of aan de eiser II zouden zijn geleend (telastleggingen F.7 en F.2, F.3, F.4, F.5 en F.6); bij de beoordeling van de telastlegging F.8 oordeelt het arrest (p. 267-268) dat het bezit van 24.875,00 euro “niet [kan] verklaard worden door een legale bron van inkomsten of een legaal vermogen”, gelet op het belastbaar inkomen voor het jaar 2008, alsook omdat niet aannemelijk wordt aangevoerd dat er op een zeker moment een cash afhaling was die gevolgd werd door een storting, er geen rechtstreekse link was tussen een afhaling en een storting en het, gezien de financiële situatie voor wat betreft de legale inkomsten én het legale vermogen van de eisers I.1 en I.2, niet mogelijk was dat de eiser I.1 over dergelijke privégelden van legale oorsprong beschikte; door te beslissen dat “[h]et niet op[gaat] om de gelden die men cash van de eigen rekeningen haalt te zien als legale inkomsten die bij de inkomsten vermeld in de belastingaangifte moeten geteld worden”, terwijl deze cashafhalingen in verband stonden met telastleggingen waarvoor een definitieve vrijspraak was verleend en waarvan de illegale herkomst dus niet met zekerheid kon worden vastgesteld, om vervolgens te vereisen dat er een rechtstreekse link zou worden aangetoond tussen een afhaling en de bedoelde storting van 24.875,00 euro, miskent het arrest het vereiste dat de legale oorsprong van een witwasvoorwerp met zekerheid moet kunnen worden uitgesloten, keert het in strijd met het vermoeden van onschuld de bewijslast om en miskent het begrip vermogensvoordeel.
  55. Op grond van een geheel van feitelijke gegevens die het vermeldt, oordeelt het arrest (p. 223-244) dat de eisers I.1 en I.2 een levensstandaard hadden die niet overeenstemde met hun gekende legale inkomsten, dat geen van de objectieve stukken over de financiële situatie van die eisers de stelling ondersteunt dat zij in staat zouden zijn om aanzienlijke schuldvorderingen te hebben op G. en de eiser II, dat zij grote bedragen cash geld zouden hebben liggen en dat zij een bovengemiddelde levensstandaard zouden kunnen aanhouden (p. 225-226), alsook dat die gelden onmogelijk een legale oorsprong kunnen hebben (p. 231-232).
  56. Specifiek voor wat betreft de telastlegging F.8 oordeelt het arrest (p. 267-268) als volgt: “Op 08.02.2008 stortte [de eiser I.1] 24.875 euro cash op zijn Zwitserse bankrekening bij UBS (…). Zoals reeds aangehaald, heeft [de eiser I.1] duidelijk een niet legale bron van inkomsten. Het bezit van 24.875 euro cash op dat ogenblik kan niet verklaard worden door een legale bron van inkomsten of een legaal vermogen. [De eiser I.1] had in 2008 amper een belastbaar inkomen van 12.502,11 euro en de voorgaande jaren nog minder. Door de storting op een Zwitserse bankrekening werd de illegale herkomst verdoezeld (art. 505 eerste lid 3° Sw.). Tevens werd de oorsprong en vindplaats van het geld verhuld (art. 505 eerste lid 4° Sw.). In het overzicht van de Zwitserse rekeningen met toelichtingen inzake de transacties die [de eiser I.1] tijdens het onderzoek via zijn advocaat aan het strafdossier liet voegen werd de cash storting van 08.02.2008 op de betreffende rekening niet opgenomen. Zelfs tijdens het strafonderzoek wenste [de eiser I.1] deze cash-storting te verdoezelen. In zijn verhoor van 04.06.2015 stelde [de eiser I.1] dat dit zijn privé gelden waren. Zoals aangehaald zijn dergelijke legale privégelden van [de eiser I.1] uitgesloten. Ook de stelling in conclusies dat het zou gaan om geld dat cash van de rekening werd afgehaald en dat dan wel legaal zou zijn, kan niet gevolgd worden. Dat het geld op een bepaald moment afgehaald werd om vervolgens te worden gestort wordt geenszins aannemelijk aangevoerd en is ongeloofwaardig. Een rechtstreekse link tussen een afhaling en de storting blijkt niet. Bovendien werd reeds uitgebreid gemotiveerd dat het niet mogelijk was, gezien de financiële situatie wat de legale inkomsten en het legale vermogen betreft, dat [de eiser I.1] over dergelijke privé cashgelden van legale oorsprong beschikte.”
