id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241231.2N.28 Rolnummer: P.24.1412.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2025-01-08 Raadplegingen: 559 - laatst gezien 2026-06-19 02:02 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Het vonnis dat vaststelt dat de immobilisering van het motorvoertuig tot een definitieve uitspraak en de verbeurdverklaring ervan een snelle afhandeling van de strafprocedure vereisen gelet op de daarmee gepaard gaande oplopende kosten en de waardevermindering van het voertuig, kan op grond van die vaststelling wettig oordelen dat een omstandigheid eigen aan de zaak in de zin van artikel 23, vierde lid, Taalwet Gerechtszaken de afwijzing van het verzoek om taalwijziging verantwoordt en dit ongeacht de mogelijkheid voor een beklaagde om een rechtsmiddel aan te wenden tegen de immobilisering van het motorvoertuig. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In hoger beroep - Strafzaken Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Fiches 2 - 6 De regels inzake de bewijslast verzetten zich niet ertegen dat indien de dagvaarding een toestand van herhaling als bedoeld door artikel 48, tweede lid, Wegverkeerswet en een toestand van verzwaring als bedoeld door artikel 38, § 6, Wegverkeerswet vermeldt in de bewoordingen van de strafwet met opgave van de rechterlijke beslissing die er de grondslag voor vormt en de beklaagde die toestand van herhaling en verzwaring niet betwist, de rechter die toestand aanneemt zonder dat het dossier een afschrift bevat met een door de griffier aangebrachte vermelding dat tegen de beslissing geen rechtsmiddel werd aangewend
(1)Zie Cass. 31 mei 2022, AR P.22.0458.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220531.2N.13, AC 2022, nr. 392; Cass. 10 mei 2022, AR P.22.0193.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220510.2N.6, AC 2022, nr. 329; Cass. 27 mei 2021, AR P.21.0061.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210427.2N.1, AC 2021, nr. 300; Cass. 18 mei 2021, AR P.21.0454.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210518.2N.7, AC 2021, nr. 363; Cass. 12 november 2019, AR P.19.0772.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191112.4, AC 2019, nr. 587, RABG 2020, afl.8, 688-704, noot F. VAN VOLSEM. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 38 WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 48 HERHALING BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Tekst van de beslissing Nr. P.24.1412.N I en II M. A., beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Sophia Robillard en mr. Wiet Goris, beiden advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige en de Franstalige arrondissementsrechtbanken Brussel, zetelend in verenigde vergadering, van 11 maart 2024 (hierna vonnis I). Het cassatieberoep II is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 11 september 2024 (hierna vonnis II). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan betreffende het vonnis I. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan betreffende het vonnis II. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel betreffende het vonnis I Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 23 Taalwet Gerechtszaken: het vonnis I neemt aan dat gelet op de immobilisering van het motorvoertuig en de verbeurdverklaring ervan een snelle afhandeling van de zaak aangewezen is gelet op de oplopende kosten en de waardevermindering die het voertuig ondergaat, zodat het verzoek wordt afgewezen; dit is nochtans geen omstandigheid eigen aan de zaak die toelaat het verzoek af te wijzen; het is een drogreden die daarenboven juridisch onjuist is; de wetgever heeft immers in een afzonderlijke procedure voorzien tot opheffing van de immobilisering.
- Artikel 23, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken bepaalt dat een beklaagde die alleen Frans kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt, wanneer hij terechtstaat voor een politierechtbank waarvan de taal van de rechtspleging het Nederlands is, kan vragen dat de rechtspleging in het Frans geschiedt.
- Artikel 23, vierde lid, Taalwet Gerechtszaken bepaalt dat in voorkomend geval de rechtbank de verwijzing gelast naar het dichtstbij gelegen gerecht van dezelfde rang, waarvan de taal van de rechtspleging de taal is die door de beklaagde is gevraagd, maar dat de rechtbank evenwel kan beslissen wegens de omstandigheden van de zaak niet op de aanvraag van de beklaagde te kunnen ingaan.
- Uit deze bepalingen volgt voor een beklaagde in beginsel het recht om in de in die bepaling bedoelde gevallen de verwijzing te horen bevelen naar een gerecht waar de taal van de rechtspleging die is welke de beklaagde kent of waarin hij zich gemakkelijker uitdrukt.
- De rechter mag het verzoek om taalwijziging evenwel afwijzen indien er objectiveerbare omstandigheden zijn eigen aan de zaak die maken dat het aangewezen is dat hijzelf de zaak beoordeelt.
- De rechter oordeelt onaantastbaar over de aanwezigheid van dergelijke omstandigheden.
