id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241231.2N.29 Rolnummer: P.24.1356.N Zaak: B. contra Procureur des Konings te Halle-Vilvoorde Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2025-01-08 Raadplegingen: 460 - laatst gezien 2026-06-17 22:24 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De rechter mag het verzoek om taalwijziging als bedoeld in artikel 23 Taalwet Gerechtszaken afwijzen indien er objectiveerbare omstandigheden zijn eigen aan de zaak die maken dat het aangewezen is dat hijzelf de zaak beoordeelt; de rechter oordeelt onaantastbaar over de aanwezigheid van dergelijke omstandigheden maar het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt
(1)Cass. 5 september 2023, AR P.23.0703.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.9, AC 2023, nr. 533; Cass. 19 november 2019, AR P.19.0758.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191119.2N.11, AC 2019, nr. 607; Cass. 15 oktober 2019, AR P.19.0615.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191015.7, AC 2019, nr. 523; Cass. 10 november 2015, AR P.14.1296.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151110.5, AC 2015, nr.
- Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In hoger beroep - Strafzaken Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Fiche 3 Noch het gegeven dat een beklaagde wordt vervolgd voor de niet-naleving van een verval van het recht tot sturen opgelegd met een op tegenspraak en in kracht van gewijsde getreden Nederlandstalig vonnis noch het gegeven dat een beklaagde de hem ten laste gelegde feiten niet betwist, zijn objectiveerbare omstandigheden eigen aan de zaak in de zin van artikel 23, vierde lid, Taalwet Gerechtszaken. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In hoger beroep - Strafzaken Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1356.N I en II T. B., beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Sophia Robillard en mr. Wiet Goris, beiden advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige en de Franstalige arrondissementsrechtbanken Brussel, zetelend in verenigde vergadering, van 12 februari 2024 (hierna vonnis I). Het cassatieberoep II is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 18 september 2024 (hierna vonnis II). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan betreffende het vonnis I. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan betreffende het vonnis II. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep I
- Het vonnis I verklaart eisers beroep ontvankelijk. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is eisers cassatieberoep I bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel betreffende het vonnis I
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 23 Taalwet Gerechtszaken: het vonnis I neemt ten onrechte aan dat de vervolging wegens niet-naleving van een op tegenspraak en in kracht van gewijsde getreden vonnis dat een vervallenverklaring heeft uitgesproken een omstandigheid is eigen aan de zaak, die toelaat het verzoek om taalwijziging af te wijzen; daardoor blijft artikel 23 Taalwet Gerechtszaken dode letter en wordt het recht uitgehold om in zijn eigen taal te worden berecht. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 23 Taalwet Gerechtszaken: het vonnis I neemt ten onrechte aan dat het gegeven dat de beklaagde de telastleggingen niet betwist een omstandigheid is eigen aan de zaak die de afwijzing van een verzoek om taalwijziging verantwoordt; het al dan niet betwisten van de telastlegging houdt verband met de grond van de zaak en heeft geen uitstaans met de beoordeling van een verzoek om taalwijziging.
- Artikel 23, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken bepaalt dat een beklaagde die alleen Frans kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt, wanneer hij terechtstaat voor een politierechtbank waarvan de taal van de rechtspleging het Nederlands is, kan vragen dat de rechtspleging in het Frans geschiedt.
- Artikel 23, vierde lid, Taalwet Gerechtszaken bepaalt dat in voorkomend geval de rechtbank de verwijzing gelast naar het dichtstbij gelegen gerecht van dezelfde rang, waarvan de taal van de rechtspleging de taal is die door de beklaagde is gevraagd, maar dat de rechtbank evenwel kan beslissen wegens de omstandigheden van de zaak niet op de aanvraag van de beklaagde te kunnen ingaan.
- Uit deze bepalingen volgt voor een beklaagde in beginsel het recht om in de in die bepaling bedoelde gevallen de verwijzing te horen bevelen naar een gerecht waar de taal van de rechtspleging die is welke de beklaagde kent of waarin hij zich gemakkelijker uitdrukt.
- De rechter mag het verzoek om taalwijziging evenwel afwijzen indien er objectiveerbare omstandigheden zijn eigen aan de zaak die maken dat het aangewezen is dat hijzelf de zaak beoordeelt.
- De rechter oordeelt onaantastbaar over de aanwezigheid van dergelijke omstandigheden.
- Het Hof gaat evenwel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt.
- Het vonnis I verklaart het hoger beroep van de eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om taalwijziging ongegrond omdat zijn vervolging was gebaseerd op een Nederlandstalig op tegenspraak gewezen vonnis dat tegen hem een vervallenverklaring had uitgesproken, alsook omdat hij de telastleggingen niet heeft betwist.
- Noch het gegeven dat een beklaagde wordt vervolgd voor de niet-naleving van een verval van het recht tot sturen opgelegd met een op tegenspraak en in kracht van gewijsde getreden Nederlandstalig vonnis noch het gegeven dat een beklaagde de hem ten laste gelegde feiten niet betwist, zijn objectiveerbare omstandigheden eigen aan de zaak in de zin van artikel 23, vierde lid, Taalwet Gerechtszaken. De wetgever heeft het recht op taalwijziging niet willen voorbehouden voor beklaagden die betwisting voeren over de hen ten laste gelegde feiten of voor de beklaagden die worden vervolgd voor de niet-naleving van een verval van het recht tot sturen opgelegd met een andere beslissing dan een op tegenspraak gewezen Nederlandstalige beslissing. De onderdelen zijn gegrond. Overige grieven
- De grieven die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Omvang van de cassatie
- De vernietiging van het vonnis I, in de mate dat dit eisers beroep tegen de afwijzing van zijn verzoek om taalwijziging ongegrond verklaart, leidt tot de vernietiging van het vonnis II dat er een gevolg van is. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis I behoudens waar dit het hoger beroep van de eiser ontvankelijk verklaart. Vernietigt het bestreden vonnis II. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis I en van het vernietigde vonnis II. Verwerpt het cassatieberoep I voor het overige. Veroordeelt de eiser tot een tiende van de kosten van het cassatieberoep I. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Nederlandstalige en de Franstalige arrondissementsrechtbanken Brussel, zetelend in verenigde vergadering, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 198,28 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 31 december 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241231.2N.29 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151110.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191015.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191119.2N.11 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251202.2N.6 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260505.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div