  57. Met die redenen schendt het arrest geen door het onderdeel aangewezen bepaling noch miskent het een als miskend aangegeven algemeen rechtsbeginsel, maar beoordeelt het de bewijswaarde van de aan tegenspraak onderworpen gegevens van het strafdossier en verantwoordt het op grond daarvan de beslissing dat het bedrag van 24.875,00 euro onmogelijk een legale oorsprong kan hebben, naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel van de eisers I
  58. Het eerste onderdeel voert schending aan van de artikelen 66 en 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek: het arrest kent voor wat betreft de telastleggingen F aan dezelfde feitelijke handelingen zowel een aflopend als een voortdurend karakter toe door die handelingen bewezen te verklaren onder zowel de omschrijving van artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek, dit is een aflopend misdrijf bestaande in het omzetten of overdragen van illegale vermogensvoordelen, als onder de omschrijving van artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek, dit is een voortdurend misdrijf bestaande in het verhelen of verhullen van onder meer de oorsprong van illegale vermogensvoordelen, dit laatste met de toevoeging “het verhelen/verhullen voortgeduurd hebbende tot 06/03/2019”; de telastleggingen F zijn bij de vonnisrechter aanhangig gemaakt onder de kwalificaties van een overtreding van artikel 505, eerste lid, hetzij 2°, hetzij 3°, hetzij 4°, Strafwetboek; het arrest voegt daaraan een andere feitelijke gedraging toe. Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 182, 202 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest kwalificeert de telastleggingen F.2 tot F.7, F.9 tot F.32, F.39, F.71 en F.72, telkens voor de helft van de bedragen vermeld in die telastleggingen, eensdeels als aflopende misdrijven (overtreding van artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek) en tezelfdertijd kent het aan die misdrijven een voortdurend karakter toe aangezien de eisers I.1 en I.2 tot 6 maart 2019 de reële mogelijkheid zouden hebben gehad om het verhelen of verhullen te laten voortduren (overtreding van artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek); aldus kwalificeert het arrest de feitelijke handelingen geviseerd door de telastleggingen F op een dubbelzinnige wijze; de strafrechter moet aan de bij hem aanhangig gemaakte feiten de juiste kwalificatie geven en dit moet op ondubbelzinnige wijze gebeuren; de rechter kan geen uitspraak doen over niet bij hem aanhangig gemaakte feiten; dezelfde feitelijke handeling kan onder dezelfde telastlegging in rechte niet worden gekwalificeerd als tezelfdertijd een aflopend en als een voortdurend misdrijf. Het derde onderdeel voert schending aan van de artikelen 2 en 65 Strafwetboek en artikel 1 Wet Opdeciemen Geldboeten: het arrest oordeelt dat de incriminatieperiode van de telastleggingen F heeft geduurd tot 6 maart 2019; aldus wordt de incriminatieperiode over 1 januari 2017 getild en worden de geldboetes verhoogd met 70 in plaats van 50 opdeciemen, wat een strafverzwaring uitmaakt; de appelrechters die nalaten ondubbelzinnig de vervolgde feitelijke handeling te kwalificeren als een aflopend dan wel een voortdurend misdrijf, maar vervolgens op grond van deze ambigue kwalificatie beslissen de geldboete met 70 in plaats van met 50 opdeciemen te verhogen, verzwaren de toestand van de eisers I.1 en I.2 en passen niet de meest gunstige strafwet toe. Het vierde onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: “Elke rechter dient zijn vonnis met redenen te omkleden teneinde Uw Hof in staat te stellen om haar wettigheidscontrole uit te voeren (artikel 149 Grondwet). Doordat de appèlrechters een feitelijke handeling geviseerd onder een tenlastelegging zowel als een aflopend als een voortdurend misdrijf kwalificeren om vervolgens op basis van de uitgebreide incriminatieperiode (waarin het misdrijf zgn. voortduurde), is het arrest niet regelmatig gemotiveerd”.
  59. Het arrest verwerpt de kwalificatie van de feiten als een overtreding van artikel 505, eerste lid, 2°, Strafwetboek omdat het ervan uitgaat dat de eiser I.1 dader of mededader van het basismisdrijf was. In zoverre het eerste onderdeel geen rekening houdt met die beslissing, mist het feitelijke grondslag.