- Het Hof gaat evenwel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het vonnis I stelt vast dat de immobilisering van het motorvoertuig tot een definitieve uitspraak en de verbeurdverklaring ervan een snelle afhandeling van de strafprocedure vereisen gelet op de daarmee gepaard gaande oplopende kosten en de waardevermindering van het voertuig. Het vonnis I kan op grond van die vaststelling wettig oordelen dat een omstandigheid eigen aan de zaak in de zin van artikel 23, vierde lid, Taalwet Gerechtszaken de afwijzing van het verzoek om taalwijziging verantwoordt en dit ongeacht de mogelijkheid voor een beklaagde om een rechtsmiddel aan te wenden tegen de immobilisering van het motorvoertuig. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 23 Taalwet Gerechtszaken: het vonnis I neemt ten onrechte aan dat het gegeven dat een beklaagde wordt vervolgd voor de niet-naleving van een met een op tegenspraak gewezen Nederlandstalig vonnis opgelegde vervallenverklaring een omstandigheid is eigen aan de zaak, die toelaat het verzoek om taalwijziging af te wijzen; daardoor blijft artikel 23 Taalwet Gerechtszaken dode letter en wordt het recht om in zijn eigen taal berecht te worden uitgehold.
- De vergeefs met het tweede onderdeel bekritiseerde reden schraagt de bestreden beslissing. Het eerste onderdeel dat bijgevolg gericht is tegen een overtollig motief kan niet tot cassatie leiden en is dan ook bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel betreffende het vonnis II
- Het middel voert schending aan van de artikelen 38, § 6, en 48, eerste lid, 1°, Wegverkeerswet: de vaststelling van de toestand van herhaling als bedoeld door artikel 48, tweede lid, Wegverkeerswet, alsook van de toestand van verzwaring als bedoeld door artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet, omdat die niet worden betwist en blijken gelet op het in kracht van gewijsde getreden vonnis van de politierechtbank Vilvoorde van 8 november 2022, is juridisch foutief en houdt een miskenning in van de bewijslast die rust op het openbaar ministerie; om de toestand van wettelijke herhaling en verzwaring te kunnen aannemen, moet het openbaar ministerie een afschrift voegen van het betreffende vonnis met de uitdrukkelijke vermelding dat het kracht van gewijsde heeft; er ligt geen onomstotelijk bewijs voor dat het vonnis van 8 november 2022 kracht van gewijsde heeft; de eiser moet niet aantonen dat dit vonnis geen kracht van gewijsde heeft.
- Het voor het vaststellen van de toestand van herhaling en verzwaring vereiste bewijs van een vroegere veroordeling die kracht van gewijsde heeft, wordt in de regel geleverd door een door de griffier uitgereikt afschrift van de veroordelende beslissing of uittreksel met de vermelding dat die beslissing kracht van gewijsde heeft, die op verzoek van het openbaar ministerie aan het dossier wordt gevoegd.
- Het bewijs van het bestaan van een vroegere veroordeling en van het kracht van gewijsde hebben van die beslissing kan door het openbaar ministerie evenwel ook met andere middelen worden geleverd. Het staat aan de rechter te oordelen of het openbaar ministerie op dat vlak slaagt in zijn bewijslast.
- De regels inzake de bewijslast verzetten zich niet ertegen dat indien de dagvaarding een toestand van herhaling als bedoeld door artikel 48, tweede lid, Wegverkeerswet en een toestand van verzwaring als bedoeld door artikel 38, § 6, Wegverkeerswet vermeldt in de bewoordingen van de strafwet met opgave van de rechterlijke beslissing die er de grondslag voor vormt en de beklaagde die toestand van herhaling en verzwaring niet betwist, de rechter die toestand aanneemt zonder dat het dossier een afschrift bevat met een door de griffier aangebrachte vermelding dat tegen de beslissing geen rechtsmiddel werd aangewend. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De dagvaarding vermeldt voor wat betreft de enige telastlegging de toestand van herhaling als bedoeld door artikel 48, tweede lid, Wegverkeerswet en de toestand van verzwaring als bedoeld door artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet in de bewoordingen van de strafwet met opgave van het vonnis van de politierechtbank van Vilvoorde van 8 november
- Het vonnis II oordeelt dat deze staat van herhaling en de strafverzwarende omstandigheid op grond van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet zoals vermeld bij de telastlegging niet worden betwist en vaststaan op grond van het vonnis van de politierechtbank Vilvoorde van 8 november 2022 dat in kracht van gewijsde is getreden. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 109,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 31 december 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241231.2N.28 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191112.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210427.2N.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210518.2N.7 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220510.2N.6 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220531.2N.13 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div