← België

K.

Obsah (4)Art. 525Art. 526Art. 528Art. 528bis

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 525

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 526

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 528

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 528bis- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIE - ALGEMEEN.

OPDRACHT EN BESTAANSREDEN VAN HET HOF. AARD VAN HET CASSATIEGEDING Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 525

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 526

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 528

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 528bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 3 Uit het gegeven dat de strafvordering in beide zaken die aanhangig zijn bij twee rechtbanken die niet tot elkaar rechtsgebied behoren, steunt op de inhoud van geïntercepteerde Sky ECC-communicaties gevoerd via dezelfde aan de verzoeker toegeschreven PINs, volgt niet dat een goede rechtsbedeling vereist dat de beide zaken door eenzelfde rechtscollege worden behandeld, en uit het gegeven dat de verzoeker in beide zaken wordt vervolgd voor inbreuken op de drugwet in vereniging als leidend persoon betreffende cocaïne volgt evenmin dat een goede rechtsbedeling vereist dat de beide zaken door eenzelfde rechtscollege worden behandeld. Thesaurus CAS: REGELING VAN RECHTSGEBIED - STRAFZAKEN - Tussen vonnisgerechten Tekst van de beslissing Nr. P.24.1519.N M. K., verzoeker tot regeling van rechtsgebied, beklaagde, met als raadsman mr. Sven Mary, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1860 Meise, Plasstraat 3, waar de verzoeker woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het op 13 november 2024 ter griffie van het Hof ingediende verzoek strekt ertoe om op grond van de artikelen 526 tot en met 540 Wetboek van Strafvordering het rechtsgebied te regelen met betrekking tot twee strafzaken hangende, respectievelijk voor: - de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, met notitienummer (…) – (…) (hierna de Antwerpse zaak); - de Franstalige correctionele rechtbank Brussel, met notitienummer (…) – (…) (hierna de Brusselse zaak). Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling

  1. De verzoeker zet in zijn verzoekschrift samengevat uiteen wat volgt: - de verzoeker wordt in de Antwerpse zaak vervolgd voor twaalf gevallen van de invoer, de uitvoer en het vervoer van cocaïne als leidend persoon van een vereniging te Antwerpen en bij samenhang elders in het Rijk in periodes die zich situeren tussen 30 januari 2020 en 1 maart
  2. Hij werd na verwijzing bij beschikking van de raadkamer van 19 oktober 2022 voor elf van die feiten op 30 juni 2023 door de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, bij verstek veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf, een geldboete en een verbeurdverklaring. Hij heeft tegen dit verstekvonnis verzet aangetekend, waarover nog geen uitspraak is gedaan; - de verzoeker wordt in de Brusselse zaak vervolgd als leidend persoon van een criminele organisatie en inbreuken op de drugwet betreffende cocaïne en cannabis als leidend persoon van een vereniging te Brussel en bij samenhang elders in het Rijk, in de periode tussen 1 januari 2017 en 30 november
  3. Hij werd na verwijzing door de raadkamer op 2 juni 2023 voor sommige van die feiten bij vonnis van de Franstalige correctionele rechtbank Brussel op 29 oktober 2024 bij verstek veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf, een geldboete en een verbeurdverklaring. Hij heeft tegen dit verstekvonnis verzet aangetekend, waarover nog geen uitspraak is gedaan; - de verwijzingsbeschikkingen in de Antwerpse en de Brusselse zaak zijn niet meer vatbaar voor een rechtsmiddel; - noch de Antwerpse noch de Brusselse rechtbank hebben reeds op tegenspraak uitspraak gedaan over de grond van de zaak; - er is sprake van een positief bevoegdheidsconflict gecreëerd door de verwijzingsbeschikkingen in beide zaken; - de feiten in beide zaken zijn samenhangend: ze steunen integraal op de inhoud van geïntercepteerde Sky ECC-communicaties gevoerd via dezelfde aan de verzoeker toegeschreven PINs, het betreft in de tijd opeenvolgende feiten van invoer van cocaïne via de Antwerpse haven gepleegd in de periode januari 2020-maart 2021, in beide zaken wordt de verzoeker vervolgd als leider en in beide zaken is sprake van eenzelfde crimineel plan; - de zaken werden kunstmatig van elkaar afgesplitst; - de goede rechtsbedeling vereist dat de verzoeker voor alle telastleggingen wordt berecht door één rechtbank; - het is aangewezen dat aangezien de eiser Nederlandstalig is, de feiten zich hebben voorgedaan te Antwerpen, via de Antwerpse haven, de correctionele rechtbank Antwerpen gevat is met twaalf concrete feiten van invoer van cocaïne en de Franstalige correctionele rechtbank is gevat met twee concrete feiten van invoer, alle feiten worden berecht door de Antwerpse correctionele rechtbank.
  4. Uit artikel 526 Wetboek van Strafvordering volgt dat er grond is tot regeling van rechtsgebied door het Hof van Cassatie wanneer onderscheidene rechtbanken die niet tot elkaars rechtsgebied behoren kennis nemen van eenzelfde misdrijf of samenhangende misdrijven.
  5. Artikel 525 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat ieder verzoek tot regeling van rechtsgebied summier en op enkele memorie wordt behandeld en uitgewezen. Uit de artikelen 528 en 528bis Wetboek van Strafvordering volgt dat het Hof onmiddellijk uitspraak kan doen over een verzoek tot regeling van rechtsgebied.
  6. Het staat aan het Hof te oordelen of het gegeven dat twee rechtbanken die niet tot elkaar rechtsgebied behoren dezelfde of samenhangende misdrijven onderzoeken, een geschil van rechtsmacht doet ontstaan dat de rechtsgang belemmert. Dat kan het geval zijn wanneer het gelet op de goede rechtsbedeling en meer bepaald de vrijwaring van de doelmatigheid van de waarheidsvinding en het recht van verdediging, noodzakelijk voorkomt dat de zaken verder worden behandeld door eenzelfde rechtbank. Bij die beoordeling kunnen ook de stand van de rechtspleging in de beide zaken en de beheersbaarheid van de zaken na een eventuele voeging worden betrokken.
  7. Het Hof stelt op basis van het verzoekschrift en de erbij gevoegde stukken het volgende vast: - in de Antwerpse zaak werd de verzoeker, samen met twaalf andere beklaagden, bij beschikking van de raadkamer verwezen naar het vonnisgerecht voor twaalf te Antwerpen en bij samenhang elders in het Rijk gesitueerde inbreuken op de drugwet als leidend persoon van een vereniging in de periode van 30 januari 2020 en 1 maart
  8. Het zou volgens de telastleggingen de invoer, uitvoer en vervoer van aanzienlijke hoeveelheden cocaïne betreffen via containers; - in de Antwerpse zaak werd de verzoeker bij verstekvonnis van 30 juni 2023 vrijgesproken voor de feiten omschreven onder de telastlegging A1 en voor de overige feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf, een geldboete en een bijzondere verbeurdverklaring. Dit vonnis werd ook bij verstek gewezen tegen vijf medebeklaagden. De verzoeker heeft tegen dit vonnis verzet aangetekend. Uit de aan het Hof overgelegde stukken blijkt niet dat over dat verzet reeds uitspraak is gedaan; - in de Brusselse zaak werd de eiser bij vonnis van de Franstalige correctionele rechtbank van 29 oktober 2024 bij verstek veroordeeld wegens te Brussel en bij samenhang elders in het Rijk gesitueerde feiten van leidend persoon van een criminele organisatie, alsook inbreuken op de drugwet als leidend persoon van een vereniging en met name betreffende onbepaalde hoeveelheden cocaïne en cannabis, in de periode van 1 januari 2017 tot 30 november
  9. Dit vonnis had betrekking op 126 beklaagden, waarvan meerdere verstek hebben gelaten. De verzoeker werd vrijgesproken voor de telastlegging die verband hield met cannabis, maar veroordeeld tot een gevangenisstraf, een geldboete, een verbeurdverklaring, een bestuurdersverbod en ontzetting van rechten wegens de telastleggingen criminele organisatie als leidend persoon en de inbreuken op de drugwet betreffende cocaïne. De verzoeker heeft tegen dit vonnis verzet aangetekend. Uit de aan het Hof overgelegde stukken blijkt niet dat over dat verzet reeds uitspraak is gedaan.
  10. Hoewel er tussen de feiten waarvoor de verzoeker in de beide zaken reeds bij verstek werd veroordeeld een verband kan worden gelegd, moet worden vastgesteld dat die feiten niet op dezelfde plaats worden gesitueerd, de incriminatieperiode in de Brusselse zaak ruimer is dan in de Antwerpse zaak, de medebeklaagden in de beide zaken niet dezelfde personen betreffen en niet blijkt dat het om dezelfde feiten gaat. De verzoeker vermeldt overigens in zijn verzoekschrift dat de Antwerpse zaak betrekking heeft op twaalf concrete feiten van invoer van cocaïne en de Brusselse zaak op twee concrete feiten van invoer.
  11. Uit het gegeven dat de strafvordering in beide zaken steunt op de inhoud van geïntercepteerde Sky ECC-communicaties gevoerd via dezelfde aan de verzoeker toegeschreven PINs, volgt niet dat een goede rechtsbedeling vereist dat de beide zaken door eenzelfde rechtscollege worden behandeld. Uit het gegeven dat de verzoeker in beide zaken wordt vervolgd voor inbreuken op de drugwet in vereniging als leidend persoon betreffende cocaïne volgt evenmin dat een goede rechtsbedeling vereist dat de beide zaken door eenzelfde rechtscollege worden behandeld.
  12. Er is geen enkele aanwijzing voor de aanvoering van de verzoeker dat de vervolging in de beide zaken het resultaat is van een kunstmatige afsplitsing.
  13. Het gegeven dat de taal van de rechtspleging voor de Franstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel het Frans is en de verzoeker Nederlandstalig is, kan op zich geen regeling van rechtsgebied verantwoorden.
  14. De verzoeker preciseert voor het overige niet hoe een afzonderlijke behandeling van de beide zaken zijn recht van verdediging zou miskennen.
  15. Gelet op die overwegingen en teneinde de afwikkeling van de tegen de verzoeker ingestelde strafvorderingen beheersbaar te houden, is er geen grond tot regeling van rechtsgebied. Dictum Het Hof, Verwerpt het verzoek tot regeling van rechtsgebied. Veroordeelt de verzoeker tot de kosten. Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 31 december 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241231.2N.23 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240611.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.