  60. Wanneer de wet voor eenzelfde feit voorziet in meerdere strafbaarstellingen, belet niets dat dit feit bij de strafrechter aanhangig wordt gemaakt onder meerdere kwalificaties, waarvan sommige een aflopend misdrijf en de andere een voortdurend misdrijf kunnen inhouden. Volgend op die aanhangigmaking kan de rechter dat feit, zonder het op een ontoelaatbare wijze te ontdubbelen, onder meerdere van die kwalificaties bewezen verklaren, op grond daarvan oordelen dat het bewezen verklaarde feit eveneens het voorwerp uitmaakt van een voortdurend misdrijf waarvan hij de duur bepaalt en vervolgens toepassing maken van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek. De omstandigheid dat de akte van aanhangigmaking elke kwalificatie laat voorafgaan door het woord “hetzij”, doet daaraan geen afbreuk. In zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.
  61. De eisers I zijn onder de telastleggingen F vervolgd wegens feiten die materieel bestaan in geldoverdrachten met illegale vermogensvoordelen, die zij op bepaalde momenten hebben uitgevoerd en die in de akte van aanhangigmaking zijn gekwalificeerd als een overtreding, zowel van artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek als van artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek. De appelrechters verklaren de eisers I schuldig aan deze feiten onder die beide kwalificaties omdat zij van oordeel zijn dat de aan de eisers I.1 en I.2 verweten gedragingen van omzetting of overdracht van illegale vermogensvoordelen eveneens gedragingen van het verhelen of het verhullen van die vermogensvoordelen uitmaken. De appelrechters oordelen verder dat dit verhelen of verhullen voortduurt zolang de eisers I zeggenschap over die vermogensvoordelen hebben gehad, dit is tot de datum waarop zij bewust de door henzelf gecreëerde wederrechtelijke toestanden ononderbroken hebben laten voortduren. Vervolgens vult het arrest de kwalificatie van het in artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek bedoelde voortdurend misdrijf aan met de einddatum van 6 maart
  62. Aldus hebben de appelrechters zichzelf niet gelast met nieuwe feiten noch de bij hen aanhangig gemaakte feiten ontdubbeld of op enige dubbelzinnige of ambigue wijze gekwalificeerd, maar verantwoorden zij hun beslissing naar recht. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen.
  63. In zoverre het derde onderdeel aanvoert dat de appelrechters niet de meest gunstige strafwet hebben toegepast, is het afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
  64. In zoverre het vierde onderdeel geen duidelijke grief formuleert die het Hof met de vereiste precisie kan beantwoorden, is het niet ontvankelijk. Derde middel van de eisers I
  65. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: de appelrechters beslissen zonder eenparigheid om bij de straftoemeting in belangrijke mate rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn; vervolgens verwijzen de appelrechters naar een verhoogde effectieve hoofdgevangenisstraf die zij zonder overschrijding van de redelijke termijn zouden hebben opgelegd; die verhoogde straf lag bij gebrek aan eenparigheid niet binnen hun bereik; daarbij laten de appelrechters na toe te lichten hoe zij het bedrag van de geldboete, dat zij zonder eenparigheid wel hadden kunnen verhogen, als vorm van herstel verminderen; aldus sanctioneren de appelrechters de overschrijding van de redelijke termijn niet op een wijze die reëel en meetbaar is. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195, vijfde lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters die de sanctionering van de overschrijding van de redelijke termijn enkel verantwoorden door verwijzing naar een effectieve hoofdgevangenisstraf die zij zonder eenparigheid wettelijk gezien niet eens konden opleggen, terwijl zulke sanctionering op een reële en meetbare wijze dient te gebeuren, motiveren hun beslissing niet naar recht.
  66. Het appelgerecht dat vaststelt dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak van een beklaagde is overschreden, oordeelt onaantastbaar op welke wijze het aan die overschrijding remedieert. De remediëring kan bestaan in een straf die op een reële en meetbare wijze lager is dan de straf die het appelgerecht zou hebben opgelegd bij niet-overschrijding van de redelijke termijn. Niet vereist is dat het appelgerecht de toegestane strafvermindering afweegt ten opzichte van de door de eerste rechter opgelegde straf.
  67. Krachtens artikel 211bis Wetboek van Strafvordering is eenstemmigheid van de leden van het appelgerecht vereist om de tegen een beklaagde uitgesproken straffen te kunnen verzwaren.
  68. Het appelgerecht verzwaart de door de eerste rechter opgelegde straf niet wanneer het geen hogere straf uitspreekt dan deze die door die rechter werd opgelegd. Indien het appelgerecht een strafverzwaring noodzakelijk acht, maar toch geen hogere straf uitspreekt om aan een overschrijding van de redelijke termijn te remediëren, verzwaart het niet de door de eerste rechter opgelegde straf in de zin van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering en is geen eenparigheid vereist.
  69. De rechter die voor het bewezen verklaarde feit meerdere straffen oplegt en wegens de overschrijding van de redelijke termijn een straf uitspreekt die lager is dan deze die hij zonder die overschrijding zou hebben uitgesproken, kan ofwel elk van de opgelegde straffen ofwel één of sommige van die straffen verminderen. De rechter die één straf vermindert, moet niet motiveren waarom hij dat niet doet voor alle of voor meerdere straffen. Het feit dat de beslissing die motivering niet bevat, heeft dan ook niet tot gevolg dat de strafvermindering ingevolge de overschrijding van de redelijke termijn niet reëel en meetbaar zou zijn.
  70. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  71. De appelrechters (arrest, p. 308-312) verhogen de aan de eisers I.1 en I.2 opgelegde geldboeten, maar wegens de overschrijding van de redelijke termijn verminderen zij de hen opgelegde hoofdgevangenisstraffen en leggen zij aan de eiser I.1 geen bestuursverbod op. De appelrechters motiveren die straftoemeting in essentie rekening houdend met de aard en de ernst van de feiten, de rol van de eisers I.1 en I.2, hun persoon, hun gunstig strafrechtelijk verleden en de overschrijding van de redelijke termijn, alsook met het feit dat het bedrag van de respectieve geldboeten is aangepast aan de aard en de ernst van de feiten, het beoogde voordeel en de persoon van de eisers I.1 en I.
  72. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel van de eisers I
  73. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 505, eerste lid, 4°, en zesde lid, Strafwetboek: de appelrechters stellen vast dat de roze diamant, voorwerp van de telastlegging F.1, in 2010 in consignatie werd gegeven zonder dat hiermee een witwashandeling werd gesteld; de appelrechters laten na vast te stellen dat die diamant op enig moment binnen de incriminatieperiode, die eindigde op 9 januari 2012, door de terugbetaling van een met illegale vermogensvoordelen verstrekte lening van de eisers I.1 en I.2 aan de eiser II, ten belope van een derde zou zijn verworden tot voorwerp van een witwashandeling; de appelrechters stellen dit namelijk enkel vast op 31 december 2014; nochtans is voor de schuldigverklaring aan het derde witwasmisdrijf een verhelen of verhullen van illegale vermogensvoordelen vereist. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters stellen onder de telastlegging F.1 (onderdeel roze diamant) nergens vast welke daad van verhelen of verhullen van illegale vermogensvoordelen de eisers I.1 en I.2 binnen de geïncrimineerde periode, dit is tussen 20 oktober 2010 en 10 januari 2012, zouden hebben gesteld met betrekking tot de roze diamant; bijgevolg is de schuldigverklaring en de daaraan gekoppelde verbeurdverklaring ten belope van een derde van deze diamant niet wettig gemotiveerd.
  74. Het arrest oordeelt niet dat de diamant in 2010 in consignatie werd gegeven zonder dat hiermee een witwashandeling werd gesteld. Het oordeelt wel, onder meer aan de hand van de tijdslijn die het vermeldt, dat de eiser II, als minstens mede-eigenaar van de diamant, vanaf 2010 de bedoeling had om die diamant te verkopen en met de opbrengst ervan een bedrag terug te betalen dat de eisers I.1 en I.2 hem met illegale vermogensvoordelen hadden geleend, waardoor de voor de terugbetaling bestemde opbrengst van de diamant het voorwerp van witwassen werd. Het arrest oordeelt ook dat het aanvankelijk niet is gelukt de diamant met winst te verkopen en zij in een kluis op naam van een derde is verborgen om de vindplaats ervan te verhullen totdat ze op 9 januari 2012 tijdens het gerechtelijk onderzoek in beslag werd genomen, waarbij die verberging het witwasmisdrijf bedoeld in artikel 505, eerste lid. 4°, Strafwetboek oplevert. Dat het arrest bewijsgegevens met betrekking tot die handelwijze van de eisers I.1 en I.2 put uit of preciseert aan de hand van gebeurtenissen die dateren van 2014, dit is na de in de telastlegging F.1 bepaalde incriminatieperiode, doet hieraan geen afbreuk.
  75. Hieruit volgt dat het arrest (p. 247-251) met de redenen die het bevat, in het bijzonder met de redenen: “Vanaf het ogenblik dat de diamant als afbetaling van de schuld van [de eiser II] aan [de eiser I.1] werd gegeven, is deze diamant, minstens deels, in hoofde van [de eiser I.1] een illegaal vermogensvoordeel, namelijk bekomen ingevolge het misdrijf witwassen (bestaande uit het uitlenen van illegale vermogensvoordelen). Door de diamant te bewaren in een kluis op naam van iemand anders werd de vindplaats verheeld of verhuld (art. 505 eerste lid 4° Sw.).” de beslissing regelmatig met redenen omkleedt en naar recht verantwoordt. Het middel kan niet worden aangenomen. Vijfde middel van de eisers I Eerste en tweede onderdeel
  76. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek: het arrest beveelt lastens de eisers I de verbeurdverklaring van het voorwerp van de witwasmisdrijven vermeld onder de telastleggingen F.71 en F.72; het betreft overschrijvingen van de eiser II en Chatelet Investments Ltd. aan de eiseres I.3; voor wat betreft de telastleggingen F.40 tot F.53 oordeelt het arrest dat de gelden van de eiser II en Chatelet Investments Ltd. voor de helft afkomstig zijn van illegale wapenhandel en dus illegale vermogensvoordelen uitmaken; die verdeling bij helften van de illegale en legale vermogensvoordelen steunt het arrest op redenen die niet elke legale oorsprong van de helft van de vermelde gelden uitsluiten; het arrest steunt het oordeel dat de eisers kennis hadden van de illegale oorsprong van de vermelde gelden bovendien enkel op “de nauwe band gedurende vele jaren tussen de beklaagden”; het arrest kan de kennis van de eisers niet louter afleiden uit die nauwe band. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de redenen van het arrest om eensdeels te beslissen dat de helft van de bedragen van de overschrijvingen bepaald in de telastleggingen F.71 en F.72 illegale vermogensvoordelen uitmaakten en anderdeels dat de eisers I.1 en I.3 deze illegale herkomst ten belope van de helft kenden, volstaan niet om de eisers I.1 en I.3 voor deze telastleggingen wettig schuldig te verklaren en te veroordelen.
  77. In zoverre het eerste onderdeel dezelfde strekking heeft als het tweede middel van de eisers II, III, IV en V (eerste memorie), kan het niet worden aangenomen om de redenen vermeld in antwoord op dat middel.
  78. Aansluitend op de redenen waarmee het arrest (p. 259) reeds heeft gewezen op de nauwe band tussen de eisers I.1, I.2 en II inzake de aan deze laatste toegestane leningen, oordeelt het (p. 300-301) als volgt voor wat betreft de kennis van de eisers I van de illegale herkomst van de onder de telastleggingen F.71 en F.72 vermelde vermogensvoordelen: - “[De eisers II, I.1 en I.3] zijn schuldig aan deze feiten. De lening werd aangegaan tussen [de eisers II en I.3]. Deze laatste is de vennootschap van [de eisers I.1 en I.2], waarvan op dat ogenblik [de eiser I.1] zaakvoerder was. Gelet op de nauwe band gedurende vele jaren tussen de beklaagden, kenden ze allen de illegale oorsprong van (een deel van) de gelden. De terugbetaling via de constructie van de lening met hoge intresten gebeurde met de bedoeling de illegale herkomst te verdoezelen (art. 505 eerste lid 3° Sw.) en hierdoor werd de illegale oorsprong en de vindplaats verhuld (art. 505 eerste lid 4° Sw.).” - de handelwijze en kennis van de eiser I.1 waren bepalend voor de handelingen van de eiseres I.3; - “[De eiseres I.2] stelt dat er met ingang van 1 maart 2010 een einde kwam aan haar mandaat van zaakvoerder van de eiseres I.
  79. en dat zij niet betrokken was bij het toestaan van de lening. Rekening houdende met de voorliggende gegevens kan het hof [(van beroep)] niet vaststellen dat de eiseres I.2 dader of mededader aan deze feiten was. Zij wordt er derhalve voor vrijgesproken.”
  80. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eisers I.1 en I.3 kennis hadden van de illegale oorsprong van de in de telastleggingen F.71 en F.72 bedoelde gelden.
  81. Met de redenen die het arrest vermeldt, is de beslissing eveneens regelmatig met redenen omkleed.
  82. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  83. Het onderdeel voert schending aan van artikel 505, zesde (lees vijfde) lid, Strafwetboek: het arrest (p. 362) beveelt lastens de eisers I.1 en I.3 de verbeurdverklaring van respectievelijk 108.000,00 euro en 69.684,50 euro, dit is de totaliteit van de bedragen die het voorwerp uitmaken van de telastleggingen F.71 en F.72; het arrest (p. 300, 352 en 355) verklaart de eisers I.1 en I.3 evenwel slechts schuldig aan die telastleggingen ten belope van de helft van die bedragen.
  84. Het arrest oordeelt zoals het onderdeel vermeldt. Aldus overstijgt de verbeurdverklaring die het arrest lastens de eisers I.1 en I.3 beveelt op grond van hun schuldigverklaring aan de telastleggingen F.71 en F.72 het voorwerp van de witwasmisdrijven bepaald in die telastleggingen, in zoverre bewezen verklaard. Het onderdeel is gegrond. Vierde onderdeel
  85. Gelet op de cassatie op het derde onderdeel behoeft dit onderdeel, dat niet kan leiden tot ruimere cassatie of tot cassatie zonder verwijzing, geen antwoord. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - artikel 505, vijfde lid, Strafwetboek
  86. Het arrest beveelt lastens de eiser II de verbeurdverklaring van respectievelijk 108.000,00 euro en 69.684,50 euro, dit is de totaliteit van de bedragen die het voorwerp uitmaken van de telastleggingen F.71 en F.72; het arrest verklaart de eiser II evenwel slechts schuldig aan die telastleggingen ten belope van de helft van die bedragen. Aldus is de beslissing niet naar recht verantwoord. Omvang van de cassatie
  87. De cassatie van de beslissingen voor wat betreft de verbeurdverklaring van het bedrag van 27.500,00 euro, voorwerp van de bewezenverklaarde telastlegging F.47, alsook voor wat betreft de verbeurdverklaring van de helft van de bedragen van 108.000,00 euro en 69.684,50 euro, dit is respectievelijk 54.000,00 euro en 34.842,25 euro, voorwerp van de bewezenverklaarde telastleggingen F.71 en F.72, laat de overige beslissingen van het arrest onverlet.
  88. De eerst vermelde cassatie vereist geen verwijzing aangezien het arrest (p. 361) vaststelt dat het ganse verbeurdverklaarde bedrag zich bevindt onder de lastens de eiseres IV in beslag genomen bedragen en geblokkeerde rekeningen.
  89. De tweede vermelde cassatie vereist een verwijzing aangezien het arrest (p. 362) de verbeurdverklaring van de bedragen van 54.000,00 euro en 34.842,25 euro beveelt per equivalent en enkel gedeeltelijk toerekent op reeds in beslag genomen bedragen en saldi, zodat het aan de verwijzingsrechter staat die toerekening te herbeoordelen, rekening houdend met de met dit arrest uitgesproken cassatie. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  90. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het lastens de eisers II, IV en V de verbeurdverklaring beveelt van het bedrag van 27.500,00 euro als voorwerp van de telastlegging F.47 en het lastens de eisers I.1, I.3 en II de verbeurdverklaring beveelt van de bedragen van 54.000,00 euro en 34.842,25 euro als voorwerp van de telastleggingen F.71 en F.
  91. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers I.2 en III tot de kosten van hun cassatieberoep. Veroordeelt de eiser II tot zeven tienden van de kosten van zijn cassatieberoep. Veroordeelt de eisers I.1, I.3, IV en V tot acht tienden van de kosten van hun cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Zegt dat er geen reden is tot verwijzing voor wat betreft de cassatie van de beslissing tot verbeurdverklaring van het bedrag van 27.500,00 euro als voorwerp van de telastlegging F.47 lastens de eisers II, IV en V. Verwijst de zaak, beperkt tot de beslissing tot verbeurdverklaring van de bedragen van 54.000,00 euro en 34.842,25 euro als voorwerp van de telastleggingen F.71 en F.72 lastens de eisers I.1, I.3 en II, naar het hof van beroep te Antwerpen, anders samengesteld. Bepaalt de kosten in het geheel op 2455,15 euro, waarvan de eisers I en II elk 493,01 euro zijn verschuldigd en de eisers III, IV en V elk 489,71 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 31 december 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241231.2N.21 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241231.2N.21 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250225.2N.2 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260106.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.